Een heilig leven is een gehecht leven - Augustinus' kijk op globalisering

Wouter Beekerszaterdag 22 december 2018 09:00

Wouter Beekers beschouwt Augustinus als een profeet van het paradoxale proces van ‘glokalisering’. Een ontwikkeling van globalisering zal altijd een reactie van lokalisering uitlokken. Hij gaat te rade bij Augustinus’ bekende werk ‘De stad Gods’. Over het laten spreken van het hart, het voelen van de onderbuik en de balans tussen hechting en onthechting.

De ‘sociale quaestie’ van weleer valt in het niet bij de maatschappelijke kwesties van vandaag.[1] Wetenschappers registreren een opwarming van ons klimaat en zij vrezen voor rampzalige gevolgen. Miljoenen mensen zijn op de vlucht voor geweld en waarschijnlijk nog meer miljoenen dromen van ontsnapping aan armoede. De Middellandse Zee is een massagraf van de hoop geworden.
Intussen worstelt de westerse wereld nog steeds met de erfenis van eerdere migratiestromen. Door aanhoudende technologische revoluties verandert de arbeidsmarkt en is de oude middenklasse naar de marge geduwd. De kloof tussen burgers en volksvertegenwoordigers lijkt groter dan ooit.
Velen voelen angst of boosheid en sommigen grijpen zelfs naar het middel van geweld en terreur. Mohammed Bouyeri, Volkert van der Graaf, Anders Breivik, relschoppers in de Londense buitenwijken, de gele hesjes in Frankrijk: het zijn mensen met een eigen verhaal en een eigen verantwoordelijkheid, maar hun handelen kan ook niet geïsoleerd van deze ontwikkelingen worden gezien.
Wie analyseert wat hier gaande is kan niet om het begrip globalisering heen: de steeds verdergaande onderlinge verbondenheid van mensen wereldwijd. Volgens sommigen is globalisering zowel oorzaak als probleem. Populistische leiders roepen op tot versterking van de natiestaat en de bescherming van zijn burgers. Zij ervaren zoiets als globaliseringsverdriet.
Volgens anderen is globalisering zowel oorzaak als oplossing. Groen-linkse leiders roepen op tot internationale solidariteit en samenwerking en omarming van het multiculturalisme. Zij ervaren zoiets als globaliseringshoop. De politieke vraag van deze tijd is deze: met wie moeten we ons nu eigenlijk verbonden voelen? Moeten we blij zijn met de opkomst van een nieuwe middenklasse in Azië, ook al gaat die wellicht ten koste van de onze? Moeten we solidair zijn met mensen op de vlucht, al zucht onze eigen bevolking? We kunnen gerust spreken van het globaliseringsdilemma.

En hoewel dit dilemma waarschijnlijk nog nooit zo dringend voelbaar is geweest, is zij op een bepaalde manier van alle tijden. Expansiedrift, wereldrijken en internationale samenwerking zijn immers geen moderne uitvinding. Laten we in onze worsteling met het globaliseringsdilemma dus ook bij denkers van weleer in de leer durven gaan. Bij kerkvader Augustinus, bijvoorbeeld, wiens leven is getekend door wereldwijde verschuivingen en die veel heeft nagedacht over de dilemma’s van globalisering. Hij lost de spanning niet op. Maar hij biedt wel een perspectief: een heilig leven is een gehecht leven. Oftewel, juist wie het ideaal van internationale solidariteit nastreeft durft zich te verbinden aan concrete gemeenschappen.[2]

