Politiek en media: een relatie van wederzijdse afhankelijkheid

Politiek en media

een relatie van wederzijdse afhankelijkheid

 

Door drs. J.P. de Vries, lid van de Eerste Kamer en oud-hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad

 

Er is de laatste tijd veel te doen over de verhouding tussen politiek en media. Er zijn de laatste jaren over dit thema zelfs drie rapporten verschenen, van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling[1], van de Raad voor het Openbaar Bestuur[2] en van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid[3], terwijl de laatstgenoemde raad ook al een hoofdstuk aan dit thema wijdde in zijn eerdere rapport Waarden, normen en de last van het gedrag[4]. Kennelijk is hier sprake van een probleem. Maar het is niet eenvoudig het te omschrijven en nog minder om aan te geven, wat de politiek hieraan zou moeten of kunnen doen.

 

Een gespannen verhouding

Er is sprake van een gespannen verhouding: politici hebben veel kritiek op wat de media over hen en hun werk berichten, en de media vertonen vaak een wantrouwende, cynische houding tegenover de politiek. Tegelijk is er sprake van wederzijdse afhankelijkheid: de politiek is een belangrijk werkterrein voor de berichtgeving door de media en de politici hebben de media nodig om hun werk bekend te maken bij de burgers, die ook kiezers zijn. De politicus wil graag positief in de krant of op de televisie komen, de journalist wil een niets verhullend en opzienbarend verhaal, liefst zo dat andere media er niet onderuit kunnen hem te citeren.

Daarnaast is er sprake van een zekere concurrentieverhouding. Politiek – en dan bedoel ik vooral het parlement – en de media hebben verwante taken. Het parlement controleert de regering; de media zien dat ook als hun taak. Het parlement fungeert als arena voor de politieke discussie; hetzelfde gebeurt tussen de media en steeds vaker ook binnen eenzelfde medium. De laatste verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer (2006) heeft zich nauwelijks in politieke bijeenkomsten, maar voornamelijk op de televisie afgespeeld. Maar er is ook sprake van tegengestelde belangen: de media willen hun lezers ook verstrooiing en vermaak bieden, de politiek wil juist ernstig worden genomen.

 

Ontwikkelingen

De recente aandacht van drie adviesorganen van de rijksoverheid wijst er ook op, dat de spanning is toegenomen. Dat is uiteraard niet een plotselinge ontwikkeling geweest, maar vrucht van een geleidelijk proces, dat achteraf beschouwd al in de jaren zestig is ingezet. Ik wil daarmee allerminst de daaraan voorafgegane periode idealiseren. Het was de tijd dat dagbladen nauw verbonden waren aan politieke partijen, met niet zelden een hoofdredacteur die tegelijk fractievoorzitter van de Tweede Kamer was of verantwoording schuldig was aan een partijbestuur. De scheiding van de verantwoordelijkheden die zich sindsdien heeft voltrokken, is winst, want de politiek heeft baat bij een onafhankelijke pers.

Maar er zitten ook schaduwzijden aan. Met de politieke banden is meestal ook de ideologische kleur van de media teloorgegaan. Het sterkst is dat te zien bij de dagbladuitgeverijen en de commerciële omroepen. Deze bedrijven moeten winst maken, vooral door adverteerders aan te trekken, en daarvoor zijn hoge oplagen of hoge kijkcijfers noodzakelijk. Dat heeft geleid tot verlies van ideëel onderscheid bij de dagbladen, en tot popularisering. Politieke personen zijn vooral interessant vanwege hun onderlinge rivaliteit en conflicten. De eerste vraag van een journalist aan een minister in zo’n situatie luidt meestal: Treedt u af?

