Naar een economie van het Oude Testament


Recensie


-----
Tomas Sedlacek
Economics of Good and Evil: the Quest for Economic Meaning from Gilgamesh to Wall Street
Oxford: Oxford University Press 2011

(Vertaald als: Economie van goed en kwaad. Zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesj tot Wall Street)
-----

Door Alex ten Cate

De financiële crisis die in 2008 zichtbaar is geworden, toonde de grenzen van het ongereguleerde marktkapitalisme, zoals de val van het communisme in 1985 het failliet van de allesbeheersende overheid aantoonde. Sinds die tijd zoekt de politiek naar een nieuwe, gezondere relatie tussen overheid, markt en samenleving. Ook de ChristenUnie zoekt naar een nieuwe balans in dit krachtenveld; naar een politieke actualisering van een bijbels, christelijk-sociaal geluid.

In dit artikel wil ik hiervoor een aantal mogelijkheden schetsen aan de hand van het boek Economics of Good and Evil van Tomas Sedlacek. Deze jonge Tjechische econoom was adviseur van president Havel en werd al in 2006 door de Yale Business Review bestempeld als één van de vijf 'Hot minds in economics'.

Voor de ChristenUnie is Sedlacek wat mij betreft een uiterst relevante denker. In dit boek verbindt hij niet alleen markt en samenleving, maar vooral ook markt, ethiek en religie. Voor zover ik weet is Sedlacek zelf geen christen, en hij behandelt net zo goed de economische implicaties van het Gilgamesj-epos als die van het denken van Plato en Aristoteles. Toch lijkt zijn grootste sympathie als econoom uit te gaan naar de denktraditie van het Oude Testament, en zijn de concrete voorstellen die hij doet vooral daaruit afgeleid.

Mythes en meta-economie

Economics of Good and Evil bedrijft wat Sedlacek noemt "meta-economie". In het eerste deel van het boek toont hij aan dat ‘economisch denken’ al vanaf het vroegste begin van de mensheid deel is geweest van onze mythen, poëzie, religieuze geschriften en filosofie. In het tweede deel laat hij de andere kant van die medaille zien: dat veel van onze economische overtuigingen niets anders

zijn dan moderne mythes. Daarmee zet hij de economie "op haar plek" als slechts één van de spelers op het veld van de samenleving, in plaats van als de objectieve scheidsrechter over alles.

De kracht van het boek ligt vooral in de deconstructie van deze economische "mythes": met name de mythes van homo economicus, de onzichtbare hand van de markt en de noodzaak van permanente groei. Hij ontmaskert deze concepten als primair religieuze ideeën, en pleit ervoor om economie weer vooral te gaan zien als een sociaal-ethische wetenschap in plaats van als waardenvrij en "neutraal". De ethiek, en het denken over het wezen van mens-zijn en samenleving, mogen en moeten weer leidend zijn in economische vraagstukken.

“Ik pleit ervoor dat de economie haar eigen waarden zou moeten zoeken, ontdekken en bespreekbaar maken, ondanks dat ons geleerd is dat economie een waardenvrije wetenschap is.”

Als economie ten diepste geen waardenvrije wetenschap is, dan is er ook ruimte voor een partij als de ChristenUnie om onbeschaamd uit haar eigen bijbelse denktraditie te putten, óók waar het gaat om economische vraagstukken. Ik noem een paar voorbeelden.

Stad en tuin

De vroegste geschriften van de mensheid, waaronder het Oude Testament, spreken al over de "stad" en over de "tuin": over beschermende muren van collectiviteit, maar ook over de roeping van mensen om te cultiveren en "onder hun eigen vijgenboom te zitten". Hier is in de kern het debat tussen socialisme en klassiek liberalisme al aanwezig. Flavius Josefus legt bijvoorbeeld in zijn Joodse Oudheden de bouw van de muren van Babel (Genesis 11) vooral uit als het optrekken van beschermende muren tegen God Zelf, en daarmee als wantrouwen in Zijn verbond van zegen en voorziening met "alle levende wezens" (Genesis 9: 10,17) individueel. De bescherming van het collectief en de persoonlijke verantwoordelijkheid vinden alleen de juiste samenhang in relatie tot God en Zijn gerechtigheid.

Sedlacek laat zien dat de bijbel zich op dit onderwerp niet laat vangen in een links/rechts-schema: de ‘stad’ kan Babylon worden of Jeruzalem, en de ‘tuin’ kan een wildernis zijn of Eden. In het eindvisioen van Openbaring 21 komen ‘Jeruzalem’ en ‘Eden’ tenslotte samen.

