Gastvrij zijn betekent ook grenzen trekken

Wouter 2017zaterdag 24 juni 2017 08:00

Politieke partijen zijn aan het schuiven in het vluchtelingenvraagstuk: van de verplichtende mensenrechten-ethiek naar het balanceren tussen het welzijn van de vreemdeling en die van de eigen bevolking. In de ethiek wordt nog een lijn onderscheiden: de deugd. Wie in het vluchtelingenvraagstuk op zoek gaat naar de deugd kan om één woord niet heen: gastvrijheid. Een begrip dat ook grenzen aangeeft, zegt Wouter Beekers.

Nederland dreigt een tweedelige natie te worden. De grootstedelijke elite spreekt de taal van de progressieve kosmopoliet, in het land klinken woorden van de conservatieve nationalist. Vooral in het debat over migratie wordt die breuklijn pijnlijk zichtbaar – niet voor niets is migratie een heet hangijzer in de formatie. De een verbijt zich over de onmenselijke benadering van de vluchteling, het gebrek aan realisme verbijstert de ander. Het zou helpen als we toegeven op zoek te zijn. En als we die zoektocht richten op de deugd, op de vraag wie wij Nederlanders willen zijn. 


Asielrecht
In het vluchtelingendebat is de deugd geen grote rol toebedeeld. Eerder ademt de argumentatie van de ‘kosmopolitische’ school een ethiek van plicht. Deze is sterk gevormd door de verschrikking van de Tweede Wereldoorlog.

Het idee van ‘universele rechten van de mens’, inclusief het recht op bescherming tegen vervolging door asiel te verlenen, verplichtte tot handelen. Er was een veilige plek nodig voor Sovjet-dissidenten ten tijde van de Koude Oorlog; voor Joegoslaven op de vlucht na de gewelddadige ineenstorting van hun republiek; voor alle mensen die vrezen voor hun leven door aanhoudend politiek geweld in Afrika en het Midden-Oosten. Zo steeg het aantal asielverzoeken van enkele honderden tot tienduizenden per jaar.

De ethici van de plicht, met erudiete vertegenwoordigers zoals migratiehistoricus Leo Lucassen, zien in aantallen geen reden om van koers te veranderen. Zij nuanceren. Dat tweederde van de hedendaagse vluchtelingen wordt opgevangen in de regio bijvoorbeeld. Dat het aantal asielverzoeken sinds de jaren negentig redelijk stabiel is, dat de Europese arbeidsmigratie veel groter is. Dat hoge emigratiecijfers maken dat het migratiesaldo niet eens zo heel hoog uitvalt. Dat er per saldo nog steeds meer mensen komen dan weggaan, is eigenlijk maar goed ook in onze vergrijzende samenleving.

Aantallen, zeggen deze mensen, ontslaan het Westen niet van zijn plicht vluchtelingen te beschermen. Sterker nog, het Westen heeft de plicht te handelen, want het heeft de nood van vluchtelingen mede veroorzaakt: met zijn cynische verdeel-en-heers-politiek, uitbuitende handelsrelaties en roofbouw op de aarde.

Wij hebben de plicht te handelen. Wir schaffen das. Of, in de woorden van Jesse Klaver: „Ze moeten allemaal worden toegelaten, het zijn mensen, je zorgen maken over de hoeveelheid is een schande.”


Burgers beschermen
Maar de verplichtende mensenrechten vinden steeds minder gehoor. Steeds vaker klinkt een meer utilistische roep om een meer zakelijke afweging te maken met het oog op het welzijn van alle betrokkenen. Om te zoeken naar een evenwicht tussen de plichten jegens de vluchteling en die jegens de eigen bevolking.

Wie het populisme de schuld geeft van de opkomst van dit utilisme, moet het populisme wel breed definiëren. Al sinds de economische crisis van de jaren zeventig spreken gezaghebbende adviesorganen bezorgd over de gevolgen van migratie. Voorheen konden de politieke vertolkers van deze zorgen op hoon rekenen, dat gold niet alleen voor de extreem-rechtse  Centrumdemocraten van Hans Janmaat, maar ook voor de jonge Socialistische Partij met haar omstreden brochure ‘Gastarbeid en kapitaal’ uit 1983. Die tijd is voorbij.

Enquêtes laten zien dat de meerderheid van de Westerse bevolking vindt dat migratie aan banden moet worden gelegd. Vandaag de dag zijn er 65 miljoen mensen op de vlucht – alleen al tussen 2010 en 2015 vervijfvoudigde het aantal asielaanvragen in Europa, tot meer dan een miljoen. Klimaatopwarming, voedselonzekerheid en machtsconflicten zullen dit aantal waarschijnlijk eerder doen stijgen dan dalen. Informatie over het Westen en de weg daar naar toe wordt steeds makkelijker gedeeld. Dat onze bevolkingsgroei volledig op conto komt van het migratieoverschot moet toch nopen tot voorzichtigheid. Zeker omdat de afstand in taal en cultuur voor veel migranten enorm is. 