 

Overheersing ‘TV-informatie’

“Een politiek journalist is gefocust op de macht’’, schrijft Jan Hoedeman in het boek dat hij schreef bij zijn afscheid als parlementair redacteur van de Volkskrant[5], “hoe komen beslissingen tot stand, wie krijgt zijn zin en welke veer moet iemand daarvoor laten?” De inhoud van de genomen beslissing is hier een opvallende afwezige. Informatie over wat de politiek besluit, waarover de discussies in de Tweede Kamer gaan – over de Eerste Kamer zwijg ik maar helemaal –, is schaars geworden. Ik besef dat de televisie een ongeschikt medium is voor het type informatie dat ik nu bedoel; daarvoor moeten we het vooral van de dagbladen hebben. Maar ook die leggen tegenwoordig hun prioriteiten anders. Dat is een gevolg van de eisen van de markt en ook van de toonaangevende rol van de televisie. Als de televisie een zaak op de agenda zet, menen de andere media niet te kunnen achterblijven. En dus krijgt het type informatie waarvoor de televisie bij uitstek geschikt is, een ongewenst overwicht.

Nu is er voor de werkelijk geïnteresseerde tegenwoordig een goede compensatiemogelijkheid: officiële documenten van de overheid zijn allemaal op internet te vinden. Maar slechts een kleine elite doet zich daar moeite voor. De media zijn als informatiemakelaars onmisbaar, maar die functie vervullen ze voor de geïnteresseerde burger maar heel matig. Hoe kunnen de media en hoe kan de politiek hierin verbetering brengen?

In de wereld van de media werken technische en economische wetten waar noch de journalisten noch de politiek veel verweer tegen hebben. Economische wetten kun je uitschakelen of verzachten door overheidssubsidie. Maar dat is hier de verkeerde weg, omdat dat instrument meteen de noodzakelijke onafhankelijkheid van de media aantast. We zien trouwens bij de publieke omroep, dat overheidsbekostiging nog geen waarborg is dat luisteraars en kijkers inhoudelijk beter bediend worden.

 

Naar meer eigen overheidsmedia?

De Raad voor het Openbaar Bestuur bepleit een uitbreiding van eigen overheidsmedia, via internet, met een overheidskrant en door het inkopen van zendtijd om onderwerpen in belangstelling te brengen die de media laten liggen. Nu gebeurt er op dit gebied al het een en ander. We kennen zelfs de Nederlandse Staatscourant, maar als de overheid dat medium zou gaan uitbouwen tot een dagblad dat in concurrentie zou treden met de bestaande commercieel geëxploiteerde dagbladen, zou de staat zijn boekje ernstig te buiten gaan.[6]

 

Eigen verantwoordelijkheid media

De media zullen zelf hun verantwoordelijkheid moeten nemen om hun rol in het democratisch proces beter te vervullen. Dat mag met een kritische invalshoek, maar dan liever opbouwend dan afbrekend, dat wil zeggen met oog voor de eigen taak en verantwoordelijkheid van de overheid. Hierbij is van groot belang dat er naast de commercieel gedreven media ook ruimte blijft voor media op ideële grondslag, die een onafhankelijke opstelling combineren met een levensbeschouwelijke overtuiging die hun nieuwsselectie en hun opinie bepaalt. Zij waarborgen de zo broodnodige pluriformiteit in het medialandschap.[7]

Professionele aandacht voor de kwaliteit is van groot belang. Dat het daaraan schort, erkent Jan Hoedeman in zijn al genoemde boek: “In de achttien jaar dat ik lid was van de PPV[8] is het zelden gekomen tot een inhoudelijk debat over het vak van de parlementaire journalistiek. Men nam elkaar nooit de maat – laat staan dat er buitenstaanders in de gelegenheid werden gesteld tot een kritisch debat met de parlementaire journalisten.” “Toegegeven” – schrijft Hoedeman – “: ik heb daar zelf ook nooit een stap voor gezet, maar met dit boek maak ik mijn verzuim hopelijk goed.”[9]

Van belang is ook dat de journalistiek meer bereid is tot openbare verantwoording. De media vormen onmiskenbaar een macht in een moderne samenleving. Maar terwijl het democratisch adagium luidt dat er tegenover macht altijd een georganiseerde controle op de macht behoort te bestaan, vormen de media feitelijk een ongecontroleerde macht. Ze reageren zelfs geïrriteerd, als een politicus een kritische opmerking in hun richting maakt. Er is de laatste jaren op dit gebied wel iets gedaan, maar dan gaat het vooral om het erkennen van fouten: correcties in de krant, een hoofdredacteur die op kritiek reageert, een onafhankelijke interne ombudsman die redacteuren op de vingers kan tikken, de Raad voor de Journalistiek. Maar het gaat hier om meer dan fouten. Het gaat om stijl, om eenzijdigheden, om leemten, om beleid.

