De Europese karavaan trekt verder

Door Guido Hooiveld


De Nederlandse politiek was jarenlang bijna eensgezind voorstander van de Europese integratie. In de jaren negentig van de vorig eeuw ontstonden de eerste barsten in de pro-Europese houding. Tegenwoordig zijn de meeste politieke partijen eurosceptisch. De realiteit van de Europese integratie leidt er echter toe dat een meerderheid van het parlement verdere integratie toch steunt.    

 Tijdens de partijraad van de VVD in september 1991 deed haar politiek leider Frits Bolkestein opmerkelijke uitspraken over de Europese integratie. Hij liet weten zich te verzetten tegen de communautarisering van het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de lidstaten van de toenmalige Europese Gemeenschap. Dit beleid moest voorwerp blijven van samenwerking tussen de regeringen van de lidstaten. Ook was het zaak, aldus Bolkestein tegen zijn partijgenoten, dat Nederland niet langer streefde naar een federaal Europa. Het einddoel van de Europese integratie behoorde een confederatie te zijn met op economisch gebied bepaalde federale eigenschappen. Uit het vorig jaar verschenen boek Verloren consensus. Europa in het Nederlandse parlementair-politieke debat 1945-1913 blijken deze uitspraken van Bolkestein een belangrijk keerpunt te zijn geweest in het denken in Nederland over Europa. De VVD-leider doorbrak hiermee de jarenlange eensgezindheid die in bijna nlange e van de vorige eeuwee eeuwe990 en 1991 als een waterscheiding in het denken over ?ligheidsbeleid.de hele Nederlandse politiek over de Europese integratie bestond.  

 
Waterscheiding
Verloren consensus, dat meerdere auteurs heeft, ziet de jaren 1990 en 1991 als een waterscheiding in de opvattingen van de Nederlandse politieke partijen over Europa. Het was het begin van een eurosceptische houding in het parlement. Daarmee kwam een einde aan de jarenlange omhelzing van Europa. In de jaren vijftig van de vorige eeuw hadden alle grote politieke partijen zich achter het ideaal van de Europese integratie geschaard. KVP en PvdA waren direct na de Tweede Wereldoorlog al kampioenen Europese integratie. Bij de ARP, CHU en de VVD bestonden aanvankelijk aarzelingen. Vanwege de dreiging van de Sovjet-Unie en de realiteit van de Europese integratie in de praktijk gaven deze drie partijen echter hun aarzelingen op. Verzet in het parlement tegen de pro-Europese politiek van de Nederlandse regering kwam uit de marge, in eerste instantie alleen van CPN en SGP. Bij deze twee partijen voegden zich de kleine linkse en de kleine christelijke partijen die vanaf de jaren zestig hun opwachting in de Tweede Kamer maakten.

 

Voorwaardelijkheidsdenken
Bolkestein kreeg na 1991 zijn partij mee in zijn kritische benadering van de Europese eenwording. Al eerder had een politieke partij kritiek op Europa gehad, zij het dat die kritiek van tijdelijke aard was (in die zin was de eensgezindheid over Europa al een keer eerder doorbroken). In de jaren zestig en zeventig ontstond als gevolg van de beweging Nieuw Links binnen de PvdA de opvatting dat de Europese Gemeenschap een kapitalistisch orgaan was. De Europese integratie voltrok zich ten koste van de zwakkeren en de Derde Wereld. Verdere integratie zou volgens de PvdA alleen mogen gebeuren op voorwaarde dat Europa zich ontwikkelde in sociaal-democratische en progressieve richting. Dit standpunt werd aangeduid als het zogenaamde ‘voorwaardelijkheidsdenken’. In de praktijk bleek dit denken vooral retoriek te zijn. In de jaren 1973-1977 zat de PvdA onder leiding van premier en partijgenoot Joop den Uyl in de regering. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer liet zich in die jaren kritisch uit over Europa. Maar PvdA-minister Max van der Stoel van Buitenlandse Zaken gaf geen krimp: "Ik ga niet met mijn eigen partijprogram in de achterzak naar Brussel." Zonder dat de PvdA-fractie doorbeet bleef het kabinet-Den Uyl de Europese integratie onverkort steunen. De partijelite omhelsde het voorwaardelijkheidsdenken niet. Uiteindelijk stierf het een zachte dood. Begin jaren tachtig maakte de PvdA weer onderdeel uit van de Haagse consensus over Europa.

