De staat als nood-zaak


Door Geert Jan Spijker

De rijksoverheid verplaatst zorgtaken naar gemeenten en 'geeft verantwoordelijkheden terug' aan burgers. Betekent dit het einde van de verzorgingsstaat? Het begin van een nieuw tijdperk van 'onderlinge verantwoordelijkheid en samenredzaamheid' met de overheid op afstand? En is dat eigenlijk wel zo sociaal?

Noden en wensen

Om die laatste vraag te kunnen beantwoorden, kan het geen kwaad eens terug te gaan naar de periode van de opbouw van de verzorgingsstaat, rond de jaren vijftig. Kees Schuyt constateert in Noden en wensen[1]dat het in die beginfase ging “om de leniging van noden, urgente behoeften van bepaalde groepen, die hun directe bestaanszekerheid aantastten en waarin niet op familiale basis kon worden voorzien. Bovendien stonden soberheid en eenvoud van uitkeringen centraal, waarbij op geen enkele wijze werd voorbijgegaan aan eigen verantwoordelijkheid, initiatieven van en aansporingen voor de betrokkenen."

Na 1965 start de uitbouw van de verzorgingsstaat, waarin naast noden ook steeds meer wensen van burgers gehonoreerd worden. Die periode duurt tot eind jaren tachtig, als bijvoorbeeld voor alle studenten studiefinanciering en een ov-jaarkaart  worden ingevoerd. Men begint in te zien dat de verzorgingsstaat in die omvang niet langer houdbaar is: het stelsel wordt onbetaalbaar en de burger begint zich calculerend te gedragen. Hij begint te rekenen op allerlei soorten overheidssteun en subsidies.  

In de  jaren negentig wijzigt er veel in het stelsel, maar wordt het probleem niet bij de wortel aangepakt. Een fundamentele aanpak is vereist. Schuyt betoogt dat we het onderscheid tussen noden en wensen weer centraal moet zetten. Bij noden gaat het om de vervulling van een noodzakelijke voorwaarde voor een fatsoenlijk menselijk bestaan, bij wensen ontbreekt die noodzaak. Schuyt ziet het onderscheid vooral toepasbaar bij de vraag waar collectieve verantwoordelijkheid op zijn plaats is en waar individuele verantwoordelijkheid begint.

Maakbaarheidsgeloof

Als we deze aanzet willen uitwerken, moeten we ons wel realiseren dat de samenleving erg veranderd is. De grootste verandering is, in de ogen van Schuyt, dat “nu veel gemeenschappelijke sociale verbanden met hun eigen sociale controle zo goed als geheel zijn verdwenen en zijn vervangen door puur administratief werkende grote en logge bureaucratieën. En dat werkt fraude van 'Bulgaarse spookburgers' in de hand. Collectieve regelingen, die niet meer gedragen worden door sociale verbanden zijn het meest kwetsbaar voor oneigenlijk gebruik en fraude, aldus Schuyt.

Daarnaast is er sinds de jaren vijftig een enorme toename van maakbaarheidsgeloof, dat de laatste jaren zelfs radicaler wordt. De bestuurskundige Willem Trommel spreekt van 'gulzig bestuur'.[2] Die gulzigheid komt voort uit de angst voor een dreigend verlies. De overheid is haar greep op de sociale werkelijkheid aan het kwijtraken. Het verzorgingsstaatideaal is verdampt en het vroegmoderne planningsoptimisme is voorbij, constateert hij. We zien in dat we niet alles in de hand hebben en van bovenaf kunnen sturen. Sterker: we hebben gemerkt dat overheidssturing allerlei problematische neveneffecten heeft - denk aan de ooit goedbedoelde hypotheekrenteaftrek. Onze verzorgingsstaat staat bovendien onder grote druk door de globalisering. Hoe gaan we om met Polen en Roemenen die hier werken? Kortom, een diep besef van greeploosheid maakt zich van ons en de overheid meester. Toch is de mythe van de beheersing springlevend. De overheid hongert naar orde. Ze weet dat ze die niet meer kan opleggen, maar juist daarom doet ze er een schepje bovenop, in de vorm van toezichtsorganen, regels en protocollen. Ze laat de touwtjes niet los, ze worden hooguit wat langer. De overheid wil dat burgers meer zelf gaan doen, en zich meer tot noden beperken, maar wil tegelijk wel een oogje in het zeil houden vanuit Den Haag.

Decentralisatie

En de decentralisatie dan? Die laat toch juist ruimte voor maatschappelijke diversiteit en lokale veelkleurigheid? In zijn Rietkerklezing van 3 september jl. betoogt Herman Sietsmadat we de huidige decentralisatie met een korreltje zout moeten nemen.[3] De taakverschuiving vraagt zoveel uitvoeringskracht van gemeenten dat ze ofwel minimaal 100.000 inwoners moeten hebben ofwel intensief moeten gaan samenwerken. Mag dat nog decentralisatie heten? Er komt bovendien een nog nooit vertoonde hoeveelheid geld terecht bij samenwerkingsverbanden: 16 miljard, waar dus geen democratische controle op is. De rol voor de gemeente en de raad (en de burger) wordt daarmee kleiner. Is er en alternatief? Volgens Sietsma is het verrassend eenvoudig: taken waarvoor gemeenten (structureel) te klein zijn, worden door de provincie behartigd. Misschien is een taak als de jeugdzorg wel het meest thuis bij de provincie.

De verzorgingsstaat heeft het publieke domein te complex gemaakt  en teveel verantwoordelijkheden van burgers 'afgenomen'. De rijksoverheid probeert nu terecht taken 'terug' te geven aan de burger, maar het gaat niet van harte. In een christelijk-sociale overheidsvisie gaat het om publieke gerechtigheid: (1) het beschermen van kwetsbaren die met echte nood te maken hebben en (2) het scheppen van randvoorwaarden voor het goede leven - dat is leven in dienstbaarheid aan elkaar en aan God, aldus Sietsma. Als de overheid dat weet mogelijk te maken - of niet in de weg staat - is dat voldoende. Dat vraagt van burgers nieuw verantwoordelijkheidsbesef en van de overheid het loslaten van centralistisch maakbaarheidsgeloof.

Geert Jan Spijker is adjunct-directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie



[1] Noden en wensen. De verzorgingsstaat gezien als historisch fenomeen. Oratie bij aanvaarding van J.A.A. van Doorn leerstoel 24-6-2013.

[2] Gulzig bestuur. Oratie bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar beleids- en bestuurswetenschappen aan de VU Amsterdam, 17-9-2009.

[3] Organiseren van openbaar bestuur: chirurgisch of organisch?, Rietkerklezing Zwolle, 3-9-2013.

© WI ChristenUnie