De politiek heeft teveel vertrouwen in de ICT

 
ICT in dienst van de economie?

Door Melle de Vries

Het is nog niet zo heel lang geleden dat de internetzeepbel klapte. De verwachtingen van ICT, het internet en de daaraan gerelateerde bedrijvigheid waren eind vorige eeuw hooggespannen en toen de zeepbel in 2000 klapte, geraakte ons land in een economische recessie. Inmiddels bevinden we ons weer in een recessie, hebben we al enkele jaren te maken met een economische crisis en toch zijn de verwachtingen van internet en ICT opnieuw hooggespannen. Met een digitale agenda hopen de Nederlandse overheid en de EU de economie weer uit het slop te halen. Tegelijkertijd houden de antigeluiden rondom ICT niet op: cybercriminaliteit, geldverslindende en mislukte ICT-projecten bij de overheid, cyberpesten en de slechte invloeden van ICT voor kinderen[1]. Hoe houden we greep op de technologie die een steeds grotere greep op ons heeft? En wat kan of moet de overheid hierin doen?

In dit artikel ga ik in op de relatie tussen ICT en samenleving en wat overheid en politiek hierin van plan zijn. Het valt op dat zowel de EU als de Nederlandse overheid een tamelijk instrumentele visie op ICT hebben en ICT vooral in dienst van de economie stellen. Aan het eind van dit artikel formuleer ik enkele aanbevelingen ten aanzien van ICT voor de politieke agenda.

ICT verandert onze samenleving

Eind 2012 is – al voor de negende keer – een jaarboek over de relatie tussen ICT en samenleving uitgebracht[2]. In het inleidende hoofdstuk wordt ingezet bij het bijzondere karakter van ICT: een technologie die steeds meer verweven raakt met ons dagelijkse doen en laten. Er ontstaat een andere economie en dat is ook de rode draad in de bundel: ICT als transformerend potentieel voor onze economie. Starre ‘fysieke’ organisaties maken plaats voor dynamische ‘virtuele’ organisaties. Verdienmodellen veranderen en ook de kwetsbaarheden komen anders te liggen. Ook voor gebruikers van ICT verandert er veel. Letterlijk en figuurlijk zit de gebruiker meer ‘aan de knoppen’. Dat brengt veel nieuwe mogelijkheden met zich mee, maar ook meer verantwoordelijkheden - vaak ten koste van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De impact is meestal moeilijk te overzien en te voorzien.

Uit de introductie blijkt dat de redacteuren een optimistisch boek voor ogen hadden. Het is goed om in tijden van (economische) crisis de kansen te belichten, maar het is ook belangrijk dat de keerzijden en overblijvende vraagstukken voldoende belicht worden. Twee bijdragen in de bundel vragen tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de ICT expliciet aandacht voor een debat over normen en waarden. Deze bijdragen geef ik hieronder beknopt en met instemming weer[3].

ICT als ontwrichtende technologie

De Tilburgse hoogleraar Gerard van Oortmerssen spreekt over ICT als een disruptieve (=ontwrichtende) technologie. Hij stelt dat door de hoge veranderingssnelheid het feitelijk gebruik van nieuwe technologie voorloopt op de ontwikkeling van ons begrippenkader en taal, waardoor ons conceptueel vermogen om de werkelijke aard van de revolutie die we nu meemaken te bevatten en erover te communiceren achterblijft.  ICT is niet alleen een enabling technologie, maar een technologie die leidt tot innovatie en verstoring van bestaande processen en instituties. Voor het disruptieve karakter van ICT wijst de auteur vier onderliggende trends aan: compressie (alles wordt steeds kleiner), connectiviteit (alles wordt verbonden), convergentie (alles versmelt) en complexiteit. Door deze trends kan emergent (=niet voorzien) gedrag ontstaan. De ontwikkeling van ICT roept filosofische en ethische vragen op waar we nog geen antwoord op hebben. En we kunnen die ontwikkeling maar zeer ten dele beïnvloeden.

Van Oortmerssen noemt als eerste uitdaging van ICT voor deze tijd de ethische aspecten. Hij heeft het dan over de misdaden die met ICT gepleegd kunnen worden, maar ook over ongewenste effecten als verslaving en verschraling van intermenselijk contact. Ook vraagt hij zich af hoe de zich verder ontwikkelende ICT in de toekomst met óns omgaat. Het is volgens hem hoog tijd  dat er een publiek debat komt over wat wij echt belangrijk vinden in het leven, wat onze gemeenschappelijke waarden zijn en hoe technologie ons kan ondersteunen om die waarden te realiseren. We moeten volgens hem een goede balans vinden tussen leven in de fysieke wereld en leven in de virtuele wereld.

