Een pijnlijk appel op burgerplichten


Door Marja Jager-Vreugdenhil

De term ‘burger’ heeft in de 21e eeuw een nieuwe betekenis gekregen. Eerder werd het begrip vooral gebruikt in verband met de rechten van een burger: recht op gelijke behandeling, op keuzevrijheid, op stemrecht, op toegang tot uitkeringen en zorgvoorzieningen. Nu lijkt het veel vaker te gaan om plichten: plicht om te werken, om Nederlands te leren, om speelplaatsjes en groen in de eigen buurt te beheren en om zich kostenbewust en solidair te gedragen bij het benutten van collectieve voorzieningen. Is dat een goede ontwikkeling? Twee recente boeken laten zien waar de pijn zit.

Meer verantwoordelijkheid voor zichzelf én meer verantwoordelijkheid voor elkaar, dat is wat de overheid van haar burgers verwacht. En dat kan een mooi verhaal zijn – wie wil er nu niet een zorgzame samenleving? Maar het betekent wel ongemakkelijke verhoudingen tussen de overheid die al op die ‘burgerkracht’ rekent en de burger die nog maar net begint te ontdekken dat de overheid er niet langer is om alle problemen op te lossen.

Affectief burgerschap

Het zijn deze ongemakkelijke veranderingen in de relatie tussen overheid en burger die de redactie van Affectief burgerschap uitwerkt en analyseert. Thomas Kampen, Imrat Verhoeven en Loes Verplanken introduceren de term ‘affectief burgerschap’ als tegenhanger van ‘sociaal burgerschap’. Sociaal burgerschap verwees naar de rechten van burgers van Nederland: de mogelijkheid om gebruik te maken van allerlei collectieve regelingen voor inkomen, zorg en welzijn. Deze rechten zijn met de opbouw van de verzorgingsstaat steeds vanzelfsprekender geworden. Nu die verzorgingsstaat niet langer in dezelfde vorm houdbaar lijkt te zijn, doet de overheid juist een beroep op plichten van burgers: zo goed mogelijk zorg dragen voor zichzelf én voor naasten. Was ‘sociaal burgerschap’ vooral georganiseerd op nationaal niveau en via anonieme arrangementen, ‘affectief burgerschap’ kenmerkt zich door affectieve relaties op het veel intiemere lokale niveau van zorgzame relaties tussen mensen onderling. Affectieve burgers zijn, kortgezegd, mensen die zorgen voor elkaar vanuit een bepaald bewustzijn van hun plicht om met elkaar de zorg goed vorm te geven.

Fundamentele verschuiving

En dat betekent een fundamentele verschuiving van de opvatting van solidariteit: “Solidariteit is bij affectief burgerschap niet meer een collectief goed dat de overheid garandeert, maar een gunst die individuen geacht worden elkaar te verlenen. Het sociale (…) is in deze opvatting niet langer een ‘domein’ waarin de overheid actief is, maar iets wat moet ontstaan door interacties tussen actieve burgers” (14). Deze analyse is een belangrijke, omdat de verschuiving van het burgerschapsbegrip heel fundamenteel is. Bij de opbouw van de verzorgingsstaat werd het in Nederland als een belangrijk voordeel gezien dat individuen bevrijd werden van de afhankelijkheid van familie en andere verbanden. Nu worden mensen weer naar diezelfde verbanden verwezen als ze zorg nodig hebben. Het boek De affectieve burger gaat vooral in op de manier waarop de overheid mensen ‘verleidt en verplicht’ tot zorgzaamheid: het propageren van een nieuwe publieke moraal. Terecht stellen de auteurs dat dit inhoudt dat de overheid daarmee ver doordringt in het persoonlijke leven van mensen. Ze stellen echter niet de vraag of de overheid dat wel mag. De redenering van de auteurs lijkt te zijn: er moet iets veranderen, dat kan alleen door op emoties te spelen en dus probeert de overheid zogenaamd ‘emotiemanagement’ toe te passen.