Niets nieuws onder de zon
We hoeven de tijd van Augustinus niet aan de onze gelijk te stellen, om toch wel enige overeenkomsten te zien. De decadente welvaart van het Romeinse Rijk had geleid tot morele verzwakking – noem het een Untergang des Abendlandes. In het uitdijende rijk groeiden het welvarende Oosten en zwakkere Westen uit elkaar. In het jaar 395 kwam het tot een definitieve splitsing. Het Oostelijke Byzantium zou nog eeuwen blijven bestaan, maar het West-Romeinse Rijk had toen zijn langste tijd gehad. In dit vacuüm kwam een nieuwe godsdienst op, die vraagtekens plaatste bij de aristocratische Romeinse samenlevingsstructuur en eercultuur. Na aanvankelijke pogingen deze vreedzame godsdienst met geweld de kop in de drukken, kreeg het christendom vanaf de vierde eeuw voet aan de grond en werd een officieel erkende godsdienst.
Dit gebeurde overigens weer tot ergernis van sommige gelovigen, die een radicale scheiding tussen kerk en staat en een leven in armoede voorstonden. De circumcelliones (‘rondreizende monniken’) trokken er zelfs met knuppels op uit om dit ideaal te verwezenlijken. Laten we hun oorlogskreet Laudate Deum! maar even niet Arabisch vertalen, om ongemakkelijke associaties voorkomen.[3]
De Romeinse macht werd ook aan de grenzen beproefd. Aangetrokken door de Romeinse welvaart drongen Germaanse stammen diep door in het rijk. In het jaar 410 wist de Visigoot Alarik Rome te bereiken, de lang onoverwinnelijk gewaande hoofdstad. Sommige historici zien verbanden tussen deze ontwikkelingen en de klimaatverandering van die tijd. Een koeler en droger klimaat zou de Romeinse voedselvoorziening hebben bedreigd en een drijvende kracht zijn geweest achter de Germaanse volksverhuizing.
Het leven van Aurelius Augustinus (354-430) stond in het teken van deze schuivende panelen. Hij werd geboren in Noord-Afrika, uit een ‘heidense’ vader en een christelijke moeder, en maakte zelf een ontwikkeling door van Romeins filosoof tot christelijke bekeerling. Tot op vandaag geldt de bisschop van Hippo als gezaghebbend kerkvader. Niet alleen door de omvang van zijn werk, maar vooral omdat hij daarin kwetsbaar eerlijk is over de tekortkomingen van de mens in het algemeen en zichzelf in het bijzonder. Zijn theologische reflecties gingen naadloos over in maatschappelijke reflecties, zoals in zijn magnum opus, De stad van God,een meer dan duizend pagina’s tellend werk, geschreven tussen 413 en 426.

Globalisering van de solidariteit
Grondmotief van De stad van God is het grote gebod van het christelijk geloof: ‘Heb de Heer lief, met heel uw kracht, heel uw verstand, heel uw hart, en uw naaste als uzelf’. Augustinus stelt in zijn zowel apologetische als ethische verhandelingen dat onze eigenliefde, naastenliefde en onze liefde tot God slechts tot volkomen ontwikkeling komen in hun onderlinge verbondenheid. In die onderlinge verbondenheid speelt een besef van orde (ordo) in de schepping een centrale rol.

“Door haar prachtig geordende veranderlijkheid en beweeglijkheid, door de schone verschijningsvorm van al wat zichtbaar is roept zij om zo te zeggen zwijgend uit, dat zij gemaakt is en door niemand anders gemaakt heeft kunnen worden dan door een God van onuitsprekelijke en onzichtbare grootheid, van onuitsprekelijke en onzichtbare schoonheid.” (boek XI - hoofdstuk 4)

