De oude beweging van levensbrengers


Door Reinier Sonneveld

Christelijke politiek is door en door pro life. Christenpolitici hebben oog voor het leven en de bloei van de ander, omdat ze in elk mens de herinnering aan God en zijn liefde voor mensen zien. God wil mensen zien leven en bloeien, de ChristenUnie dus ook. Die boodschap uiten en doorgeven is hard nodig in deze tijd waarin de rede steeds eenzijdiger en egocentrischer wordt.

Mijn eerste stukje in een echte krant (dus niet de schoolkrant) schreef ik op mijn zeventiende. Na een uur zoeken vond ik het terug in de uiterste krochten van mijn computer. Het was geschreven in WordPerfect 5.1 (digitaal gezien een soort Oud-Hebreeuws) en het duurde even voor ik een tekstverwerker vond die dat aankon. De eerste zin is:

“Niet alleen in Den Haag is het een hot item, ook in Rotterdam wordt er op gemeentelijk niveau druk over gediscussieerd: mogen winkels op zondag open, of niet?”

Daarna volgde een interview met een dame van het CNV over de ‘24-uurseconomie’. Dat was toen een nieuw begrip, herinner ik me, en je hoorde het overal. We hebben het over voorjaar 1996. De CNV-dame zei:

“Als ik niet openga, zal het publiek minder bij mij kopen, maar als de winkel wél opengaat, dan worden de personeelskosten en dergelijke weer veel hoger. Het publiek is uiteindelijk het slachtoffer door de noodzakelijke prijsstijgingen… We gaan Amerikaans leven; het ene gezinslid komt binnen, rukt wat uit de koelkast, stopt wat in de magnetron en is al weer weg als lid nummer twee binnen komt. Daar wordt de maatschappij niet bepaald beter op.”

De stemmen van de Rede

Voor mij was haar methode van redeneren heel verfrissend. Zij was christelijk, reformatorisch als ik het me goed herinner, maar ze gebruikte in het interview geen enkel argument uit de Bijbel. Ze sprak een algemene, seculiere taal. Dat was toen nieuw voor mij en ik vond het een openbaring. Niet alleen de Bijbel zegt het, de Rede ook! Het suggereerde dat er ook in de schepping informatie over het ware leven te vinden was, in dat tweede heilige boek, het Boek van de natuur. En dat boek is toegankelijk voor iedereen. Als er een ritme in de natuur geschapen is, is het gezond daarop af te stemmen, en kun je erop vertrouwen dat ook de Rede dat ritme zal ontdekken.

Later ben ik weer wat pessimistischer geworden over de mogelijkheden van de Rede. De Rede heeft, kort gezegd, weinig last van bindingsangst en laat zich voor veel karretjes spannen. Ook elke ChristenUnie-politicus loopt daar tegenaan. Christelijke motivaties worden in onze seculiere cultuur steeds minder uitlegbaar. Er is geen taal meer die lijkt te werken en bij iedereen overkomt. Je zult dus regelmatig iets denken als: “Ik weet zó zeker dat deze beslissing slecht is voor ons dorp, onze stad – maar ik weet niet meer hoe ik ze ooit daarvan kan overtuigen. Misschien als ze het uitproberen, blijkt na een tijdje dat het inderdaad niet werkt, dan krabbelen ze wel terug, zoals nu gebeurt rond legalisering van prostitutie…”

Boterhammen in Congo

Hoe de Rede het christelijk geloof heeft ‘verlaten’ voelde ik bijvoorbeeld een jaar of zes geleden in Congo. Ik was daar in een gehucht om een korte speelfilm te maken. We kwamen er de eerste dag binnenrijden met een forse jeep. We sjouwden onze grote zilverkleurige camerakoffers eruit. Vijftig kinderen gaapten ons aan. Na de eerste ochtend filmen werd het etenstijd. Als ik een uurtje te laat eet, ga ik trillen en word ik kribbig. Ik had dus die ochtend een indrukwekkend lunchpakket gesmeerd. Ik zou niet gaan trillen en kribbig worden – niet als ik zeven acteurs uit het dorp zelf en een crew moest aansturen.

Ik haalde dus mijn indrukwekkende lunchpakket uit de grote jeep en begon fanatiek te happen. Eén dubbele boterham weg, de tweede, de derde... En toen pas keek ik op en zag ik de grote groep kinderen om mij heen. Al die tijd hadden ze me doodstil aangestaard. Eentje hapte zelfs met zijn mond, alsof hij een onzichtbare boterham mee-at. 