Aan de ene kant is de mens een verantwoordelijk wezen, en mag hij zo worden aangesproken. Doen we dat niet, dan verliezen we een deel van onze menselijkheid:

 “De prijs die we betalen voor onafhankelijkheid van de grillen van de natuur, is afhankelijkheid van onze samenlevingen en beschavingen. Hoe verfijnder een samenleving is als geheel, hoe minder haar leden in staat zijn in hun eentje, als individuen, te overleven zonder de samenleving.”

Aan de andere kant is daar de zorgende samenleving, waarin de hoeken van het veld niet worden afgemaaid, en waarin opgebouwde schuld een 'ctrl-alt-delete' krijgt in het Jubeljaar. De mens heeft krediet nodig om verantwoordelijk te kunnen zijn – vandaar ook de nadruk in het werk van bijvoorbeeld Phillip Blond (Red Tory) op het “herkapitaliseren van de armen”. Eigenaarschap wordt in het Oude Testament gereguleerd door vergeving.

“De mens is slechts een pachter op het land, en alle eigenaarschap is slechts tijdelijk. De huur werd betaald in de vorm van de ‘tiende’ en in naleving van de door de Heer gegeven wetten. ‘Vergevingsjaren’ herinneren ons er ook aan dat in werkelijkheid het land niet toebehoort aan haar menselijke eigenaars.”

Zowel de 'stad' van de collectiviteit als de 'tuin' van risico en ondernemerschap zijn niet inherent goed of slecht. Zij worden genormeerd door gerechtigheid en door het besef dat wij het land te leen hebben van God.

Loont het goede?

Dit leidt als vanzelf tot de vraag of het 'loont' om het goede te doen. In economische termen: de vraag hoe 'nut wordt gemaximaliseerd'. Sedlacek zet de antwoorden op die vraag op een schaal, waarin het meest optimistische antwoord uit het Oude Testament komt: er is een relatie tussen het doen van gerechtigheid en het leven onder Gods zegen.

“…de Hebreeën probeerden de zakelijke cyclus te verklaren vanuit moraliteit en ethiek. Voor hen was moraliteit de belangrijkste drijvende kracht achter de geschiedenis.” 

Het meest cynische antwoord, aan het andere uiteinde van de schaal, is dat van Mandeville, waarin het juist de private ondeugden zijn die, via het mechanisme van de "onzichtbare hand van de markt" zorgen voor maximalisatie van de publieke welvaart:

“…Mandeville gelooft dat de afhankelijkheid tussen opbrengst en ethiek valide is, maar hij beschouwt die als omgekeerd. In tegenstelling tot andere scholen, lijkt hij te betogen dat meer ondeugden ruimte creëren voor een groter welzijn van het geheel.”

De recente geschiedenis laat zien dat dit maar zeer ten dele waar is: consumptiedrang leidt inderdaad tot welvaart, maar die welvaart komt niet automatisch ten goede aan de samenleving als geheel. De onzichtbare (en ongereguleerde) hand van de markt produceert vooral wat Phillip Blond noemt “een kapitalisme dat werkt voor de weinigen, niet voor de velen”. Daarom bepleit Sedlacek een stevige morele fundering onder het economisch handelen:

“Niets zou beter zijn voor een economie dan erg specifiek zijn over gerechtigheid.”

Ont-aardsing van het christendom

Sedlacek benadrukt de waarde van het Oudtestamentische denken voor de ontwikkeling van economie en vooruitgang. Voor hem is het Joodse lineaire tijdsbegrip zelfs de "sine qua non" voor de ontwikkeling van economisch denken, waarbij vooral van belang is dat vooruitgang in deze wereld plaatsvindt.

“Eén van de zaken die de schrijvers van het Oude Testament de mensheid nalieten, is het idee en de notie van vooruitgang. De verhalen in het Oude Testament hebben hun ontwikkeling; zij veranderen de geschiedenis van de Joodse natie en haken in elkaar. Het Joodse tijdsbegrip is lineair – het heeft een begin en een einde. De Joden geloven in vooruitgang in de geschiedenis, en dat die vooruitgang in deze wereld plaatsvindt. Hebreeuwse religiositeit is daarom sterk verbonden aan deze wereld, en niet aan één of andere abstracte wereld.”

Daar tegenover lijkt Sedlacek het Nieuwe Testament met name te lezen door de bril van het latere christelijk dualisme, waarin het ‘loon’ voor het goede steeds meer is verplaatst naar het hiernamaals.

“In tegenstelling tot in het christendom, was het concept van een buitenaards paradijs of hemel niet erg ontwikkeld in het Hebreeuwse denken.”