 

Supranationaal
In de periode 1950-1990 vallen twee hoofdlijnen in het Europabeleid van de Nederlandse regering te ontdekken. Nederland was voorstander van integratie op economisch terrein. Die integratie behoorde zich langs supranationale weg te voltrekken, dat wil zeggen dat er bovenstatelijke, Europese instituties en regelgeving moesten ontstaan. Dit was de beste garantie voor de voor Nederland zo belangrijke onderlinge vrijhandel tussen de lidstaten. Een Europa op supranationale leest geschoeid hield bovendien de hegemoniale aspiraties van Duitsland en Frankrijk onder controle.

Economische integratie was dus belangrijk voor Nederland, maar de Europese Gemeenschap moest zich daartoe ook beperken. De regering stond op het standpunt dat de Europese veiligheid en defensie het beste af waren via de NAVO en de betrokkenheid van de Verenigde Staten. Op deze gebieden mocht geen zelfstandig Europees beleid ontstaan omdat dit afbreuk zou doen aan de Atlantische cohesie.

 

Welwillende volgzaamheid
Bijna het gehele parlement steunde in de periode 1950-1990 de hierboven beschreven Europese politiek van de regering. In de jaren vijftig was het enthousiasme van de parlementsleden voor Europa zelfs groter dan bij de regering. Volgens de auteurs van het slothoofdstuk van Verloren consensus zijn er in de periode 1950-1990 in het parlementaire debat over Europa twee constanten vast te stellen. Bij de behandeling van Europese verdragen en akten klaagden de politieke partijen altijd dat de integratie niet ver genoeg ging. De regering verweerde zich hiertegen door te wijzen op de opstelling van andere landen. Die wensten niet verder te gaan. Maar ondanks het geklaag gaf de Tweede Kamer steevast haar goedkeuring aan de verdragen en akten.

Een andere constante in het partijpolitieke debat was de kritiek op en de zorg over het Europese democratische gat: de tekortschietende democratische controle op de Europese wet- en regelgeving. De directe verkiezing van het Europese Parlement sinds 1979 en de uitbreiding van bevoegdheden van dit gremium waren in dit opzicht verbeteringen, maar  onvoldoende om de kritiek en de zorg van de Nederlandse politiek weg te nemen.

Ondertussen vond de burger het Nederlandse Europabeleid en de opvattingen van de politieke partijen daarover wel best. Europa kon op een positief oordeel rekenen. Maar echt enthousiast over Europa werden de Nederlanders ook niet. Hun houding valt volgens genoemde auteurs daarom te typeren als welwillende volgzaamheid (permissieve consensus).

 
Pim Fortuyn: ook burger wordt sceptisch
De aansteker van de euroscepsis, Frits Bolkestein, legde in 1998 het leiderschap van de VVD neer en verdween naar de coulissen van de Nederlandse politiek. Critici smaalden dat hij wel had geblaft maar niet gebeten. De VVD was als het er op aankwam het pro-Europese beleid van de regering blijven steunen. Volgens Verloren consensus wordt Bolkestein hiermee geen recht aangedaan. Hij ontmantelde de eensgezindheid over de communautarisering en op de lange termijn beïnvloedden zijn eurosceptische ideeën wel degelijk de houding van de Nederlandse regering ten aanzien van Europa.

De VVD was weliswaar in de jaren negentig over Europa de meest uitgesproken kritische partij, maar ook binnen andere partijen groeide de scepsis over Europa. Zo niet bij het grote publiek. Dat bleef, zij het onverschillig, voorstander van Europa. In het slothoofdstuk van Verloren consensus kunnen we lezen dat door het optreden van Pim Fortuyn aan het begin van de twintigste eeuw ook de burger kritisch werd over de Europese integratie. En hoewel Fortuyn in mei 2002 door moord om het leven kwam, was het anti-Europese zaad wel definitief gezaaid. Het onbehagen over de dure euro, de uitbreiding van de EU en de nettobetalerspositie van Nederland versterkten de Europascepsis onder de bevolking. Het was daarom geen wonder dat de Nederlandse kiezer in 2005 de Europese Grondwet afwees.