Pijnlijke gevolgen

Als meedoen pijn doet belicht de keerzijde van deze ontwikkeling: dit nieuwe appel stuit op weerstand, verontwaardiging en frustratie. Want de overheid kan wel de boodschap uitdragen dat het leuk, gezellig en bevredigend is als mensen zich samen vrijwillig inzetten voor hun wijk of voor de zorg voor iemand anders; maar het blijft een onwelkome boodschap dat er minder gemakkelijk een beroep kan worden gedaan op zorgvoorzieningen. Zeker als het in de praktijk helemaal niet zo leuk en gezellig blijkt te zijn om dan maar een beroep op familie, vrienden en buren te doen. Het is heel motiverend als het lukt om samen met buren het buurthuis zelf te onderhouden, maar wat als het die groep luidruchtige Antillianen (of juist: die groep grijze blanke zeventigplussers) is die vooral bepaalt wat er in het buurthuis kan en mag? En het kan aanvankelijk verrijkend zijn om een buurtgenoot met psychische problematiek of een verstandelijke beperking te ondersteunen, maar wat als daar geen grens aan lijkt te zitten en je dag en nacht wordt lastiggevallen? En wat als je heel erg bereid bent om als goed burger wat bij te dragen, maar het lukt gewoon niet?

Twee puzzelstukken...

De twee boeken zijn gelijktijdig gepubliceerd en worden gepresenteerd als twee delen van het jaarboek van het Tijdschrift voor de Sociale Sector (TSS). TSS is er de afgelopen jaren in geslaagd om steeds rake analyses van de maatschappelijke ontwikkelingen neer te zetten in haar jaarboeken, zoals Kiezen voor de kudde en Brave burgers gezocht. De boeken worden goed gelezen door wetenschappers, beleidsmakers en beroepskrachten. Het is speculeren naar de reden dat er dit jaar niet opnieuw één boek van gemaakt is. Was de onderzoeksgemeenschap rond de TSS-redactie (voornamelijk wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam) het niet eens over de insteek die het jaarboek moest krijgen: praktijkgericht en activistisch of juist theoretisch en genuanceerd? Of had men het luxeprobleem dat er voldoende sponsors waren voor twee boekwerken? In elk geval is het resultaat dat er twee boeken zijn verschenen.

... die niet goed passen

Helaas zijn het twee puzzelstukken die niet goed in elkaar passen. De boeken hebben elk een heel ander karakter. De affectieve burger heeft zorgvuldige analyses, is met veel onderzoeksgegevens onderbouwd, en sluit af met conclusies met veel nuances. Het bevat zelfs zoveel bedachtzaamheid en nuance, dat de lezer met de vraag blijft zitten: zien de schrijvers ook een oplossing? Als meedoen pijn doet is emotioneler van aard, narratief en rijk aan deelconclusies die niet samen tot één stevige hoofdconclusie leiden. Bij dit boek krijgt de lezer het gevoel dat de schrijvers graag willen dat er van alles gebeurt in wijken, maar het wordt niet duidelijk waarom eigenlijk. Ook lijkt Als meedoen pijn doet een andere uitleg te hanteren van het centrale begrip ‘affectief burgerschap’: het boek heeft als rode draad de emoties die het oproept tussen burgers en overheid als er om meer eigen actie van burgers gevraagd wordt en de overheid niet meer alle problemen van burgers oplost. De twee boeken bevatten waardevolle bijdragen, maar het blijft zoeken naar de hoofdboodschap van de auteurs. Vinden ze het nu goed dat de overheid ‘affectief burgerschap’ vraagt, of zien ze er vooral nadelen en onmogelijkheden in?

Moraalridders, maar met welke wapens?