Populisten menen dat het tijd is de  ‘vergeten burger’ weer te beschermen. Pim Fortuyn entameerde de discussie over het VN-Vluchtelingenverdrag, Geert Wilders kwam met doorrekeningen van de financiële kosten van migratie. En inmiddels klinkt ook aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan: ‘A nation exists to serve its citizens’. 


De verlegenheid voorbij
Politieke partijen zijn aan het schuiven: van de verplichtende mensenrechten-ethiek naar het balanceren tussen het welzijn van de vreemdeling en die van de eigen bevolking. Juist over die verschuiving bestaat grote verlegenheid.

We schrikken als we horen dat de VVD aan de formatietafel wil spreken over het VN-Vluchtelingenverdrag. Zijn we vergeten dat Mark Rutte al in 2008 wedijverde met Rita Verdonk over het strengste immigratiebeleid en dat hij er toen al voor pleitte om vooral kansrijke en talentvolle immigranten welkom te heten? 

We schrikken als Sybrand Buma het Vluchtelingenverdrag „niet meer van deze tijd” noemt. Zijn we vergeten dat een streng migratiebeleid al een belangrijk onderdeel was van het normen-en-waarden-offensief van zijn voorganger Jan Peter Balkenende? 

We schrikken op als PvdA-burgemeester Achmed Aboutaleb zich voegt in het kamp der critici. Zijn we vergeten dat sociaal-democraat Paul Scheffer hem al zeventien jaar geleden voorging? Wie een beetje oplet weet dat de PvdA al sinds 2005 in haar beginselmanifest pleit voor „selectieve migratie”, omdat „geen enkele maatschappij een ongelimiteerd absorptievermogen heeft”. 

Wie goed luistert,  hoort zelfs Jesse Klaver zoeken. In zijn meetup over de misgelopen formatiebesprekingen zei hij dat ons land behoefte heeft aan „een realistische kijk” op migratie, met „niet alleen linkse elementen” maar ook „rechtse”. „We moeten migratie goed organiseren”, aldus Klaver, „niet ongecontroleerd laten, zoals het in 2015 was”. 

Onze politieke opvattingen over asielrecht zijn in beweging, maar over die beweging zelf is grote verlegenheid: tornen we hier niet aan een principieel mensenrecht, dat universeel geldig zou moeten zijn, onafhankelijk van de geest van de tijd? Laat die vraag zeker gesteld worden. 

Maar laten we ons ook realiseren dat recht altijd in beweging is. Die dynamiek van het recht is een centraal punt in het denken van de met de Spinozaprijs gelauwerde Amerikaanse filosoof Michael Walzer. Zeker, er is zoiets als een universeel besef van rechtvaardigheid, dat kan worden getart door een rechteloze praktijk. Maar hoe recht moet worden gedaan, is een vraag die gemeenschappen steeds opnieuw moeten beantwoorden in een weerbarstige praktijk vol dilemma’s.

Niet toevallig droeg Walzer het vluchtelingenvraagstuk aan als voorbeeld bij uitstek, omdat vluchtelingen niet alleen een beroep doen op gemeenschappen, maar ook hun grenzen bevragen.  Walzer geeft het pijnlijke voorbeeld van de bevrijding van miljoenen Russische dwangarbeid in nazi-Duitsland. De geallieerden stuurden hen zonder pardon terug naar de Sovjet-Unie, al konden zij wel bevroeden dat Stalin deze ‘collaborateurs’ met dwangarbeid en doodstraffen zou verwelkomen. Hadden zij deze miljoenen in hun verscheurde samenlevingen kunnen opnemen?

Het voorbeeld toont aan dat asielrecht het koesteren waard is, maar ook dat de praktijk ons voor pijnlijke dilemma’s stelt. Dat is vandaag de dag niet anders. Laten we ons daar niet voor schamen. Laten we de verlegenheid voorbij gaan en toegeven dat we zoekende zijn. En laten we de echte pijnpunten onder ogen zien.

In de politiek verstoppen we ons voor het moeilijke onderwerp van onze draagkracht. En toch. Liever een pijnlijk debat over een vluchtelingenquotum, dan vluchtelingen tot de pijnlijke ontdekking laten komen dat dit quotum stilzwijgend al lang bereikt is. Liever een eerlijk gesprek met de eigen gemeenschap, dan de grenzen van onze draagkracht tegen ons uit te laten spelen door vreemde mogendheden, zoals Turkije doet.

Laten we erkennen dat we op zoek zijn en bezinning nodig hebben.  Is het niet hoog tijd voor een parlementair onderzoek naar ons asielbeleid? Geen parlementaire enquête gericht op waarheidsvinding – of in het slechtste geval afrekening – achteraf. Een parlementair onderzoek om daadwerkelijk op zoek te gaan naar pijnpunten, internationale voorbeelden en mogelijke oplossingen voor de toekomst. CDA’er Koopmans leidde in 2012 al een soortgelijk onderzoek naar arbeidsmigratie.