Het informationele wereldbeeld is incompleet

Ook Rinie van Est en Linda Kool (van het Rathenau Instituut) pleiten in hun bijdrage voor een debat over normen en waarden. Zij beschrijven aan de hand van twee concrete voorbeelden hoe ICT de werkelijkheid verandert. Zij noemen drie niveaus van technologische invloed:

1) directe lokale, fysieke en zichtbare invloed;

2) invloed op de werking van socio-technologische systemen zoals sociale en culturele patronen en instituties;

3) invloed op mondiale trends: technologisch, economisch, sociaal, ecologisch, enz.

De innovatie- en transformatiekracht van ICT heeft veel te maken met het feit dat ICT eenvoudig mengt met andere technologieën. Echte doorbraken vinden vaak plaats op de grenzen tussen sectoren. Een belangrijke ontwikkeling is de toenadering tussen natuurwetenschappen (nanotechnologie en informatietechnologie) en levenswetenschappen (biologie en hersenwetenschappen). Deze convergentie wordt gedreven door een informationeel wereldbeeld: leven als een informatiesysteem. Het gaat dan niet meer alleen om beheersing, zoals in het mechanische wereldbeeld, maar ook om programmeerbaarheid en manipuleerbaarheid. “Hoe meer we weten van cognitieve en emotionele processen, des te meer vragen dit oproept over hoe we deze data kunnen en willen gebruiken. (…) Welke data en technieken zijn acceptabel om mensen te beïnvloeden?” (51) Ondertussen laten wij mensen ons op allerlei manieren beïnvloeden. Zo langzamerhand is ons hele leven een grote commerciële ervaring aan het worden.

De politieke claim dat technologische vooruitgang (niveau 1) ook leidt tot meer welvaart en welzijn (niveau 2 en 3), is volgens Van Est en Kool niet vanzelfsprekend legitiem. “Om politieke sturingsmogelijkheden te ontdekken is het belangrijk om te erkennen dat op het functionele (1) en systemische (2 en 3) niveau andere principes gelden. Op het functionele niveau domineert het informationele wereldbeeld. (…) Het grote gevaar is dat het informationele wereldbeeld de dominante manier wordt waarop wij als mensen naar onszelf en de wereld om ons heen gaan kijken. (…) [Het is] van cruciaal belang dat het informationele wereldbeeld gecompleteerd wordt met een sociaal en politiek perspectief dat de wereld begrijpt  als het geheel van normen, waarden en sociaal-culturele betekenissen.” (58) Tegen deze achtergrond is de vraag relevant hoe ICT op de politieke agenda staat.

EU: De digitale agenda van Kroes

In 2010 bracht Eurocommissaris mevrouw Kroes een digitale agenda voor Europa[4] uit. Deze agenda heeft een hoog maakbaarheidsgehalte en staat geheel in het licht van economische groei. Direct aan het begin wordt al gesteld: “De Digitale Agenda moet uitmonden in een digitale eengemaakte markt die duurzame economische en sociale voordelen creëert op basis van snel en ultrasnel internet en interoperabele toepassingen.” En even verder: “De voorstellen in het kader van de Digitale Agenda zullen het pad effenen voor de kenteringen die zich als gevolg van de toenemende digitalisering van de economie en de samenleving zullen voordoen.” De Digitale Agenda is één van de zeven ‘vlaggenschipinitiatieven’ om de EU uit de crisis te helpen. “Dankzij een grootschaliger en efficiënter gebruik van digitale technologieën zal Europa zijn kernuitdagingen kunnen aangaan en zullen de Europeanen hun levenskwaliteit zien verbeteren dankzij, onder meer, betere gezondheidszorg, veiligere en efficiëntere vervoersoplossingen, een schoner milieu, nieuwe mediamogelijkheden en vlottere toegang tot overheidsdiensten en culturele inhoud.”

Nederland: eenzijdig economische oriëntatie

De Nederlandse overheid heeft in 2011 in aansluiting op de EU een eigen digitale agenda[5] uitgebracht.   Al in de inleiding valt de instrumentele visie op ICT op. Er wordt weliswaar gesteld dat ICT een onlosmakelijk onderdeel is van onze werk- en leefomgeving en dat ICT structurele veranderingen in economie en maatschappij tot gevolg heeft, maar toch wordt alles door de economische bril bekeken en niet vanuit een breder ethisch kader. Kort gezegd komt het er op neer dat de overheid er met deze agenda voor wil zorgen dat:

1) er meer ruimte komt voor ondernemers om slimmer te werken,

2) er een snelle en open infrastructuur beschikbaar komt en blijft,

3) die infrastructuur met vertrouwen gebruikt kan worden en

4) daarvoor voldoende kennis en vaardigheden op de werkvloer zijn.