De eenzijdigheid die ik bedoel, is ooit scherp onder woorden gebracht door de pas overleden schrijver Gerard Reve in zijn gedicht Roeping:

 

,,Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar

verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,

en eten voert,

zal nooit haar naam vermeld zien.

Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij

vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,

ziet 's avonds reeds zijn smoel op de tee vee.

Toch goed dat er een God is.’’

 

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling heeft interessante aanbevelingen gedaan, hoe de publieke verantwoording door de media verbeterd zou kunnen worden: door visitaties, panels, openbare hoorzittingen, kwaliteitshandvesten en een jaarlijks verantwoordingsdebat op een vaste datum. Het is begrijpelijk dat de regering hierop terughoudend reageert[10], omdat dit zich niet zozeer leent voor wettelijke voorschriften. Maar het is te hopen dat de media het oppakken. Naast de verantwoording aan de aandeelhouders moet er plaats zijn voor verantwoording tegenover lezers en luisteraars. Zoals we in de wereld van zorg en welzijn naast de klachtencommissies de cliënten- en patiëntenraden kennen, zo zouden hoofdredacteuren in discussie moeten willen gaan met vertegenwoordigingen van lezers en kijkers.[11]

 

Wat kan de politicus?

Maar ook de politici kunnen het hunne bijdragen aan een beter functioneren van de media. Ik doel daarbij niet op wetgeving, want dat is niet het geschikte instrument voor de problematiek waar het hier om gaat. Weliswaar geldt ook voor journalisten dat hun vrijheid van meningsuiting haar begrenzing vindt in “ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”[12], maar in de verhouding tussen politiek en media staat toch voorop, dat de wetgever de vrijheid van de media behoort te eerbiedigen en ze niet aan zichzelf ondergeschikt mag maken. Daarmee zouden we belanden in een ander type samenleving, waar niemand van ons naar verlangt.

Ik concentreer me nu verder op de politicus als volksvertegenwoordiger. Hij wil in die functie iets goeds doen voor zijn land, vanuit een bepaalde politieke overtuiging en program, en hij hoopt dat zijn werk niet onopgemerkt blijft, want hij wil ook graag weer herkozen worden, of anders dat zijn partij in zeteltal groeit. Daarvoor is hij aangewezen op de media, en daar is op zichzelf niets mis mee.

Maar het kan wel mis gaan. De media staan (terecht) op hun onafhankelijkheid tegenover de politiek. Maar evenzo zouden de politici bedacht moeten zijn op hun onafhankelijkheid tegenover de media. Dat betekent ook eens nee durven te zeggen. Ze moeten er oog voor hebben dat de wetten van de media anders zijn dan die van de politiek en dat het niet altijd in het belang van de politiek is zich aan te passen aan de wetten van de media. Het heeft me altijd verbaasd dat de media verwachten dat de politici een stuk dat de regering zojuist heeft uitgebracht, meteen van commentaar kunnen voorzien. Nooit hoor ik een politicus zeggen, dat hij dat stuk eerst moet lezen, laat staan dat hij het wil bespreken in zijn fractie, voordat hij namens haar een mening geeft. Heel begrijpelijk overigens, want de collega’s van de andere fracties zijn ook bereid heet van de naald te reageren, en wie wil dan een slome indruk maken? Zo wordt een fermere opstelling van politici tegenover de claims van de media gefrustreerd door een prisoner’s dilemma: “omdat iedereen eraan meedoet kan niemand zich eraan onttrekken.”[13]

