Veiligheid meeorganiseren - interview met Ronald van Steden

ronald van steden defdonderdag 22 juni 2017 08:00

Ronald van Steden schreef voor het Wetenschappelijk Instituut een essay over veiligheid. Veiligheid heeft volgens Van Steden twee kanten: een harde, juridische kant, en een kant die meer gaat over verbindingen in de samenleving. Die verbinding kunnen we juist in veiligheidsbeleid wel gebruiken, betoogt hij. Daarbij is ook een rol weggelegd voor burgers. Die rol moet wel in de gaten gehouden worden, want verbinding kan ook weer voor uitsluiting zorgen.

Door Mirjam Kosten en Geert Jan Spijker

Wat is de hoofdboodschap van uw essay?

De centrale boodschap in één zin is dat een veilige samenleving, een samenleving in verbinding is. Veiligheid is een menselijke basisbehoefte en staat in de Pyramide van Maslov dan ook naast eten, drinken en slapen. De afgelopen dertig jaar, en zeker ook na de aanslagen van 9/11, zijn we veiligheid vooral juridisch gaan zien: het gaat dan om wetten, regels, handhaving door de politie, enzovoorts. Die kant zit natuurlijk ook aan veiligheid, maar tegelijkertijd is veiligheid ook een sociaal begrip dat gaat over vertrouwen, verbinding en mogelijkheden tot herstel. Het gaat ook over een sense of belonging, het vertrouwen dat je ergens bij hoort. Veiligheid heeft dus een inclusieve kant. De these in het essay is dat we die inclusieve kant niet over het hoofd moeten zien.


Uw essay gaat ook over burgerparticipatie. Wat heeft dat te maken met inclusief veiligheidsbeleid?
Het is mooi dat burgers hun eigen veiligheid gaan organiseren en dat past bij de gedachte dat de kringen in de samenleving hun eigen bestemming, doel en beslisruimte hebben. Over het algemeen geldt dat burgers aangemoedigd moeten worden om te participeren, ook omdat dat onderlinge solidariteit kweekt. Maar als je er wat kritischer naar kijkt, zie je bij burgerparticipatie in veiligheidsbeleid ook schaduwkanten. Veiligheidsprojecten hebben het risico dat ze mensen uitsluiten.


U bent dus geen fan van buurtwachten?
Ik ben er niet per se tegen, maar het zijn wel projecten waarbij je in de gaten moet houden in hoeverre ze niet allerlei grondrechten van mensen schenden. Er zijn weinig cijfers over hoe goed of slecht het met buurtwachten in Nederland gaat. Voorbeelden waarbij het misschien niet de gewenste kant opgaat: er is wat te doen geweest over de zogenaamde soldiers of Odin die op een militante manier een buurtwacht inrichten, er zijn schermutselingen geweest met buurtwachten rondom asielzoekerscentra en onlangs werd er bericht over een buurtwacht die zelfs helikopters ter beschikking had. Wat we niet moeten hebben, is eigenrichting, dus dat burgers het recht in eigen hand gaan nemen. Gelukkig is daar in Nederland ook geen sprake van, maar dat wil niet zeggen dat je er niet alert op moet zijn dat zoiets wel kán gebeuren. De voorbeelden die ik noemde, vind ik wel zorgelijk. Uit het proefschrift van Nicole Haas, Public support for vigilantism, blijkt dat buurtwachten kunnen ontaarden in milities, zoals in derdewereldlanden, als de overheid minder sterk is.


Is de opkomst van buurtwachten een kritiek op de overheid?
In Nederland hebben we een behoorlijk groot vertrouwen in de overheid, die ervoor zorgt dat we veilig zijn. Maar je kunt de opkomst van buurtwachten inderdaad ook wel interpreteren als een soort kritiek op de overheid. Als reactie op het wegvallen of tekortschieten van die overheid kan het sentiment van ‘we gaan het zelf wel regelen’ ontstaan. Dat is goed in beginsel, maar moet niet ontsporen.


Als er meer wijkagenten zouden zijn, zouden die buurtwachten er dan niet zijn?
Het is van belang dat de basispolitiezorg op orde is, en wijkagenten spelen daar een grote rol in. Je ziet dat die basispolitiezorg behoorlijk onder druk staat. De norm van één wijkagent per vijfduizend inwoners wordt niet gehaald. De politie is bezig met andere onderdelen, bijvoorbeeld de opsporing, en dat is belangrijk. Maar we moeten niet doorschieten, en mensen door te weinig zichtbare politie het gevoel geven dat er geen overheid meer is en dat ze het zelf moeten aanpakken. Er zijn trouwens ook buurtwachten in wijken waar wijkagenten zijn, dus de buurtwacht komt niet pas op als de wijkagent er niet meer is. De wijkagent heeft dan de schone taak om die buurtwacht in goede banen te leiden.