In onze werkelijkheid zijn wij geroepen ons te richten op deze goddelijke ordening. Gods Koninkrijk – de Stad van God – wil zich hier en nu manifesteren. En wij komen slechts tot bloei als wij ons verbinden met de wetten van die stad Gods. Menselijke liefde komt pas werkelijk tot bloei als zij zich laat ordenen door Gods liefde. Die ordo amoris (geordende liefde) is in Augustinus’ denken een sleutelbegrip. (XV - 22) Het gaat volgens de kerkvader mis als de aardse stad zich wil ontvlechten. Dan wordt het leven hier en nu leidend, worden onze menselijke verlangens ongericht, wordt onze eigenliefde tot egoïsme, hebzucht en hoogmoed. Al die liefdespatronen zijn in zichzelf niet fout, maar kunnen wel ontsporen. Zo is hebzucht ‘geen fout van het goud, maar van een mens die het goud op een verkeerde manier liefheeft en daarbij de rechtvaardigheid loslaat’. Of de begeerte ‘geen fout van de schone en lieftallige lichamen, maar van een ziel die de lichamelijke genietingen op een verkeerde manier liefheeft en daarbij de matigheid veronachtzaamt die ons in contact breng met dingen die geestelijk schoner en onbederfelijk lieftalliger zijn’. En zo is de hoogmoed ‘geen fout van degene die de macht geeft en evenmin van de macht zelf, maar van een ziel die haar eigen macht op een verkeerde manier liefheeft’. (XII - 8)

Zelfs de gerichtheid op vrede kan zo ontsporen. Want ‘zelfs rovers willen, om vinniger en veiliger de vrede van de anderen te kunnen belagen, in vrede met hun eigen kornuiten leven’, schrijft Augustinus in de hem kenmerkende retorische stijl. (XIX - 12)   

“Zo zijn dus de twee steden gesticht, de aardse door tot verachting van God gaande eigenliefde, de hemelse door tot zelfverachting gaande liefde tot God. Kort gezegd: de ene stad roemt in zichzelf, de andere in de Heer.” (XIV - 28)

Maar de stad Gods kent een eigen grondwet: de ordo amoris, de liefde die niet stopt bij de grenzen van aardse gemeenschappen.

“Terwijl deze hemelse stad dus op aarde als een vreemde vertoeft, roept zij uit alle volken burgers tot zich en verzamelt zij zich onder alle talen haar gemeenschap van vreemdelingen; daarbij bekommert zij zich niet om al wat er verschillend is in hun levenswijzen, hun wetten en hun instellingen, gericht op de verkrijging en het behoud van de aardse vrede; niets daarvan schaft zij af of doet zij teniet; integendeel, zij bewaart het en schikt er zich in, omdat al wat bij verschillende volken mag verschillen toch gericht is op één zelfde doel, de aardse vrede.” (XIX - 17)

Met de huidige paus zou men kunnen spreken van het ideaal van een ‘globalisering van de solidariteit’.

Overzichtelijke oefenplaatsen
Maar Augustinus’ werk zou niet zo tijdloos interessant zijn geweest als hij niet een zeker spanningsveld van het menselijk leven intact had gelaten. De aardse vrede is namelijk niet alleen het gevolg van een onthecht, op de hemel gericht, leven. Juist een zekere hechting in ons aardse leven is nodig om te kunnen oefenen in deze gerechtigheid. De aardse vrede is het beginpunt en in zekere zin ook de bedoeling van de liefde. Dit heeft voor Augustinus te maken met het mens-zijn. Wij zijn begrensde wezens en hebben aangrijpingspunten nodig in een begrensde wereld. En een aangrijpingspunt vinden we volgens Augustinus niet op wereldschaal. In de grote wereld is het namelijk moeilijk om ons te hechten. Augustinus maakt de vergelijking met water, ‘hoe groter die massa is, des te meer gevaren brengt zij mee’:

“Om te beginnen is er het verschil van de talen, dat de ene mens voor de andere een vreemde maakt. Als immers twee mensen, die geen van beiden de taal van de ander kennen, elkaar tegenkomen en niet aan elkaar voorbij kunnen gaan, maar door een of andere noodzaak gedwongen worden in elkaars gezelschap te blijven, is het voor stomme beesten, zelfs van een verschillende soort, nog gemakkelijker om het met elkaar te vinden dan voor die twee, die toch allebei mensen zijn. Wanneer mensen immers niet met elkaar van gedachten kunnen wisselen, helpt al de gelijksoortigheid van hun natuur niets om hen tot elkaar te brengen. Dat gaat zelfs zó ver, dat een mens liever in het gezelschap van zijn hond verkeert dan van een vreemdeling!” (XIX - 7)