Zo worden we “meer en meer de Digital Gateway to Europe”. Zelfs het vertrouwensaspect, het derde punt uit de digitale agenda, wordt verbonden met de economische groei: “Gebrek aan vertrouwen in ICT is ongewenst omdat het economische groei schaadt.”

De ChristenUnie over ICT

Staat ICT voldoende op de politieke radar? En zo ja, maakt die aandacht voor ICT dan ook deel uit van een meer omvattende visie? Van de huidige partijen in de Tweede Kamer hebben de VVD, PVV en 50plus niet of nauwelijks aandacht voor ICT in hun programma’s. De andere partijen besteden meer aandacht aan ICT, maar het blijft veelal instrumenteel. ICT wordt als een oplossing gezien voor maatschappelijke vraagstukken, zoals in het onderwijs, de zorg en de publieke dienstverlening door de overheid. Diverse partijen pleiten voor een vrij internet. Daarnaast worden ten aanzien van ICT vraagstukken gesignaleerd zoals een tekort aan kennis op dat terrein, de cybercriminaliteit en schending van privacy.

De ChristenUnie pleit in haar verkiezingsprogramma ook voor een vrij en toegankelijk internet, maar slaat daarin niet door zoals de andere partijen. Zo wil de ChristenUnie dat internetfiltering mogelijk blijft, de privacy beschermd wordt, internet- en gameverslaving tegengegaan wordt en dat ook in het digitale domein er een plaats is voor een publieke en pluriforme omroep. De SGP spreekt nauwelijks over ICT maar wel over technologie en waarschuwt vooral tegen de mogelijkheden om het leven op aarde naar eigen hand te zetten. Het CDA vindt dat een samenleving wordt gebouwd op gedeelde waarden en daarvoor is een maatschappelijk debat nodig, zeker met alle veranderingen die op ons afkomen waaronder een informatietechnologische revolutie.

Het regeerakkoord

Eind 2012 hebben VVD en PvdA in hun regeerakkoord met betrekking tot ICT een aantal zaken vastgelegd. Zo willen ze de overheidsdienstverlening verbeteren: uiterlijk eind 2017 moeten bedrijven en burgers al hun zaken met de overheid digitaal kunnen afhandelen. Verder komen er in aansluiting op de digitale agenda tien doorbraakprojecten[6], onder meer gericht op het gebruik en de kennis van ICT. De regering is zich bewust van toenemende bedreigingen en kwetsbaarheden op het terrein van cybersecurity en wil daar ook wat aan doen.  Ten slotte zet de regering publiek toegankelijke informatie over kwaliteit in de zorg en een betere aansluiting van ICT-systemen in de strafrechtketen op haar agenda.

In de Visiebrief digitale overheid 2017[7] aan de Tweede Kamer laat het kabinet merken dat een deel van de bevolking kritisch staat ten opzichte van verdergaande digitalisering. De kritiek betreft dan ofwel het gebrek aan vaardigheden, ofwel de angst voor verlies van privacy. “Hiervoor moet altijd aandacht zijn en naar een oplossing worden gezocht.” Het kabinet wil daarom burgers nog actiever betrekken bij de doorontwikkeling en het testen van ICT-voorzieningen. Burgers moeten ook eenvoudig kunnen inzien welke gegevens over hen zijn vastgelegd en aan wie deze worden verstrekt.

Het is bepaald niet zo dat het kabinet te weinig doet met ICT. Integendeel, het voorafgaande toont  het grote vertrouwen dat het kabinet heeft in ICT. In de afgelopen jaren heeft de Algemene Rekenkamer echter kritische kanttekeningen geplaatst bij de ICT-projecten van de overheid en onlangs nog constateerde ze[8] dat die lessen nog niet zijn geleerd.

Aanbevelingen

Wat zou de overheid beter kunnen doen ten aanzien van ICT? Ik rond af met enkele aanbevelingen. 