Is er altijd een connectie tussen buurtwachten en lokaal bestuur of politie?
Vaak hebben fysieke buurtwachten die verbinding, maar daarnaast is er nu een explosie aan WhatsAppgroepen, van digitale buurtwachten en die hebben die verbinding niet altijd. Dat is ook het beleid vanuit de gemeente en de politie. Zij zeggen: het is een burgerinitiatief, dus de verantwoordelijkheid ligt in eerste instantie bij de burger. Dat is correct denk ik, want als je allerlei regels gaat stellen, kun je dat soort initiatieven onbedoeld de kop in drukken. Waar je wel scherp op moet zijn is op de vraag wie er mee mogen doen met dergelijke initiatieven. Worden er misschien groepen uitgesloten? Hoe richten WhatsAppgroepen zich op burgers die misschien niet zo welgevallig zijn, maar niet per se iets verkeerd doen? We moeten scherp blijven op wat dergelijke initiatieven betekenen voor insluiting en uitsluiting, zeker als het om veiligheid gaat. Bij een moestuininitiatief is het maar een moestuin, maar als het buurtwachten gaat die met zaklantaarns lopen waar je ook mee kunt slaan, dan moet je wel alert zijn.


Even concreet: wat er kan gebeuren is dat in een wijk een buurtwacht is en dat iemand niet mee mag doen omdat hij Marokkaan is?
Dat kan gebeuren, maar het ergste is als een Marokkaan in elkaar geslagen wordt omdat hij ten onrechte ergens van verdacht wordt. Etnisch profileren gebeurt bij de politie, maar daar zitten nog wel allerlei rechtsstatelijke waarborgen op omdat de politie onderdeel uitmaakt van de overheid. We praten in Nederland over allerlei scheidslijnen. Er zijn financieel-economische verschillen, maar ook etnische scheidslijnen. We moeten voorkomen dat in veiligheidsinitiatieven die scheidslijnen ook gaan spelen. Ik waardeer de participatiesamenleving, maar je moet er niet te romantisch over zijn. Burgers zijn niet altijd even leuk.


Toch pleit u wel voorbepaalde vormen van burgerparticipatie. Wat zijn de goede voorbeelden?
Ik ben voorstander van het zogenaamde budgetrecht. Het budgetrecht gaat erover dat als ideeën over hoe je veiligheid zou willen organiseren, daar een budget aangehangen kan worden. Het idee is dat je dat als buurt regelt, waarbij zo breed mogelijk iedereen mag meebeslissen. Als je burgers vanuit een participatie- of coöperatiegedachte het gevoel geeft dat ze meer eigen verantwoordelijkheid mogen krijgen, dan moet je daar ook conclusies aan verbinden, financiële conclusies bijvoorbeeld. Daarnaast is er mediation tussen buurtbewoners. Het idee is dat je met alle partijen die problemen met elkaar hebben, buurtbewoners, hangjongeren in gesprek probeert te komen en misschien met een wijkagent of vertegenwoordiger van de gemeente erbij. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, maar het is wel een route die naar verbinding zoekt. Het alternatief is dat je een agent neerzet die jongeren de wijk uitveegt, dat kan ook. Dat kan ook nodig zijn. Maar als het gaat over relatief lichte overlast, kun je ook op een andere manier met elkaar in gesprek gaan.


Is dat niet een beetje een softe aanpak?

Met bijvoorbeeld restore to justice Nederland worden ook ernstigere delicten opgelost en daar worden redelijke resultaten mee geboekt. Dat sluit niet uit dat mensen uiteindelijk niet in de gevangenis belanden, dat kan ook. Straffen uitdelen moet je vooral blijven doen waar dat nodig is. Maar die gesprekken zijn belangrijk omdat mensen zich serieus genomen voelen. Het slachtoffer kan zijn zegje doen, een dader kan excuses aanbieden of op een andere manier compensatie geven. Dat kan ertoe leiden dat de betrokkenen min of meer of meer verder kunnen met leven. Er kan herstel ontstaan, zodat mensen uit de groef van het incident komen. Ik vind dat wel belangrijk, vanuit de gedachte dat er herstel en resocialisatie mogelijk moet zijn. In toenemende mate hoor je de harde veiligheidstoon van “harder straffen, sluit ze maar op en niet meer naar omkijken”. Vanuit christelijk-sociaal denken mag je wel een hoopvoller perspectief bieden.


Wat is een christelijk-sociaal perspectief op veiligheid?
Dat perspectief benadrukt twee kanten van veiligheid. Ten eerste is er een mensbeeld waarin mensen co-creaters, samenwerkers zijn. Die kant noem ik in mijn essay. De andere kant benoem ik ook: de notie dat mensen elkaar wat aan kunnen doen. Mensen zijn niet alleen maar solidaire wezens. Calvijn schreef dat chaos en ellende de dispositie zijn van deze wereld. Dat mens- en wereldbeeld is dus van belang. Vervolgens kun je nadenken over wat dat betekent voor de positie van de overheid. Er is in de christelijk-sociale traditie discussie over of de overheid pas mag ingrijpen als er iets verkeerd gaat in de kringen van de samenleving of dat dat ook op voorhand mag. Die gedachte van een afstandelijke overheid vind ik bij het veiligheidsdomein wel wat tricky; daar past overheidsregulering.