 

Banken- en schuldencrisis
Gek genoeg vond er na de verwerping van de Europese Grondwet een depolitisering van het debat over Europa plaats. Van de kant van de regering was het oorverdovend stil en de Tweede Kamer besloot het Verdrag van Lissabon, dat in 2007 in de plaats kwam van 'de Europese grondwet', niet aan een referendum te onderwerpen. De in 2008 uitgebroken bankencrisis versterkte zelfs kortstondig het depolitiserende klimaat. Er was kamerbrede steun en waardering voor de gecoördineerde aanpak van deze crisis waartoe de lidstaten van de EU besloten. De Zuid-Europese schuldencrisis die in 2009 ontstond, doorbrak echter opnieuw de Haagse consensus. De vraag of Griekenland door Europa financieel gesteund moest worden verdeelde de politieke partijen en hield de mensen in het land erg bezig. Ook de opkomst van de anti-Europese PVV zorgde ervoor dat de discussie over Europa opnieuw oplaaide en weer prominent op de politieke agenda kwam te staan. 

 

Met huid en haar
De eurosceptische kiezer en de hete adem van de anti-Europese partijen PVV en SP in de nek dwongen (en dwingen) de middenpartijen tot een kritische koers over Europa. Met de mond beleden zij dat ze tegen verdere uitbreiding waren van de bevoegdheden van de EU. Maar in de praktijk stemden zij sinds het uitbreken van de schuldencrisis in met een verdergaande Europese bemoeienis met de economieën van de lidstaten. Zo is de greep van de Europese Commissie op de begrotingen van de EU-landen versterkt en is er een Europees instituut gekomen dat de nationale financiële toezichthouders controleert. De meerderheid van het Nederlandse parlement heeft zich hier niet tegen verzet. Verloren consensus constateert terecht dat de parlementariërs ook geen andere keus hadden. De onderlinge afhankelijkheid van lidstaten is zo toegenomen dat Nederland met huid en haar vastzit aan de in Europees verband geschapen kaders. Verloren consensus stelt het onomwonden: er is eigenlijk geen mogelijkheid meer "voor het voeren van een autonoom, ‘re-nationalistisch’ Europabeleid".

 

RPF en GPV
In dit tijdschrift is het uiteraard interessant om na te gaan hoe Verloren consensus schrijft over de ChristenUnie en haar voorgangers, GPV en RPF. Volgens het boek waren deze voorgangers verkleefd aan de natiestaat. Dit betekende niet dat GPV en RPF tegen Europese samenwerking waren, maar deze mocht er niet toe leiden dat de Nederlandse identiteit wazig werd. Van een supranationaal Europa waren beide partijen daarom niet geporteerd. De samenwerking tussen de lidstaten moest bij voorkeur gebeuren op intergouvernementele basis. Gezien hun Europa-standpunt was het niet verwonderlijk dat GPV en RPF tegen het verdrag van Maastricht stemden. Dit verdrag telde namelijk veel supranationale onderdelen, zoals de euro. De realiteit van de Europese integratie maakte beide partijen geleidelijk wel positiever over Europa.

 

ChristenUnie
De ChristenUnie laat tot op heden op het Europa-dossier een wispelturig beeld zien. Terwijl haar voorgangers nog nooit met een Europees verdrag hadden ingestemd, gaf zij haar goedkeuring aan het verdrag van Nice. Dit uit 2001 stammend verdrag maakte de EU gereed voor de uitbreiding met de Midden- en Oost-Europese landen. Volgens Verloren consensus woog voor de ChristenUnie het belang van de toetreding tot de EU van deze voormalig communistische landen zwaarder dan haar bezwaar tegen een supranationaal Europa. De Europese Grondwet kon echter niet op instemming van de ChristenUnie rekenen. Haar politiek leider, André Rouvoet, was in de campagne over het referendum over deze 'Grondwet' zelfs één van de aanvoerders van het verzet ertegen. Tijdens de ratificatie van het verdrag van Lissabon, waaruit de grondwettelijke franje was verwijderd, zat de ChristenUnie in de regering. Zij steunde dit verdrag. Omdat de ChristenUnie tegen de 'Europese Grondwet' was, noemt Verloren consensus deze opstelling opvallend. Het boek vermoedt dat de regeringsdeelname de partij op het onderwerp Europa dwong tot het doen van concessies aan haar coalitiepartners CDA en PvdA.