Een belangrijk dilemma dat naar voren komt uit Affectief burgerschap is het onvermogen van overheden om mensen dingen te laten doen die ze hen niet kunnen verplichten. Mensen vinden namelijk in algemene zin wel dat eigen verantwoordelijkheid goed is, maar náást overheidsverantwoordelijkheid, en ze worden huiverig als de overheid begint over eigen verantwoordelijkheid van burgers; dat wordt gewantrouwd. "De overheid is als afzender van een boodschap over het ‘nemen van verantwoordelijkheid’ niet altijd geloofwaardig" (59). Mensen betrekken de boodschap ‘we moeten meer verantwoordelijk zijn’ vooral op anderen: die frauderende buurman, die allochtoon, die uitkeringstrekker. De boodschap dat mensen meer affectief moeten zijn, wordt alleen gehoord wanneer mensen zorg aanvragen en te horen krijgen dat ze daarvoor eerst een beroep op familie, vrienden en buren moeten doen. En het is ook niet zo eenvoudig om te bedenken hoe die boodschap kan klinken als je vindt dat de overheid niet moraliserend mag zijn. Zorg voor elkaar, verantwoordelijkheid nemen voor de woonomgeving: het ‘moet’ dan maar ‘spontaan’ gebeuren door burgers zelf. En daar heeft de overheid eigenlijk nauwelijks instrumenten voor. Wat overblijft is alleen: inspelen op gevoel, ‘emotiemanagement’.

Paternalisme

Het wordt niet duidelijk wat de auteurs vinden van deze ronduit moraliserende rol van de overheid. Er wordt geconstateerd dát de overheid meer onderlinge zorg tussen burgers verwacht; en ook dat dat betekent dat de overheid in zekere zin moraliserend in het privédomein treedt. Maar is dat een goede zaak? Verschillende hoofdstukken bevatten onderzoeksresultaten over concrete voorbeelden van de manier waarop burgers tot meer ‘affectiviteit’ worden aangezet. Opmerkelijk is de evaluatie van de ‘achter de voordeur’-methode door Loes Verplanke: die aanpak is onmiskenbaar paternalistisch en normaliserend, maar wordt sympathiek beoordeeld omdat in de gehanteerde presentiebenadering respect, nabijheid en onvoorwaardelijkheid centraal staan.

Vertrouwd met het vreemde

Een ander opmerkelijk onderzoeksresultaat wordt beschreven door Femmianne Bredewold, Evelien Tonkens en Margo Trappenburg, die (met een bijdrage in beide delen van het jaarboek) beschrijven wat de waarde is van ‘wederkerigheid’ in het contact tussen mensen die elkaar helpen. Zij zetten een streep door het “dromerige en naïeve” ideaal dat ‘kwetsbare’ burgers door ‘weerbare’ burgers ondersteund kunnen worden. In de praktijk werkt het anders: buiten familie om zal het niet snel gebeuren dat iemand zonder beperkingen ondersteuning biedt aan iemand met een beperking. Kwetsbare mensen zoeken zelf namelijk het liefst contact met andere mensen die zelf ook kwetsbaar zijn. De onbalans in het geven en nemen tussen weerbare en kwetsbare mensen, maakt ongelijkwaardige relaties onaantrekkelijk voor zowel de gever als de ontvanger. Wel kunnen beiden plezier hebben in contacten die licht en afgebakend zijn en niet teveel inspanning vragen. Voorbeelden daarvan zijn kinderboerderijen of restaurants in een wijk waar mensen met een beperking werken, en waar ze wijkbewoners tegenkomen, zonder de verwachting dat dit tot intensieve contacten leidt. Mensen met een beperking kunnen hierin een voor hen en de ander duidelijke rol vervullen die hun gevoel van eigenwaarde vergroot. Het doel is dan niet om vriendschappen te laten ontstaan, de lat ligt lager: het vreemde vertrouwd maken. En dat is natuurlijk al een hele winst voor een samenleving die er tot voor kort aan gewend was dat mensen met psychiatrische problematiek ergens buiten hun gezichtsveld gehouden werden.