Waar komt die hardere toon vandaan?
We hadden met een rechts kabinet te maken. Een wat diepere analyse is, dat veiligheid een kerntaak van de overheid is. In een wereld vol wereldwijde bewegingen van geld, migratie, politieke ontwikkelingen waar je als overheid weinig grip op hebt, is er in elk geval één ding waar je wel grip op hebt: namelijk veiligheid. Als je vraagt naar de politieke legitimatie van waarom er überhaupt een overheid is, is veiligheid wel een thema dat de overheid graag in handen houdt. Veiligheid heeft een legitimerende werking, want als je als overheid niet meer kunt laten zien dat je de veiligheid min of meer kunt garanderen, waarom heb je dan nog de overheid? Dat brengt met zich mee dat je sneller die harde retoriek gebruikt en eerder bezuinigt op de sociale kant van veiligheid.


En de vraag van de burger naar veiligheid?

De criminaliteitscijfers dalen. Mensen voelen zich minder onveilig. Objectief kun je dus stellen dat mensen redelijk veilig zijn en zich redelijk veilig voelen. Maar toch is er een soort sentiment van onbehagen van mensen die zich onzekerder zijn gaan voelen. Dat heeft dus niet per se met objectieve cijfers te maken, maar wel met het idee dat mensen op een bepaalde manier de grip op het leven verliezen. Misschien door wat er in de wereld gebeurt, misschien door minder baanzekerheid. Je ziet dat binnen buurten het onderlinge vertrouwen, het sociale weefsel, onder druk staat. Zeker in grote steden met veel verhuisbewegingen en in buurten waar mensen het gevoel hebben aan de onderkant van de samenleving te zitten en daar niet meer denken uit te komen. Dat leidt tot wantrouwen en onbehagen en dat is verbonden aan gevoelens van onveiligheid. Als je veiligheidsgevoelens ziet in relatie tot criminaliteit, valt het wel mee.


Veiligheid heeft dus ook een existentiële dimensie?

Zeker, en dat zit ook in de oorsprong van het woord veiligheid. Het Latijnse woord voor veiligheid is securitas. Dat betekent letterlijk ‘zonder zorg zijn’. Dat is dus een psychologisch begrip, dat erover gaat dat je rustig kunt leven. Hoe kun je rustig leven? Als je het gevoel hebt dat er voor je gezorgd wordt. Dat heeft er mee te maken dat burgers onderling verbonden zijn. In de loop van de eeuwen is dat securitasbegrip veel meer gejuridiseerd. Vanaf de zeventiende eeuw werd het meer een begrip van de overheid. Interessant is dat er nog een ander Latijns begrip is voor veiligheid: certitudo. Dat heeft meer een christelijke oorsprong en het wordt ook gebruikt door de kerkvaders. Dat certitudo gaat erover dat je je zeker en veilig voelt omdat je verbonden bent met God, die het beste met je voorheeft en je leven in Zijn hand heeft. Ik wil niet zeggen dat die veiligheidsretoriek uitsluitend opkomt in een seculiere samenleving, dat ligt genuanceerder, maar ik heb wel het idee dat het besef in de samenleving dat je onderdeel bent van iets groters dan jij, voor rust kan zorgen. Als dat besef vloeibaarder en minder wordt, kan dat tot spanning of onbehagen leiden en raakt dat aan die existentiële dieptelaag van de onrust in de samenleving.


Heeft de ChristenUnie een onderscheiden verhaal op het thema veiligheid?
De ChristenUnie heeft zeker een andere lijn dan bijvoorbeeld de VVD. Het verkiezingsprogramma is hoopvol ingestoken en het verbindingsperspectief lees ik daar wel in terug. Denk aan de aandacht voor politievrijwilligers, die zie je lang niet bij alle partijen terug. Het mooie van de vrijwillige politie is dat het burgers zijn die vrijwillig participeren, maar die tegelijkertijd ook ingekapseld zijn binnen de rechtsstaat, waardoor je er meer grip op hebt. Die politievrijwilliger kan een brugfunctie vervullen tussen gemeenschappen aan de ene kant en de politie aan de andere kant.


Wat geef je raadsleden mee op het gebied van veiligheid?
Ik zou als ChristenUnieraadslid bij buutwachten kijken naar wat die doen en een oogje in het zeil houden of hun werk binnen hun taakstelling blijft en niet te ver opschuift naar het geweldsmonopolie van de overheid. Maar ik zou als raadslid ook een lans breken voor allerlei burgerinitiatieven die voor sociale verbinding zorgen. Denk aan stichting Exodus, buurtbemiddeling of herstelrecht. Daar moet je niet op willen bezuinigen.


Dit artikel verscheen in Groen, het opinieblad van het WI, in juni 2017.  

Dr. Ronald van Steden is politicoloog en werkzaam als universitair hoofddocent aan de afdeling bestuurswetenschap & politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor het WI schreef hij het boek Veiligheid in verbondenheid. Het wordt op 30 juni gepresenteerd tijdens een symposium met Pieter-Jaap Aalbersberg (hoofdcommissaris bij Politie Nederland) en Monica den Boer (kandidaat voor D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen 2017 en wetenschapper op het gebied van strafrecht en openbaar bestuur). 

Meer informatie en aanmelden symposium

« Terug