De moeite van de mensheid op wereldwijde schaal samen te leven is een onvermijdelijk lot. Er zijn veel wereldrijken geweest die door continue groei vrede hebben geprobeerd te stichten. Maar ‘juist door de uitgestrektheid van het rijk zijn er oorlogen van een ergere soort teweeggebracht, oorlogen tussen de burgers onderling, waardoor het menselijk geslacht jammerlijk wordt geteisterd’. (XIX - 7) Zelfs al blijven deze rijken gevrijwaard voor deze burgeroorlog aan de bedreiging ontkomen ze nooit. Augustinus keert het om. Een huiselijk gezin dient het begin te zijn van een grotere gemeenschap: het dorp, de stad of te staat. ‘Huiselijke vrede’ zou volgens Augustinus gericht moeten zijn op de ‘burgerlijke vrede’, oftewel: ‘dat de geordende eendracht waarin de samenwonenden bevelen geven en gehoorzaam zijn, gericht is op de geordende eendracht waarin de burgers bevelen geven en gehoorzaam zijn.’ (XIX - 16)
Augustinus onderscheidt daarbij drie niveaus. De eerste is die van directe naasten: gezin, familie, vrienden. Een heilig leven begint gewoon hier, in de huiselijke gemeenschap. Zij is onze eerste verantwoordelijkheid. Augustinus sluit zich hierbij aan bij de apostel Paulus: ‘Al wie voor de zijnen en vooral voor zijn huisgenoten geen zorg draagt, verloochent het geloof en is erger dan een ongelovige.” (XIX - 14; 1 Timotheüs 5:8) Pas daarna komt het niveau van dorp, stad of natie. Ook daarin kunnen we concreet werken aan gerechtigheid. Denk maar eens aan de heiligen van onze tijd. Marten Luther King, Nelson Mandela, Mahatma Ghandi, hun inzet was toch steeds gericht op het herstel in het land waarin zij leefden? Pas in derde plaats is er het niveau van de verbondenheid op wereldschaal. Want ook staten bestaan niet om alleen het belang van hun eigen burgers te zien en te dienen. Want als ook zij slechts gericht zijn op de vrede van hun eigen kring, als de gerechtigheid terzijde is geschoven, “wat zijn zij dan anders dan grote roversbenden?” (IV - 4)Ook heilige levens zijn gehechte levens. En wie zich richt op het welzijn van heel de mensheid, weet ook dat mensen tot bloei komen in hechte gemeenschappen. In concrete gemeenschappen vinden mensen veiligheid. In concrete gemeenschappen kunnen mensen aan veiligheid werken.

Glokalisering omarmen, tot slot
Augustinus mag gerust worden beschouwd als een profeet van het paradoxale proces van ‘glokalisering’. Een ontwikkeling van globalisering zal altijd een reactie van lokalisering uitlokken. Mensen kennen immers een diep besef van solidariteit, die niet ophoudt bij landsgrenzen. Maar mensen kennen ook een verlangen die wereldwijde wanorde te kunnen ontvluchten in concrete gemeenschappen dichtbij. Hierin ligt precies de les die we kunnen leren van deze kerkvader. Augustinus lost de spanning niet op tussen de solidariteit die we ervaren met de eigen gemeenschap en die we ervaren met de hele wereld. Hij roept op die spanning te omarmen. We mogen een besef van internationale solidariteit nooit kwijtraken. Maar we dienen ons te beseffen dat juist hechte gemeenschappen beginpunt en bedoeling kunnen zijn van het oefenen in de solidariteit.
Dus: laat het hart spreken. Globalisering van de solidariteit is een verlangen dat diep in ons geweten zetelt. Het irritante idealisme van linkse Gutmenschen is juist daarom zo irritant, omdat we ergens wel voelen dat het gut is. Minderheidspartijen herinneren ons aan ons eigen verlangen, als zij een streep zetten onder het hart – artikel een! – van onze grondwet: alle mensen zijn gelijk.
En: laat de onderbuik meedoen. Want globale idealen worden alleen maar werkelijkheid in begrensde gemeenschappen. Daarom is het bepaald geen schande om bij het debat over klimaat- of vluchtelingenproblematiek na te denken over draagvlak en draagkracht. Europese samenwerking is prachtig, maar houdt het idee van een ‘ever closing union’ wel genoeg rekening met de realiteit van nationale gemeenschappen? Er is zoiets als een behoefte aan gemeenschapsvorming, ook op nationaal niveau, en de kracht van het populisme ligt precies in dat besef.