Opmerkelijk eigenlijk dat die er voor asielbeleid nooit kwam. Paul Rosenmöller stelde zoiets al voor in 1999, Paul Scheffer in 2000 en Alexander Pechtold in 2006. Misschien is de spanning aan de formatietafel een goede aanleiding om dit voorstel maar eens af te stoffen. Tussen alle moeilijke besluitvorming door, laten we ook op zoek gaan naar ruimte voor reflectie.

Begrensde gastvrijheid
Als recht een kwestie van  zoeken is, dan maakt het uit met welk kompas we de zoektocht aangaan. Vinden we dat kompas in een ethiek van plichten of in een meer zakelijke belangenafweging? De plichten jegens de vreemde, het welzijn van ons volk of een balans tussen die twee: zetten die ons nu in een goede beweging?

In de ethiek wordt nog een derde lijn onderscheiden: de deugd. Een ethiek van deugden draait om de vraag wie wij willen zijn. Hoe we volwaardige mensen kunnen zijn. Hoe we in onze relaties tot de ander tot bloei komen. Welke verhalen over het leven wij elkaar vertellen. 

Wie in het vluchtelingenvraagstuk op zoek gaat naar de deugd kan om één woord niet heen: gastvrijheid. Juist vanwege het appèl dat van het woord uitgaat, is gastvrijheid een omstreden begrip. Maar misschien kan het begrip ons wel verder helpen, omdat gastvrijheid een deugd is met twee zijden.

Wie gastvrij is bekommert zich om mensen in nood en brengt de moed op te helpen. Maar gastvrijheid komt ook met een besef van het belang van grenzen en de moed die intact te laten. Het woord gastvrijheid zelf drukt uit dat er zoiets is als een begrensde gemeenschap waar mensen te gast kunnen zijn. In vele talen duidt de gast op de ‘vreemde’ of zelfs op de ‘vijand’, zoals in het Latijnse hostis, dat bijvoorbeeld doorklinkt in de Engelse woorden voor zowel gastvrijheid (hospitality) als vijandigheid (hostility). 

Recent wees de jonge Amerikaanse theoloog Matthew Kaemingk op de tweezijdigheid van gastvrijheid. En misschien is het zo gek niet om de religieuze diepte mee te nemen in deze principiële zaak.

Gastvrijheid is in de Bijbel niet gestoeld op de gedachte van een wederkerig do ut des (geef opdat u gegeven zal worden), maar van een do quia mihi datum est (ik geef omdat mij gegeven is). Zo wordt het volk Israël in het wetboek Leviticus voorgehouden: „Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u verblijft; u zult hem liefhebben als uzelf, want u bent vreemdeling geweest in het land Egypte.” En Jezus houdt zijn leerlingen voor dat wie een vreemdeling in huis neemt, Hem zelf in huis neemt. „Een gast in huis is God in huis”, zoals een christelijk gezegde luidt.

Toch geldt gastvrijheid volgens Kaemingk niet als oproep tot grenzeloze barmhartigheid. Grenzen zijn een gift van God. De Schepper geeft begrensde sociale ruimten, gezinnen, gemeenschappen, volken, als een plek waarin een beperkt aantal mensen veiligheid, solidariteit en intimiteit kunnen ervaren. Zo gingen de oproepen tot gastvrijheid aan Israël gepaard met een sterke notie van fysieke en sociale grenzen tussen de volken. 
Voor gastvrijheid zijn grenzen cruciaal. Dat wordt misschien het beste gevoeld in de metafoor van een gezin. Zou een gezin de deur voor eenieder openzetten om te komen en te gaan zoals ze willen, dan zou het de kern van het gezin-zijn verliezen. En daarmee ook uiteindelijk zijn capaciteit om gastvrij te zijn. Het gezin zou dan niet meer gastvrij zijn – het zou eenvoudig ophouden gezin te zijn.

Zo heeft ook een land dat gastvrijheid wil tonen grenzen nodig. Een land zonder grenzen houdt op land te zijn. Grenzeloosheid vernietigt het vermogen van een land om gastvrijheid te tonen in de toekomst.

Wie gastvrij wil zijn doet de grenzen niet op slot, maar maakt ook geen taboe van het gesprek over die grens. Wie gastvrij wil zijn, durft de vraag te stellen of opvang ook tijdelijk kan zijn. Tijdelijk asiel verlenen is een moeilijke weg, vol met levensgrote vragen rondom integratie en hechting, zeker als het minderjarigen betreft. Maar liever gaan we die vragen aan, dan dat we vluchtelingen in de toekomst in de kou moeten laten staan als consequentie van ons vermijden van die vragen. Wie erkent dat gastvrijheid grenzen kent, weet ook dat die grenzen ons nooit ontslaan van het betrachten van gerechtigheid: van een echte bijdrage aan de opvang van vluchtelingen wereldwijd, van het zoeken naar recht in internationale politiek en handelsverhoudingen.

Het ideaal van gastvrijheid ontslaat ons van niet levensgrote dilemma’s, maar misschien helpt het ons die dilemma’s eerlijker onder ogen te zien.  Misschien kan deze deugd dienen als een klein kompas bij onze zoektocht naar wie we willen zijn.


Wouter Beekers is historicus en directeur van het WI.
Dit artikel verscheen op 10 juni in NRC

« Terug