We leven op de pof

Door Carla Dik-Faber


De werkloosheid daalt, de woningmarkt komt weer op gang en het consumentenvertrouwen krabbelt langzaam weer op. Het lijkt erop dat we de economische crisis achter ons laten. Dat is goed nieuws, natuurlijk. Maar laten we niet de lessen vergeten die de economische crisis ons heeft geleerd en op de oude voet verder gaan.


We leven op de pof
In onze huidige, lineaire economie worden producten gemaakt die aan het eind van hun levensduur worden vernietigd. Zowel uit economisch als ecologisch oogpunt is dit productiesysteem niet langer verantwoord. Ecologisch niet, omdat grondstoffen steeds schaarser worden. Maar ook economisch niet, omdat die grondstoffen steeds meer waarde vertegenwoordigen. Een lineaire economie leidt tot vernietiging van kapitaal en grondstoffen. Onze economie - onze manier van produceren en consumeren - gaat de draagkracht van de aarde te boven. In 2013 viel earth overshoot day op 20 augustus. Op die datum hadden we alle natuurlijke grondstoffen gebruikt die de aarde dat jaar kon produceren. Ieder jaar is die datum weer een beetje vroeger in het jaar, dit jaar viel deze dag op 19 augustus. We leven op de pof en dat veroorzaakt een ecologische crisis. Omdat de aarde, Gods schepping, zich daarvan niet kan herstellen, is dit misschien nog wel ingrijpender dan de economische crisis.


Kringlopen
Een circulaire economie daarentegen gaat uit van kringlopen. Biologisch materiaal wordt aan het eind van de levensduur van een product ‚teruggegeven' aan de natuur. En technische onderdelen van een product worden opnieuw gebruikt. Dit vraagt een omslag in ons economische systeem. Al in het ontwerpproces wordt rekening gehouden met hergebruik van onderdelen en scheiding van grondstoffen. Onlangs was mijn fotocamera defect. Het was veel goedkoper om een nieuw toestel aan te schaffen dan om het oude toestel te laten repareren, terwijl maar 1 onderdeel vervangen moest worden. Herkenbaar? Op deze manier groeit de afvalberg onverantwoord. Duurzaam gebruik van goederen en hergebruik krijgen nauwelijks een kans.

Iets anders om ons zorgen over te maken is het grote aantal  afvalverbrandingsinstallaties in ons land. Dit zorgt ervoor dat er veel minder afval wordt gerecycled dan mogelijk is. Financiële belangen (ook van gemeenten) maken het lastig om deze overcapaciteit aan te pakken. Het importeren van afval uit Engeland en zelfs Napels biedt voorlopig soelaas, maar is op termijn natuurlijk geen houdbare situatie. 


Japanners leren van Etten-Leur
Onlangs was ik op werkbezoek in Etten-Leur. Daar worden verschillende afvalstromen apart ingezameld in containers bij winkelcentra. Klanten brengen hier hun plastic, papier, textiel, glas en blik. De zakken worden gewogen door mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Per kilo ‘afval’ ontvangen de klanten een bedrag in de vorm van een statiegeldbon, die zij bij een supermarkt naar keuze kunnen inleveren. In combinatie met de invoering van Diftar halveerde de hoeveelheid restafval in 1 jaar tijd en bereikte deze gemeente een percentage afvalscheiding van 72%. De hoeveelheid zwerfafval daalde aanzienlijk. Etten-Leur laat zien dat het mogelijk is om een overgang te maken van een afvaleconomie naar een circulaire economie. Het is daarom onbegrijpelijk dat landelijk volop de discussie wordt gevoerd over het afschaffen van statiegeld. Intussen komen delegaties uit Australië en Japan op bezoek in Etten-Leur om te zien hoe succesvol het statiegeldsysteem is.