Jachtig keek ik rond. Wat moest ik beginnen met één overgebleven boterham?

De kruimels van Leontine

De oma! Natuurlijk. Zij, Leontine Kunda, was een van de hoofdrolspeelsters in onze film, en ik wist hoe hoog oude mensen worden geacht in deze cultuur. Ik moest mijn boterham aan haar geven. Dat zou een goede daad zijn. Ook zij had vandaag nog niets gegeten. Met een heel nobel en christelijk gevoel gaf ik haar mijn laatste boterham. De oma pakte mijn offer met een alleraardigste glimlach aan. Zij draaide zich om. Zij brak er een stukje vanaf. Zij gaf dat stukje aan een kind. Zij brak er nog een stukje vanaf. Gaf dat aan het volgende kind. Alle kinderen kregen een miniem stukje van mijn boterham. Zelf at zij niet.

Op heel lokaal, kleinschalig niveau wist oma Kunda precies wat de Bijbel voorschrijft en bracht dat in de praktijk. Maar ik weet niet of het uit te leggen is. De Rede zou zeggen: “Op deze manier heeft niemand iets aan die ene boterham. Beter had gewoon een enkele persoon die helemaal opgegeten.” En toch is er ergens in ons een diepe intuïtie dat oma Kunda het wél snapte, en de Rede niet; dat wat zij deed, misschien niet slim was, maar wel onweerlegbaar mooier…

Verachte lammen en blinden

Uiteindelijk heeft oma Kunda deze houding bij Jezus geleerd. Laatst viel mijn oog op een detail dat mij niet eerder was opgevallen. Het detail krijgt diepte als je iets weet over de positie van gehandicapten in het Jodendom van de eerste eeuw. In Leviticus 21 staat een hele lijst van mensen die geen priester mogen worden:

“niemand die blind is of verlamd, niemand met een misvormd gelaat of abnormaal ontwikkelde ledematen, niemand wiens ledematen na een botbreuk vergroeid zijn, niemand met een gebochelde of dwergachtige gestalte, niemand met staar, niemand met zweren of uitslag, niemand met verpletterde zaadballen…”

Die regel was er om uit te drukken dat God volmaakt is en de priesters moesten dat op hun beurt ook uitdrukken. De eerste twee categorieën, de blinden en verlamden, werd een spreekwoord, dat  terugkomt in een verhaal eeuwen later. Gehandicapten mochten niet alleen geen priester worden, blijkt dan, ze mogen vanaf dan helemaal het tempelplein niet meer op en hen werd zo het intiemste contact met God onmogelijk gemaakt. De grote koning David zegt zelfs (2 Samuël 5): “Lammen en blinden, die veracht ik uit de grond van mijn hart.” En sindsdien werd het spreekwoord: ‘Lammen en blinden komen mijn huis niet in.’

Jezus en de gehandicapten

En dan, duizend jaar later, een ver achterkleinkind van die David is op dat tempelplein, en wat staat er? “Blinden en lammen kwamen in de tempel naar hem toe en hij genas hen.” (Matteüs 21) Deze gehandicapten die werden geweerd van het intiemste contact met God, durven nu wel zomaar het tempelplein op en Jezus geneest hen. Een fysieke genezing, maar ook het systeem geneest.

Die daad, dat moment, lijkt me een prachtige motivatie voor christelijke politici vandaag de dag: we willen dat personen opbloeien, maar ook dat structuren veranderen. Maar weer is het lastig uit te leggen. We geloven dat mensen ‘beeld van God’ zijn, ieder mens, want zo leefde Jezus dat voor en zo vertelt de Bijbel dat. Maar de Rede lijkt zich momenteel aan andere belangen te verbinden. Die laat zich, zoals gezegd, voor veel karretjes spannen, en het wordt steeds moeilijker je geloof in de bijna oneindige waarde van ieder leven uit te leggen in termen van de Rede.

God is pro life

Die vervreemding en die teleurstelling merken we nog het meest op dit vlak: God is fundamenteel pro life, voor elk leven – hij heeft het zelf geschapen. Jezus is hét leven (1 Johannes 1). Dus als wij Jezus volgen, proberen we leven te brengen. We proberen mensen te laten opbloeien en al hun potentieel te laten schitteren. Want we weten dat we allemaal ‘beeld van God’ zijn. In elk splintertje van ons zit iets dat ons heilig maakt en dat kan ons onmogelijk worden afgenomen.