Overheidsrol

Van de boeken lijkt de conclusie uiteindelijk: voor burgerschap is zeker wel een overheid nodig, namelijk een die activeert, verbindt en uitnodigt. Burgers moeten veel meer voor elkaar gaan doen, en het moet voelen alsof ze dat uit eigen beweging doen: burgers moeten het zelf gaan willen. De overheid kan dit niet afdwingen, maar wel op het gevoel spelen. Burgers moeten zich moreel verplicht gaan voelen om te zorgen, en blij en trots zijn als ze voor een ander zorgen (en schuldig als ze zonder tegenprestatie uitkering trekken).

Resterende kernvragen

Twee belangrijke kernvragen blijven mijns inziens liggen in dit jaarboek. In de eerste plaats de vraag of de overheid de positie heeft om te bepalen wat mensen voor moraal moeten hebben met betrekking tot onderlinge zorg. Het principe van ‘soevereiniteit in eigen kring’ zou hier meer duidelijkheid kunnen scheppen. Een tweede kernvraag is: betekent meer affectiviteit het einde van vrijheid van individuen ten opzichte van gemeenschappen? Het betekent namelijk dat mensen die zorg nodig hebben weer meer afhankelijk worden van affectieve burgers in hun omgeving. Onderlinge hulprelaties ontstaan alleen als er niet alleen affectieve, maar ook afhankelijke burgers zijn. Het lijkt me een mooie uitdaging om in het volgende jaarboek van TSS dit ‘afhankelijk burgerschap’ te analyseren.

De analyse van Femmianne Bredewold is daarin een mooi vertrekpunt: de constatering dat kwetsbare mensen helemaal niet zo gemakkelijk en graag een langdurige afhankelijke relatie onderhouden met een ander, ‘sterker’ individu. Wel hebben ze het naar hun zin als er om hen heen relevante sociale contexten worden georganiseerd waarin ze een eigen relevante rol hebben – een bedrijfje, een winkel, een plantsoenendienst. Dat laat zien dat mensen juist tot zelfontplooiing komen als ze tot hun recht komen in een sociale context. Mensen hoeven niet bevrijd te worden van gemeenschappen; mensen komen tot ontplooiing als ze in sociale verbanden een zinvolle rol spelen.

Ieder mens is afhankelijk

Deze recensie startte met de analyse die de auteurs van De affectieve burger maakten: dat eerder vooral een beroep werd gedaan op burgerrechten, bijvoorbeeld het recht op zelfontplooiing en emancipatie; en dat het nu opeens vooral lijkt te gaan om burgerplichten, vooral de plicht om ‘affectief’ te zijn richting medeburgers. Het zou mooi zijn als in plaats van het benadrukken van deze plicht - die veel ergernis en frustratie oproept volgens de auteurs van Als meedoen pijn doet – meer de nadruk wordt gelegd op een ander soort burgerrecht: het recht van alle individuen op de ontplooiing van een waardevolle eigen rol binnen sociale verbanden. Het gaat dan niet alleen meer over de vraag hoe mensen in beweging gezet kunnen worden om meer te gaan zorgen voor een ander; maar juist over de vraag hoe mensen hun eigen plek kunnen vinden te midden van anderen. Een eigen plek heeft iedereen nodig, alle  burgers zijn ‘afhankelijk’ - ze komen juist tot hun recht in relatie tot anderen. Dat betekent dus herwaardering van afhankelijkheid als positieve waarde.

Dr. Marja Jager-Vreugdenhil promoveerde vorig jaar op het proefschrift ‘Nederland participatieland? De ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de praktijk in buurten, mantelzorgrelaties en kerken’ (Amsterdam: AUP). Ze is onderzoeker aan het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken (Gereformeerde Hogeschool Zwolle) en voorzitter van Present Veenendaal.

© WI ChristenUnie