Een gezin verplicht

Laurens grootvrijdag 23 februari 2018 12:00

Het gezin zien in de traditionele opvatting van man, vrouw en kinderen; bij veel liberalen roep dat associaties op met betutteling en ouderwetse opvattingen. 'Er zijn echter goede redenen voor liberalen om het gezin te herwaarderen,' schrijft WI-onderzoeker Laurens Wijmenga in Liberale Reflecties. Liberale Reflecties is een uitgave van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD.

In de aanloop naar Tweede Kamer verkiezingen werden door christelijke partijen grote woorden gesproken over het gezin. ChristenUnie leider Gert-Jan Segers noemde Mark Rutte ‘de vijand van het gezin’. Volgens de ChristenUnie-lijsttrekker was hij er persoonlijk verantwoordelijk voor dat gezinnen met één kostwinner inmiddels zes keer zoveel belasting betalen als tweeverdieners. CDA-leider Buma plaatste in de campagne het gezin tegenover het doorgeslagen individualisme in Nederland. ‘Family values’ staan hierdoor volgens Buma onder druk en dat leidt tot allerlei narigheid.

Voor partijen met christelijke wortels is het gezin steevast een campagne speerpunt. Bij liberalen ligt dat wat anders: met name het traditionele gezin van getrouwde man, vrouw en kinderen roept associaties op met betutteling, spruitjeslucht en ouderwetse opvattingen over de rol van vrouwen en een achtergestelde positie van homoseksuelen. Dat veel wetten nog zijn gebaseerd op deze gezinsvariant is veel liberalen een doorn in het oog.


De comeback van het gezin

Wie even voorbij de waan van de dag kijkt, constateert wel dat dit niet altijd zo is geweest. Lang beschouwden liberalen, net als de confessionelen en socialisten, het gezin als hoeksteen van de samenleving. Tot 1981 verwees de grondslag van de VVD naar het gezin als ‘de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij’. Toen de emancipatiebeweging voor vrouwen en homoseksuelen maatschappelijk momentum kreeg bekoelde echter de liberale liefde voor het gezin. Al te expliciete verwijzingen verdwenen stilletjes uit de grondslag. En de liefde is sindsdien niet meer opgebloeid.

Toch gebeurde er rond de eeuwwisseling iets opvallends. Onder beleidsmakers en wetenschappers maakte het gezin een comeback.  En uit de statistieken bleek dat Nederlanders hardnekkig de voorkeur bleven geven aan het leven in een traditioneel gezin. Er werden nieuwe leerstoelen en onderzoeksprogramma’s opgestart. Politici van links tot rechts flirten met gezinsvriendelijke maatregelen. Ook een enkele VVD-er maakte avances; zo zag Frits Bolkestein het gezin als oplossing voor normvervaging in de samenleving.[1]

Deze herwaardering voor het gezin heeft echter geen duurzame doorwerking gehad in het liberale gedachtegoed. Een expliciete visie op, of zelfs maar een verwijzing naar, het gezin ontbreekt nog steeds in de beginselverklaring. Van de eens zo prominente plek van het gezin resteert slechts een zuinige verwijzing naar ‘vrijwillige relaties van vrije mensen’, wat alleen kan slaan op de partnerrelatie en niet op die tussen ouder en kind.


Herwaardering

Er zijn echter goede redenen voor liberalen om het gezin te herwaarderen. De liberale denker Tocqueville constateerde al in zijn bekende boek ‘Over de democratie in Amerika’ (1835), dat de gelijktijdige realisatie van de verlichtingswaarden vrijheid en gelijkheid een sterk maatschappelijk middenveld vergt. Zonder dit middenveld dreigt ofwel een tirannieke meerderheid die de vrijheden van minderheden beknot, of een overheid die alles voor burgers regelt.