Dat betekent dat de essentiële vraag die je bij elk besluit kunt stellen, deze is: brengt dit besluit meer leven of niet? Behandelt dit de mensen die het betreft als het beeld van God of niet? Dat is de ultieme vraag. Heb ik door hoezeer deze mensen geliefd zijn? Dat ooit het ultieme beeld van God, de definitieve volmaakte versie, Jezus, voor hen gestorven is? Dat is een vraag waar de Rede momenteel steeds dover voor wordt, maar hier gaat het om en dit is wat ons drijft als gelovigen.

Courgette

Laten we ons daarom blijven oefenen in anders kijken. Zoals Leontine Kunda anders keek naar mensen dan ik toen. We zagen dezelfde kinderen en toch zagen we iets anders. Wij hebben bijvoorbeeld een moestuin. En de eerste courgette die we daar uit halen, daar hebben we voor gevochten. We hebben gesnoeid, we hebben de meeldauw bestreden, we hebben de slakken verwijderd, we koesteren die eerste courgette. Maar als een gast bij ons komt eten, ziet diegene gewoon een courgette als alle andere uit de supermarkt. Het ziet er hetzelfde uit, maar het voelt totaal anders.

Zo kun je ook naar dit leven kijken. We zien dezelfde gebeurtenissen. We kennen dezelfde geschiedenis. Maar toch maakt het enorm uit of van dit leven gehouden is, of we gekoesterd zijn, of er voor ons gezorgd is – of er zelfs iemand voor ons gestorven is.

Twee medaillons

Het mooiste verhaal dat ik hierover ken, gaat zo. Haing Ngor was een arts in Cambodja, maar verloor daar zijn hele familie door de Rode Khmer – die roeiden in de jaren 70 en 80 een-derde van hun eigen bevolking uit. Ngor droeg een bril, werd dus opgepakt en lang gemarteld, maar hij wist te ontsnappen en kwam uiteindelijk terecht in Los Angeles. Het enige bezit dat hij mee kon nemen, was een gouden medaillon met daarin een lok haar van zijn doodgemartelde vrouw. In Amerika werd hij acteur en hij speelde in The Killing Fields – die film werd wereldberoemd en hij won er een Oscar mee.

Toen, 25 februari 1996, werd hij in zijn eigen huis overvallen door een bende. Zij eisten alles wat hij had. En hij gaf ze alles, want bezit interesseerde hem niks meer, maar niet de gouden medaillon die hij altijd om zijn nek droeg, en hij legde uit waarom. Meer was er niet over van zijn vrouw, hij hield nog steeds van haar en was nooit hertrouwd. Hij smeekte hen of hij dat ene mocht houden, maar de bendeleden vermoorden hem, terwijl hij wanhopig het medaillon probeerde bij zich te houden. Op de zwarte markt kregen ze er  een paar dollar voor, voordat ze werden opgepakt.

Er zijn eigenlijk twee medaillons. Een die de overvallers zagen – een die Haing Ngor zag. Eentje is een paar suffe dollars waard – en de ander is de enige en laatste herinnering aan de liefde van je leven. Zo kun je ook naar dit leven kijken. Dit leven kan gewoon zo’n medaillon zijn, een paar dollar waard – of dit leven is de enige en laatste herinnering aan je grote liefde.

De grote uitnodiging

De grote uitnodiging van de Bijbel is je te scharen in die oude, immense beweging van levenbrengers en zelf ook leven te gaan brengen. God had alles voor ons over. De grondstoffen van een mens zijn maar een paar dollar waard en veel mensen worden zo behandeld. Alsof ze niets meer zijn dan wat je op de zwarte markt krijgt voor een medaillon. En dat is wat de Rede soms kan beweren.

Maar als christen, als christelijke politicus, kun je dit in elk mens zien: de enige en laatste herinnering aan onze grote liefde, God. Wees voluit, zonder enige reserve, voor dit leven. Schaar je, als burger, als politicus, in die geweldige beweging van mensen die al zo lang, voluit, zonder enige reserve, voor dit leven zijn. Geef nooit op. Houd vol. Want God heeft ons nog nooit opgegeven en is altijd blijven volhouden.

Reinier Sonneveld is schrijver van onder meer Jutten en De stilte van God.  Daarnaast is hij columnist van diverse tijdschriften.

© WI ChristenUnie