Leningen aan Griekenland
Hoewel de titel aangeeft dat Verloren consensus het parlementair en politiek debat over Europa tot 2013 beschrijft, schenkt het boek slechts tot 2011 aandacht aan de Griekse schuldencrisis en de opstelling van de Nederlandse politiek daartegenover. De positie die de ChristenUnie in het debat over de Griekse schuldencrisis inneemt, maakt het grillige imago van deze partij met betrekking tot Europa verder duidelijk. Daarom willen wij op deze plek aan deze positie kort enkele woorden wijden. In eerste instantie steunde de ChristenUnie de verstrekking van leningen aan het financieel zieltogende Griekenland. Aan het verlenen van een nieuw pakket leningen aan dit land in 2011 onthield ze echter haar instemming. De landen die Griekenland financieel de helpende hand toestaken, zouden volgens de ChristenUnie hun geleende geld nooit meer terugzien. Daarom was het beter om de Griekse schulden te herstructureren. Vanwege zorg over de slechte financiële situatie van de mediterrane eurolanden liet de partij in 2012 een onderzoek uitvoeren naar de vraag of een opsplitsing van de euro in een Zuid-Europese en Noord-Europese zone mogelijk was. In november van dat jaar verschenen de uitkomsten van dit onderzoek. Volgens deze uitkomsten was een opsplitsing van de euro economisch zeer nadelig, maar een vertrek van Griekenland uit de eurozone was wel goed mogelijk. De ChristenUnie presenteerde vervolgens het idee van een Grieks vertrek in de Tweede Kamer, maar een meerderheid van de partijen wees dit idee beleefd doch beslist af.


Worsteling
De ChristenUnie worstelt met het onderwerp Europa. Dat maakt haar wisselende koers sinds haar bestaan met betrekking tot dit onderwerp wel duidelijk. Behoort deze partij momenteel op veel dossiers tot de ‘constructieve oppositie’, dat kan niet gezegd van haar opstelling tegenover de Europese aanpak van de Zuid-Europese schuldencrisis. Die is zuiver oppositioneel. Deze opstelling kan de ChristenUnie zich veroorloven omdat ze niet nodig is voor een parlementaire meerderheid voor goedkeuring van lastige besluiten om leningen aan Griekenland te verstrekken. Het lijkt erop dat de ChristenUnie op het dossier Europa nog teveel de gevangene is van het verleden. Haar voorgangers GPV en RPF stonden zeer negatief tegen een supranationaal Europa en de euro. Dit verleden van zich afschudden is momenteel blijkbaar een brug te ver. Overigens kan ik me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het afwijzende standpunt van de ChristenUnie over een Europees optreden met betrekking tot de Zuid-Europese schuldencrisis is ingegeven door electorale motieven. De oplossing van de bank- en schuldencrisis ligt juist in meer Europa. Dit staat uiteraard haaks op het sentiment onder de kiezer, maar het is de uitdaging voor politieke partijen om hem daarvan te overtuigen.     

 
Overzichtswerk
Terug naar het boek Verloren consensus. Het vult een leemte die tot op heden over het onderwerp Europa in de parlementaire geschiedschrijving bestond. Omdat het boek het karakter van een overzichtswerk heeft, zijn de auteurs spaarzaam geweest met het schetsen van achtergronden. Hoewel dat begrijpelijk is, was in een aantal gevallen een stuk verdieping op zijn plaats geweest. Zo blijft de beschrijving van de posities die de politieke partijen tegenover Europa innamen wat aan de oppervlakte steken. Het boek zou aan meerwaarde hebben gewonnen als deze posities verklaard waren uit het ideologische gedachtengoed van de partijen. Bij de weergave van het streven van de Nederlandse regering in de periode 1950-1990 naar een supranationaal Europa was het eveneens goed geweest als zij de spade dieper hadden gestoken. Voor een goed begrip van dit streven zou het mooi zijn geweest als de auteurs de link hadden gelegd met de legalistische traditie die de buitenlandse politiek van ons land sinds de Republiek kenmerkt. Nederland heeft altijd veel belang gehecht aan het internationale recht en de naleving ervan. Bij deze traditie passen bovenstatelijke regels en instituties veel beter dan samenwerking op intergouvernementele basis. Bij deze samenwerking speelt de omvang van de macht van landen een veel grotere rol. Deze kritiek neemt niet weg dat er met Verloren consensus een boek ligt dat uitstekend schetst hoe één van de founding fathers van de EU zich ontwikkelde tot een kritisch en lastig broertje binnen de Europese familie.

 

Guido Hooiveld is historicus en werkt als beleidsmedewerker onderwijs en Wmo bij de gemeente Oldebroek