Het is deze ont-aardsing (en daarmee ont-aarding?) van het christelijke denken dat ertoe heeft kunnen leiden dat de kerk zich kon verzwageren met de macht. Waar het ‘loon van het goede’ wordt verplaatst naar buiten ruimte en tijd, heeft aards onrecht immers een 'christelijke' legitimatie om voort te woekeren in het hiernumaals. De zekerheid dat God 'ooit, later' recht zal doen, wordt zo een excuus waarom het hier en nu dus niet hoeft te gebeuren.

Op sociaal-economisch vlak houdt Sedlacek het institutionele christendom in die zin een confronterende spiegel voor. Wat mij trof in Sedlaceks passages over het christendom, was vooral hoezeer de christelijke theologie haar zeggingskracht op maatschappelijke thema's kwijtraakt wanneer zij het aardse uit het oog verliest.

Opkomst Koninkrijkstheologie

Gelukkig is dit niet het hele verhaal. In de recente opkomst van de koninkrijkstheologie van onder andere N.T. Wright zien we het christendom steeds meer haar eigen relevantie voor deze aarde herontdekken – niet in het minst in de focus op gerechtigheid en duurzaamheid die ook de ChristenUnie heeft omarmd. En zoals de recente WI-bundel Volgers laat zien, zijn er door de eeuwen heen vele christenen geweest die zich vanuit hun geloof hebben ingezet voor hun medemensen, voor hun land en tegen onrecht.

De spiegel die Sedlacek het christendom voorhoudt, is vooral de vraag: hoe dicht ligt die betrokkenheid op recht en gerechtigheid bij de kern van wat we geloven? Is het meer dan alleen een accessoire bij een primair 'hemelse' meta-narrative?

Een open vraag

In de zoektocht naar het nieuwe 'verhaal' over markt, ethiek en religie stelt Economics of Good and Evil – bewust - meer de juiste vragen, dan dat het de antwoorden geeft. Het ontmaskert de moderne mythes van groei die nog altijd sterk ons regeringsbeleid bepalen. Het laat zien hoe actueel de oudste denktradities van de mensheid zijn voor moderne vraagstukken, en heeft daarbij een bijzondere waardering voor het Hebreeuwse denken zoals we dat tegenkomen in het Oude Testament.

Als Sedlacek bij zijn conclusies komt, zet hij dan ook tegenover deze mythes een aantal andere voorstellen, die hij samenvat onder de noemer "Sabbath Economics". Als norm voor overheidsfinanciën geeft hij een hedendaagse uitwerking van wat hij de "Joseph rule" noemt: ruime overschotten in goede jaren, die worden aangewend voor anticyclisch investeren in de mindere jaren. In die zin was Jozef 'de eerste Keynesiaan'. Met die constatering komt Sedlacek overigens niet per se ‘links’ uit: hij waarschuwt evenzeer tegen het niet snel genoeg wegwerken van overheidsschuld:

“Wat we nodig hebben, is het zelfde principe dat Jozef aandroeg: heb overschotten zodat je tekorten kunt hebben. Als je tekorten hebt, betaal ze dan snel terug. Deze crisis heeft ons niet vernietigd (hoewel sommige landen in onze beschaving wel failliet gingen of daar dichtbij kwamen), maar als we de volgende crisis ingaan met de huidige lading schuld op ons, dan kan die volgende crisis, die binnen de komende twee generaties zou kunnen komen, werkelijk dodelijk zijn.”

Aanmoediging voor theologie

De belangrijkste waarde van het boek ligt in mijn optiek niet allereerst in de concrete voorstellen. Veel meer lees ik het als een aanmoediging - van een econoom! - aan christenen in de politiek om hun visie op overheid, markt en samenleving allereerst theologisch te doordenken. Economie is niet waardenvrij, zij mag en moet dus waarde(n)vol worden gemaakt, vanuit een heldere, bijbelse visie op het 'common good'.

De ChristenUnie heeft de laatste jaren haar verantwoordelijkheid getoond in het meebesturen van het land in tijden van crisis. Het schip van de samenleving heeft daardoor een aantal rotsen ontweken. Maar het schip heeft nog geen koers. Het nieuwe model waarin overheid, markt en samenleving elkaar opnieuw vinden, is nog niet gevonden.

In de zoektocht naar die koers kan de denktraditie waaruit de ChristenUnie voortkomt een grote toegevoegde waarde hebben, waarbij de bijbel zonder gêne open op tafel ligt – op weg naar een waardenvolle economie.

Alex ten Cate werkt als ketenmanager in de telecomsector en is binnen de ChristenUnie actief als steunfractielid voor de Provinciale Statenfractie in Fryslân.

© WI ChristenUnie