Delen is het nieuwe hebben
In de nieuwe economie blijven producenten eigenaar van hun product. Ons huidige economische systeem draait om het vergaren van goederen. Bezit geeft status. In de nieuwe, circulaire economie gaat het echter veel meer om toegang tot goederen. We ontlenen geen status meer aan het bezit van goederen, maar vinden het prima om voor het gebruik daarvan te betalen. Het gaat om een economie waarin minder waarde wordt toegekend aan eigendommen en waarin het delen daarvan belangrijker wordt. Een heel Bijbelse gedachte. Wie om zich heen kijkt, ziet inspirerende voorbeelden, die voor alle betrokkenen - en vaak ook voor het milieu - voordeel opleveren. Het delen van je auto is niet alleen meer voor milieugoeroes. Veel woningeigenaren huren hun verwarmingsketel inclusief onderhoud en het bedrijfsleven financiert duurzame investeringen (bijvoorbeeld led verlichting) met lease-contracten. Burgers nemen zelf het initiatief in hun wijk en vormen coöperaties voor hun zorg, voedsel en energie. De burger als prosument.


Nederland: gas, gas, gas
De overheid moet ruim baan geven voor initiatieven vanuit de samenleving, maar loopt hopeloos achter met beleid en wet- en regelgeving. Het Groningse gas raakt op en de focus van het Rijk ligt op schaliegas en Nederland als gasrotonde van Europa, om daarmee krampachtig de positie van Nederland als gasland vast te kunnen houden. We weten echter nu al dat fossiele grondstoffen eens uitgeput zijn. Hoe slim is het om te investeren in een energievoorziening die eindig is?

In Haarlem wil een groep enthousiaste vrijwilligers verenigd in DE Ramplaan, de wijk voorzien van duurzame energie door het plaatsen van 1500 zonnepanelen op bedrijfsgebouwen. Ik was bij hen op bezoek en ben onder de indruk van hun doorzettingsvermogen. Onduidelijke regels, administratieve lasten en technisch niet-relevante eisen zorgen ervoor dat dit initiatief ondanks jaren van inzet nog niet van de grond is gekomen. Zo zijn er veel voorbeelden overal in het land. Energieopwekking door burgers is de participatiesamenleving in optima forma en levert een bijdrage aan een duurzame energievoorziening. 


We eten olie
De aandacht voor voedsel is nog nooit zo groot geweest. Dierziekten, vleesfraude en recent de boycot uit Rusland zorgen ervoor dat onze voedselvoorziening en de positie van boeren en tuinders hoog op de agenda staan. Supermarkten beloven meer groenten en fruit van eigen bodem te promoten en burgers tonen zich hier enthousiast voor. Dat is hartverwarmend. Tegelijk is het ook triest om te zien dat er een crisis voor nodig is om deze beweging op gang te brengen. De vraag is ook hoe lang dit stand houdt. In een open wereldmarkt is de prijs leidend. Carolyn Steel schreef in haar boek De hongerige stad dat we olie eten. Bij wijze van spreken natuurlijk. Producten worden de wereld over gesleept en gaan soms over zeven stappen in de keten, voordat die bij de consument terecht komen. Een medewerker van een grote supermarktorganisatie vertelde dat de kant-en-klare lasagne maar liefst over 10 tot 15 schijven gaat, voordat die in het schap ligt. De weg van boer tot bord is lang, te lang.


Peren uit China
Met de toegenomen aandacht voor voedsel zijn er veel kansen voor regionalisering van onze voedselproductie. Het is opmerkelijk dat het CDA, pleitbezorger van liberalisering van het landbouwbeleid in een mondiale markt, sinds de Rusland-boycot pleit voor een zelfvoorzienende landbouw – iets waar de ChristenUnie al vele jaren voor pleit. Voor onze voedselvoorziening kunnen we natuurlijk niet terug achter de Hollandse dijken, maar regionalisering op de schaal van Europa is onvermijdelijk. Bijvoorbeeld door minder diervoeder te importeren uit Zuid-Amerika. Het kabinet wil samen met boeren en tuinders op zoek naar nieuwe exportmarkten, nu Rusland de grenzen heeft gesloten. Het zou goed zijn om ons daarbij minder te richten op ’Verweggistan’, maar juist Europees (bijvoorbeeld Zuid-Duitsland) mogelijkheden te benutten. Moeten we er blij mee zijn dat onze peren naar China worden geëxporteerd? Voor de langere termijn zal het steeds moeilijker zijn om nieuwe markten aan te boren en onze exportpositie vast te houden. Nederland is een klein land en het is onmogelijk de wereld vanuit Nederland te voeden, zoals de VVD wil. Intensivering van de landbouw heeft grenzen.