Kwalijker nog is het, wanneer een politicus met schending van de morele omgangsvormen van de politiek de media gebruikt ten eigen bate, door informatie toe te spelen waarvan het in zijn belang is dat die in publieke bespreking komt, om een voldongen feit te stellen of juist een blokkade op te werpen in plaats van de politieke discussie aan te gaan. Eerlijk duurt het langst, zou voor voorlichters het devies moeten zijn. Wie denkt gebaat te zijn bij spelbederf, is kortzichtig. Een politicus die authentiek en integer is, zal respect afdwingen bij de media. Dat verdient de voorkeur boven de eindeloze uitbreiding van het aantal communicatiemedewerkers, met alle risico dat de politiek het nieuws gaat manipuleren.

Het parlement en de individuele parlementariërs zouden er verder een eer in moeten stellen zelf maatschappelijke misstanden te ontdekken en te signaleren, in plaats van voortdurend achter onthullingen in de media aan te lopen. Je kunt je soms niet aan de indruk onttrekken dat de journalistiek over meer voelhorens in de samenleving beschikt dan de politiek. Dan stelt de politiek misschien verkeerde prioriteiten. Een complicatie is natuurlijk wel dat de politiek altijd in de openbaarheid werkt, zodat de media er vanaf het begin met de neus bovenop kunnen staan als de Kamer een onderzoek doet, terwijl journalisten in stilte een zaak kunnen uitgraven om vervolgens met een grootse onthulling te komen.

Aan serieuze onthullingen door de media kan de politiek natuurlijk niet voorbijgaan. Ere wie ere toekomt. Maar als het ene medium een zaak opblaast en vervolgens andere media erachteraan hollen, dan dient de politiek haar nuchterheid te bewaren en een zaak niet serieuzer te nemen dat ze verdient, ook al probeert een enkele politicus zichzelf daardoor te profileren.

 

Tot slot

Afsluitend merk ik op dat het bij het spreken over media en politiek onvermijdelijk is te generaliseren. De politici mogen niet over één kam worden geschoren en hetzelfde geldt voor de media. Televisie werkt naar haar aard anders dan de geschreven pers en ook de dagbladen zijn niet gelijk. De Nederlandse nieuwsmonitor van april 2006 concludeerde, dat in NRC Handelsblad meer dan de helft van de berichtgeving inhoudsgericht was, terwijl de Volkskrant het hoogst scoorde als het gaat om conflictgeoriënteerde berichtgeving.[14] Bovendien is een zekere spanning tussen politiek en media eigen aan ieders verantwoordelijkheid. Wanneer media en politiek twee handen op één buik zouden zijn, zou het ook niet goed zijn. Het gaat om de kunst verstandig om te gaan met de wederzijdse afhankelijkheid in onafhankelijkheid.

 



[1] RMO, Advies 26: Medialogica – over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek, maart 2003

[2] ROB, Politiek en Media – pleidooi voor een lat-relatie, 2003

[3] WRR, Focus op functies – uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid, januari 2006

[4] WRR, Waarden, normen en de last van het gedrag, 2003, hoofdstuk 7.7 waarden en normen in de media

[5] Jan Hoedeman, De strijd om de waarheid op het Binnenhof, Amsterdam 2005, 17

[6] Dit idee wordt dan ook afgewezen in de kabinetsreactie op de genoemde adviezen van RMO en ROB, kamerstuk 29692 nr. 1, par. 4.3

[7] J.P. Pronk, Pluriformiteit van de pers of van de krant? in Nederlands Dagblad van 15 oktober 2001

[8] Parlementaire PersVereniging

[9] Jan Hoedeman, De strijd om de waarheid op het Binnenhof, Amsterdam 2005, 244 v.

[10] Kamerstuk 29692, paragraaf 3.2

[11] Ook de WRR pleit in zijn rapport Focus op functies voor meer aandacht voor verantwoording door de journalistieke beroepsgroep, p. 138-140.

[12] Artikel 7 van de Grondwet.

[13] RMO advies 26, pag. 33.

[14] Bron: NRC Handelsblad 19 april 2006.