In de eerste dreiging herkennen we de recente opkomst van populistische partijen die klassieke grondrechten zoals de vrijheden van godsdienst en van discriminatie ter discussie stellen. Het behoud van deze vrijheden vergt niet alleen wetten, maar ook een de vorming van deugden als verdraagzaamheid, naastenliefde en betrokkenheid bij de publieke zaak. Dit besef moet niet allen worden doorgegeven aan nieuwkomers, maar ook aan volgende generaties. Instituties zoals het gezin spelen hierin een cruciale rol, zo werd al eens opgemerkt in een publicatie van de Teldersstichting.[2]   

In de tweede dreiging herkennen we de verzorgingsstaat waarvan we afscheid hebben genomen. Met de beweging naar een participatiesamenleving worden zorgtaken weer neergelegd waar ze primair horen: bij het individu en zijn netwerk. Maar onvoldoende wordt nog erkend wat dat zorgende ‘netwerk’ nu behelst. Vaak gaat het om gezinsleden. Gezinnen maken het dus mogelijk om overheidsuitgaven terug te brengen tot houdbare proporties. En daardoor kunnen ook de belastingen omlaag. Voor een liberaal niet onbelangrijk.

Het is daarom goed dat dit kabinet investeert in sterke gezinnen. Een punt dat de VVD de christelijke partijen heeft gegund in het ‘wheelen en dealen’ van de formatie. Een gezamenlijke visie op het gezin ontbreekt daarbij: de uitgave van 750 miljoen euro die hiermee is gemoeid, wordt nergens in het coalitieakkoord gemotiveerd. Van de onderhandelaars in de snelkookpan van het formatieproces, was het ontwikkelen van een gezamenlijke gezinsvisie ook wel wat veel gevraagd. Maar het zou winst zijn als de kabinetspartijen deze visie de komende tijd wel ontwikkelen.


Gedeelde visie

Een gedeelde visie op het gezin is namelijk nodig omdat onze rechtstaat, onze vrijheden en de overheidsfinanciën gebaat zijn bij sterke gezinnen. De rol van de staat is hierbij secundair. De denktradities van liberalen en de christelijke partijen hebben op dit punt belangrijke raakvlakken. Vanuit beide tradities is immers gepleit voor een staat die terughoudend is met ingrijpen in sociale verbanden. Omdat ze gelooft in de eigen kracht van deze verbanden. Terecht is door liberalen opgemerkt, dat niet alles wat goed is, ook ondersteuning nodig heeft van de staat. Die moet zich vooral afzijdig houden en slechts positief waarderen wat veel gezinnen uit zichzelf toch al doen: zorgen voor hulpbehoevende gezinsleden en het bijbrengen van waarden en normen aan kinderen.

Deze gedeelde visie op de verantwoordelijkheid van gezinnen kan wellicht worden aangevuld met een gezamenlijke opvatting over ouderschap. Kabinet of de Tweede Kamer zullen zich immers op termijn moeten verhouden tot de voorstellen van de Staatscommissie herijking ouderschap. Hier lijken onze wegen verder uit elkaar te lopen. Het maakt immers wel verschil of je een gezin ziet als gegeven of als vrije associatie van individuen. Maar wie weet kunnen raakvlakken worden gevonden in de door de commissie aangedragen kernen van goed ouderschap, waarin christelijke partijen veel herkenbaars terugvinden.

De aarzelingen die liberalen zullen voelen bij het ontwikkelen van een gezinsvisie zijn heel begrijpelijk. Van hen wordt dan ook niet gevraagd om deze aarzelingen opzij te zetten, maar om deze juist te articuleren. Door de liberale emancipatie- en autonomiegedachte te verbinden met het relationele denken van de christelijke partijen kan een gezinsvisie worden gevormd die een stevige basis legt voor het kabinetsbeleid. Want een gezin(sbeleid) verplicht.

 

Laurens Wijmenga is onderzoeker bij het Wetenschappelijk Instituut en schrijft aan een studie over gezinsbeleid (verwacht oktober 2018). 
Hij schreef dit artikel voor Liberale Reflecties, een uitgave van het wetenschappelijk bureau van de VVD (de Teldersstichting). 



[1] Een ander voorbeeld is de column ‘Een gezin verplicht’ van VVD-kamerlid Otto Vos in Trouw van 8 september 2001. Hierin noemde hij het gezin ‘de meest duurzame, warme leefvorm’.

[2] Teldersstichting, Geschrift 82. Tussen vrijblijvendheid en paternalisme.

« Terug