We zullen steeds meer de omslag moeten maken van export van producten naar export van kennis. Niet de grootste landbouwexporteur van de wereld willen worden, maar de beste landbouwproducent en exporteur van kennis. Niet onze melkproducten exporteren naar India, maar een Indiase boer helpen in de specifieke omstandigheden zo efficiënt en duurzaam mogelijk te produceren. Hier is moed voor nodig, omdat het verkopen van kennis economisch gezien veel minder interessant is. Uit het oogpunt van internationale solidariteit en duurzaamheid (en realisme) is er echter geen andere weg.


Einde mondialisering in zicht?
De gevolgen van de vliegramp met de MH17 hebben de wereld wakker geschud. In de eerste plaats vanwege het verlies van zoveel mensen. Een groot persoonlijk drama. Nederland en in het bijzonder de vele families zullen dit verlies altijd met zich meedragen. Niet eerder bleek ook hoezeer de mondiale economieën met elkaar verweven zijn. Nederland is afhankelijk van Rusland voor de energievoorziening. Boeren en tuinders hebben grote exportbelangen. De houding van Rusland vraagt op z’n minst om een herbezinning. Willen we nog zo afhankelijk zijn van landen met een discutabel regime? Mondialisering is een feit, maar het is goed om te zien dat de vliegramp – met alle ellende die er ook is – een discussie op gang heeft gebracht. Mondialisering heeft ons niet gebracht wat we ervan verwacht hebben. Hoe gezond en houdbaar is het als onze landbouwsector zo productie- en exportgedreven is met veelal minimale marges? Hoe lang zal onze economie nog kunnen draaien op fossiele grondstoffen en hoe duurzaam is dat? Is het niet heel veelzeggend dat steeds meer mensen zich lokaal organiseren in coöperaties? Grootschaligheid is niet meer het antwoord op veel van de problemen waar mensen tegenaan lopen.


Conclusie
Mensen willen zelf duurzame energie opwekken. Bewuste consumenten willen weten hoe hun voedsel geproduceerd is en waar het vandaan komt. Mensen die zorg nodig hebben kopen zelf zorg in met een persoonsgebonden budget of verenigen zich in zorgcoöperaties, omdat grootschalige zorginstellingen niet het maatwerk bieden dat aansluit bij hun behoeften. Het is de taak van de overheid om ruim baan te geven aan deze ontwikkelingen en dit niet te frustreren. Ook is het belangrijk dat de overheid erop toeziet dat alle burgers de kans krijgen hiermee aan de slag te gaan, ook zij die bijvoorbeeld geen sociaal netwerk hebben of minder geld te besteden hebben. De wereld is in verandering. Zowel uit ecologisch, sociaal als economisch oogpunt is het nodig om grootschaligheid en in het verlengde daarvan mondialisering opnieuw te doordenken.
 

Samenvatting

  • Onze economie moet zich hervormen tot een circulaire economie (recycling producten).
  • Daarin gaat meer om toegang tot dan bezit van goederen.
  • Grootschaligheid biedt voor veel hedendaagse problemen (rond energie, voedsel, zorg) geen oplossing.
  • De overheid moet ruim baan geven aan deze ontwikkelingen en dit niet frustreren. 

Carla Dik-Faber is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie.