'Gratis geld voor iedereen'

Pol cafe basisinkomendinsdag 14 juli 2015 14:27

Op 8 juli organiseerde het WI in Den Haag een politiek café rondom het basisinkomen. Pleitbezorger Rutger Bregman ging in gesprek met Carola Schouten, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie. Lees hier het verslag van een geanimeerd debat.

Door Jochem Westert

Een basisinkomen voor iedereen, is dat een goed idee? Over deze vraag vond op woensdag 8 juli een debat plaats tussen Rutger Bregman, historicus en pleitbezorger van het basisinkomen, en ChristenUnie Kamerlid Carola Schouten. Het debat, in het Haagse café Schlemmer, was drukbezocht en geanimeerd. De gespreksleiding was in handen van Teunis Brand, econoom aan het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

‘Armoede is geen karaktergebrek, maar een geldgebrek. En hoe los je een geldgebrek op? Juist. Door geld te geven.’ Met deze prikkelende stelling bijt Rutger Bregman de spits af. Het geven van geld aan armen kost niet alleen geld, het levert zelfs geld op, zo vervolgt hij zijn betoog. We besparen kosten aan zorg, politie en justitie. En bovendien: het huidige systeem van sociale zekerheid is duur, ineffectief en vernederend. Toch is Rutger Bregman geen voorstander van het onmiddellijk invoeren van zijn ‘basisinkomenutopie’. Hij ziet het veeleer als een hoopvolle denkrichting, een wenkend perspectief dat noodzaakt tot experiment.

Carola Schouten heeft veel vragen over dit pleidooi. Ze waardeert de aandacht die hij heeft voor de waarde van onbetaald werk. Maar ze betwijfelt of het basisinkomen mensen uit armoede tilt. ‘Gratis geld voor iedereen’ is dus helemaal niet zo solidair. ‘In het huidige systeem hebben we al een soort basisinkomen, maar alleen gericht op mensen die zo’n uitkering het hardst nodig hebben’, zo meent Schouten.

Teunis Brand merkt op dat Bregman in dit debat veel minder stellig is dan hij in zijn artikelen en boek is. Is hij nu voor een basisinkomen of niet?

‘Probeer eens een bijstandsuitkering aan te vragen, dan kom je er achter hoe moeilijk dat is’, luidt de repliek van Bregman. Hij wijst op het onvoorwaardelijke aspect in zijn pleidooi voor het basisinkomen – of beter gezegd – een regelvrije bijstand. Bregman pleit dus niet zozeer voor ‘gratis geld voor iedereen’, maar voor een minder paternalistisch systeem van sociale zekerheid: ‘Mensen weten zelf beter wat zij met hun leven moeten doen. Plaats ze in hun juiste context. Door cash transfers te geven kunnen we de armoede uitroeien.’

Ook Schouten vindt dat het huidige systeem van sociale zekerheid voor verbetering vatbaar is: ‘Uitkeringsgerechtigden worden te vaak meegenomen aan hun handje’, aldus de parlementariër. Maar over de juiste oplossingsrichting denken de twee debaters verschillend. En daar ligt een verschillend mensbeeld aan ten grondslag. ‘Niet iedereen is geneigd om het goede te doen als je hem 1000 euro geeft en zegt: succes ermee!’ Bovendien gaat het basisinkomen uit van een te individualistische mensvisie: ‘De mens is een relationeel wezen dat bij uitstek in gemeenschappen tot zijn recht komt. Bij herverdeling vanuit de overheid raakt die relatie uit het zicht. Mensen verliezen solidariteit als het gevoel van eerlijkheid verdwijnt. Juist door betaald of onbetaald werk te doen komen mensen in de samenleving tot bloei.’

Het idee dat ons huidige bijstandssysteem mensen soms neerdrukt en vernedert kan bij veel aanwezigen in de zaal op instemming rekenen. Het gaat uit van een negatief beeld van de bijstandsontvanger: hij wordt gezien als een potentieel fraudeur die aan een streng regime van disciplinering moet worden onderworpen. Vanuit de zaal wordt ook gewezen op voorbeelden van gemeenten die serieus werk maken van het ideaal van een participatiestad. Zo kent de gemeente Zwolle het zogenaamde ‘Persoonlijk actieplan’ voor bijstandsontvangers. In zo’n plan maakt de bijstandsgerechtigde samen met de gemeente een eigen trajectplan gericht op sociale participatie. Anderen vinden die aanpak niet toereikend, aangezien het einddoel van zulke participatieladders altijd is gelegen in betaald werk. Daarmee wordt de waarde van onbetaald werk niet genoeg onderkend. Met Bregman zien zij meer in het experimenteren met een basisinkomen zoals dat bijvoorbeeld in Nijmegen plaatsvindt.

Aan het einde van het debat vraagt gespreksleider Teunis Brand de twee sprekers om een laatste statement.

In navolging van de Amerikaanse antropoloog David Graeber stelt Bregman dat veel Nederlanders bullshit jobs hebben. Een bullshit job is een baan waarvan diegene die hem heeft zelf zegt dat hij eigenlijk overbodig is. We moeten daarom volgens Bregman radicaal herdenken wat werk is, wat een bijdrage is en wie eigenlijk solidair is met wie: ‘Mensen met de belangrijkste banen – de verpleegsters, de leraren, de vuilnismannen – verdienen het minst. Mensen met onbelangrijke of zelfs schadelijke banen verdienen het meest’. ‘Radicaal omdenken gaat niet via een blauwdruk, maar door stapsgewijs te experimenteren. Vooruitgang is modderen. Maar laten we alsjeblieft ergens naartoe modderen. Naar een wereld waarin we geld en energie steken in dingen die we echt belangrijk vinden en minder aan al die bullshit. Gemeenten moeten een tegenprestatie opleggen. Mijn tegenprestatie zou zijn: werk mee aan het experiment!’

Schouten: ‘Kijk welke talenten mensen kunnen inzetten voor de maatschappij, betaald of onbetaald. We hadden een aantal voorzieningen die hierop waren gericht. Neem de overdraagbare algemene heffingskorting, door links spottend weggezet als de 'aanrechtsubsidie': deze is verguisd door links. En partijen die voor het basisinkomen waren riepen het hardst om afschaffing van de studiefinanciering. Dat is selectieve verontwaardiging.’ Schouten wijst erop dat de ChristenUnie altijd de waarde heeft benadrukt van mantelzorgers, vrijwilligers en mensen met een beperking. Ook publieke dienstverleners worden volgens haar ondergewaardeerd. ‘Maar betaald werk is geen vies woord. Zelfs met zogenaamde bullshit jobs kunnen mensen het gevoel hebben veel waarde toe te voegen aan de maatschappij of aan een ander. Het is niet zo dat consultants, pr-adviseurs en bankiers onzin werk doen. Anders zouden er ontzettend veel mensen ongelukkig thuis zitten’. ‘Laten we werken aan een samenleving waarin iedereen tot zijn recht komt, op welke plek dan ook. Als daar een basisinkomen bij zou helpen, prima. Ik hoop dat je gelijk hebt, maar soms vrees ik dat ík gelijk heb.’


Lees ook: Met opgeheven hoofd, over de bijstand

« Terug