Er is een oefenplaats waarin we kunnen leren balanceren tussen hechting en onthechting. Augustinus wijst ons op het belang van intieme gemeenschappen die voor mensen het allerbelangrijkst zijn: huwelijk en liefdesrelaties, gezin en familie, vriendschappen. Juist deze gemeenschappen zijn in het gepolariseerde debat sterk onderbelicht. En misschien hebben we daar meteen een van de oorzaken van de polarisatie te pakken. Want een nationale gemeenschap is te groot om heel intiem te zijn. Vroeger speelde ‘de zuil’ een bemiddelende rol. Vandaag de dag moeten we meer dan ooit terugvallen op gezinnen, families en vriendschappen. In die relaties kunnen we oefenen in de solidariteit. Zij staan de sociale emancipatie dus niet in de weg, maar zijn er het fundament van.

Augustinus speelde deze niveaus nooit tegen elkaar uit. Hij roept op te zoeken naar gerechtigheid, door te zoeken naar vrede in de gemeenschap waarin wij geplaatst zijn. Veelzeggend is het slot dat Augustinus geeft aan het negentiende boek, vanwege zijn relevante maatschappelijke beschouwingen nog steeds het bekendste boek van De Stad van God.

“Ook de profeet Jeremias heeft, toen hij aan het oude volk van God de gevangenschap voorzegde en het namens God beval gehoorzaam naar Babylon te gaan en zijn God ook door die gelaten aanvaarding te dienen, tot gebed voor die stad aangespoord, zeggende: ‘Want in haar vrede ligt uw vrede.’” (XIX - 26; Jeremia 29:7)


Wouter Beekers is historicus en directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie. 
Hij schreef dit essay voor Sophie, een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie


Lees meer over globalisering, lokalisering en (ont)hechting in de Groenlezing Heimat van Beatrice de Graaf.


Noten


[1] Dit artikel is geschreven in het kader van een bredere bezinning van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie op de uitdaging van globalisering. Vgl. Wouter Beekers, ‘Gastvrij zijn betekent grenzen trekken’ en ‘Doe niet lacherig over nationale trouw’, NRC Handelsblad (resp. 10 juni en 7 juli 2017); Beatrice de Graaf, Heimat. Angst voor ontheemding en verlangen naar veiligheid (Groenlezing Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie, Amersfoort 2018); Alex ten Cate, Antonie Fountain, Gert-Jan Segers, ‘Wijnstokken en vijgenbomen. Over ontheemding, nieuw eigenaarschap en een economie van de samenleving’, Groen (Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie, juni 2018).

[2] Voor dit artikel is gebruik gemaakt van Augustinus, De stad van God (vertaling Gerard Wijdeveld, Baarn, 1983, derde druk 1992). Een biografische schets: Possidius, Het leven van Augustinus (Budel, 2016), met een inleiding van Paul van Geest. Een recente inleiding op het denken van Augustinus: Paul van Geest, Waarachtigheid. Augustinus over levenskunst (Zoetermeer, 2011). Dank gaat uit naar Van Geest, voor het lezen van een concept van dit artikel.

[3] Vgl.: Augustinus, De strijd van een christen (Budel, 2006) en Beatrice de Graaf, Heilige strijd (Utrecht, 2017)

« Terug