Overheidsbetutteling, moralisme en boter op ons christelijke hoofd

Abonnement 'CU Hoofdlid - incasso' op 'Contributie Hoofdleden' voor 'Brinkman, C. (Kees) [95136]'vrijdag 08 maart 2013 14:18

In een onderbelichte WI-brochure 'Betutteling. Over de (on)zin van een gepolitiseerd begrip' (2009) heeft Maarten Vogelaar er serieus werk van gemaakt om het begrip ‘overheidsbetutteling te definiëren. Van deze betutteling is sprake waar (verkort weergegeven) door de overheid afgedwongen gedragsverandering van burgers de balans mist tussen: 1) individuele vrijheid; 2) maatschappelijk belang; 3) zelfregulerend vermogen van verbanden; en 4) de haalbaarheid en proportionaliteit van de afgedwongen gedragsverandering (p11).

De brochure sluit af met diverse redenen waarom het etiket ‘betutteling’ vaak ten onrechte klinkt. Een van de redenen is de ‘betuttelparadox’ (pp39-40): bij bijvoorbeeld kindermishandeling moet de overheid ingrijpen, maar doet de overheid dat, dan ervaart men ‘al die regels’ voor oppascentrales als hinderlijk, betuttelend. Of, niet geformuleerd als wel of geen overheidsbemoeizucht, maar vanuit de daardoor getroffen burger: anderen moeten gedisciplineerd worden, zoals bij alcohol-gerelateerd geweld, maar ik wil niet ingeperkt worden in mijn (drink-)vrijheid. Met andere woorden: ook gewenst overheidsingrijpen wordt snel als betuttelend ervaren.

Vogelaar (p41) noemt als laatste reden waarom het etiket ‘betutteling’ vaak, maar ten onrechte heeft geklonken: “het moralistisch imago van christelijke partijen is onterecht”. Hij beroept zich dan op de door hem onderzochte terreinen waarop Balkenende IV (met de ChristenUnie) onder andere ingreep: seksuele moraal, opvoeding en gezin, roken in de horeca: specifiek-christelijk waren de ingrepen nauwelijks. Bovendien zou “het liberale wantrouwen tegen de sociaal-democratische PvdA” groter moeten zijn.

Daarmee mag Balkenende IV vrijgesproken zijn van betuttelingsklachten of -aanklachten, maar is dan ook positief de stelling onderbouwd: “het moralistisch imago van christelijke partijen is onterecht”? Over het moralistisch (betuttelende) imago van christelijke partijen (in Nederland) of christenen in het algemeen (in Nederland) valt wel wat meer te zeggen. Terecht of niet – het imago is er; dat behoeft nauwelijks betoog. Maar is het imago terecht? Het antwoord daarop verschilt: benadert iemand de vraag ‘idealiter’, ‘in principe’, of zijn er feitelijke redenen, historisch, ‘realiter’ waardoor dit imago ontstaan is?

Op deze laatste, historisch-feitelijke vraag over het ontstaan van het moralistische imago zijn verschillende antwoorden te geven. Als iemand terugkijkt op een rooms-katholieke traditie, zal hij misschien denken aan aansporingen tot kinderrijkdom door de ongetrouwde pastoor, aan vermaan in internaten tot ‘handjes boven de dekens’, aan ‘het’ condoomstandpunt van ‘de’ paus (en daarbij aan huishoudsters en  - andere - slachtoffers van misbruik of aids). In de evangelische en charismatische tradities vallen wellicht meer verwachtingen op zoals het geven van ‘tienden’, of het verbod (vooral in de VS) van roken en alcohol, hoewel in deze kringen een anti-wettisch, en daarom anti-moralistisch sentiment nuancerend werkt. Maar ook in de gereformeerde traditie doet kinderrijkdom in gezinnen nog altijd aan de Biblebelt denken, en hebben (vooral oudere?) kerkleden herinneringen aan sex-gerelateerde do’s en don’ts, en gêne daaromheen. Al met al zijn er wel degelijk feitelijke, historisch aanwijsbare redenen voor een moralistisch imago van diverse typen christenen – hoezeer de beeldvorming in de media deze feitelijke redenen vervolgens ook eenzijdig belicht en opgeblazen heeft.

Wanneer ik mij beperk tot de neocalvinistische traditie die nog altijd sterk bepalend is in visievorming van en over de ChristenUnie, dan wil ik nog een ander complex aan redenen noemen. Nu kan ik deze enkel aanstippen, later volgt uitwerking. Abraham Kuyper opende de Vrije Universiteit met de toespraak Soevereiniteit in eigen kring (1880). Die ‘soevereiniteit’ verwees naar God, en wel God als Gebieder, Vorst van de kosmos. Niet alleen een artikelenserie van zijn hand, maar ook aanbouwsels bij kerken kregen vaak de naam Pro Rege, voor de Koning – Koning Christus of God zelf. Deze soeverein was Wetgever van zijn schepping, en ‘op alle terreinen des levens’ was Hij eigenaar (‘Mijn!’), en zijn wil wet.

Nu is van Kuyper bekend dat hij ook een meer innige toon kende, vooral in zijn meditaties. Het register van het hart, van de mystiek misschien zelfs. Toch is, sinds zijn nadruk op Gods soevereiniteit,  koningschap, wil en wet, in elk geval onder zijn nazaten het denken vaardig geworden in termen van gehoorzaamheid, burgerschap (‘Ons politeuma’), onderdaan zijn, subjèct onder de wet van Gods Rijk. Dat heeft een boeiende traditie opgeleverd, en mij nu mijn baan en brood. En toch: een eenzijdige oriëntatie op Gods wil en wet heeft, vrees ik, het christen-zijn, in elk geval in de neocalvinistisch-gereformeerde traditie onbedoeld verengd tot een klimaat waarin veel aandacht ging naar de gereformeerde zede, naar de regels daarvoor, inclusief de ruggengraat daarvan, de wekelijkse wetslezing. Dat morele complex werd beeldbepalend – binnen de betreffende kerken en bij de buitenwacht. Generaliserend gesproken is dit  moralisme (of tenminste de werkzame schijn daarvan) ten koste gegaan van het meer innige, kwetsbare, persoonlijke geloofsgesprek.

Tot slot nog even terug naar het principiële antwoord, ‘idealiter’, op de vraag of het imago van christenen terecht betuttelend is of niet. Dat antwoord is niet moeilijk, maar wel spannend. De naam ‘christen’ verwijst naar Jezus Christus: een persoon, geen systeem, geen serie regels, géén wetgever zoals Mozes. Kernwoord van het evangelie, de boodschap over Jezus is: genade. Blijkbaar is het erg lastig om als christenen iets uit te stralen van de gulheid, de vrijgevigheid, de goedheid van de genadige God, van wie Jezus Christus sprekend de Zoon was en is.

« Terug

Plaats het eerste bericht!

Nieuw bericht