  • De overheid moet leren van de lessen uit het verleden, zowel van de mislukte ICT-projecten als van alle bedreigingen op het terrein van ICT. De overheid moet zich actiever opstellen in het debat over ICT en dan niet alleen vanuit het perspectief van kansen (technologische vooruitgang leidt tot meer welvaart en welzijn), maar ook vanuit de openstaande (ethische en politieke) vraagstukken. Wordt het zogenaamde 'tegendenken'[9] wel gefaciliteerd?
  • De overheid moet beseffen hoe zij zelf op allerlei manier beïnvloed is door ICT en wat daarvan de consequenties zijn, bijvoorbeeld als het gaat om de kluwen van informatiestromen en informatienetwerken die ontstaan is. De WRR[10] zette in dit kader onlangs nog kritische kanttekeningen bij het ‘technovertrouwen’ van politiek en overheid en vraagt aandacht voor een zorgvuldige afweging van waarden bij de beoordeling van initiatieven met ICT.
  • Politici moeten beseffen dat de invloed van internet en ICT heel groot is en dat een debat over normen en waarden alleen maar belangrijker is geworden. De publicist Louis Stiller stelt[11]: “Waar vorm vervaagt, is de kans groot dat de norm vervaagt. In de anonimiteit en vaagheid van het internet is het nu eenmaal gemakkelijker om je emoties te laten gaan en grenzen te overschrijden.” De eenzijdige pleidooien voor een vrij internet laten ongenoemd dat de vrijheid voor de één kan leiden tot onvrijheid van de ander[12].
  • Ook richting de Europese Unie moet duidelijk gemaakt worden dat de dominantie van de economie en het negeren van morele waarden nadelige gevolgen heeft. Sander Luitwieler stelt in de recent verschenen WI-publicatie[13]: “De Europese Unie zit momenteel op het verkeerde spoor. Haar neoliberale koers zet te eenzijdig individu en economie centraal. Daardoor is Europa verschraald en verworden tot ‘supermarkt’”.
  • Het is goed om waakzaam te zijn voor een te sterke afhankelijkheid van ICT. Want niet alles is ICT en ICT is ook niet alles. De filosoof Michael Sandel waarschuwt[14] voor de uitlevering van morele waarden en publieke goederen aan de marktwerking. Net zoals de markt door sommigen als een oplossing voor (bijna) alles wordt gezien, zo dominant lijkt soms de positie van ICT. Wat met ICT mogelijk is, dat moet ook gebeuren, en wat met ICT niet gevonden kan worden, dat bestaat niet. Echter, niet alles is ICT.

Samenvatting:

  • ICT brengt veel kansen en ook veel vraagstukken
  • De politiek heeft te veel vertrouwen in ICT
  • Er is meer debat nodig over de keerzijden van ICT

Drs. Melle de Vries studeerde informatica en filosofie en is nu werkzaam als beleidsdirecteur bij de KNAW.



[1] In NRC Handelsblad van 24 juni 2013 wordt het boek Digitale dementie: Hoe wij ons verstand kapot maken van Manfred Spitzer besproken: “Hoe meer kinderen met ‘beeldschermen’ bezig zijn, des te slechter het is voor hun concentratievermogen, taalverwerving en sociale vaardigheden.” In NRC Handelsblad van 28 juni 2013 reageert Patti M. Valkenburg dat de internetschade niet overdreven moet worden.

[2] Corien Prins, Anton Vedder en Frans van der Zee (red.). 2012. De Transformerende Kracht van ICT - Jaarboek ICT en Samenleving 2012. Gorredijk: Media Update.

[3] De overige bijdragen zijn gerichte essays over bepaalde onderwerpen, zoals ‘big data’, ‘creatieve industrie’, ‘open access’, ‘het nieuwe werken’ en de toepassing van ICT in sectoren als  energie, onderwijs en zorg.

[6] “Doorbraakprojecten met ICT hebben als doel een bijdrage te leveren aan economische groei, regeldrukvermindering, kwaliteitsverbetering en de verbetering van de concurrentiepositie van Nederland door efficiënter en grootschaliger gebruik van ICT. Maatschappelijke vraagstukken worden opgelost door het creëren van doorbraken in gebruik van ICT met een duidelijk en herkenbaar effect voor ondernemer en/of burger.”

[9] De term is van de filosoof Hans Achterhuis.

[10] Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 2011. iOverheid. WRR-rapport 86. Amsterdam: Amsterdam University Press. (http://www.wrr.nl/publicaties/publicatie/article/ioverheid)

[11] In NRC Handelsblad van 22 juni 2013. Ons leven speelt zich steeds meer af in het grenzenloze virtuele domein en dat heeft ook gevolgen voor onze houding in de reële wereld. Ons leven wordt door schermen geregeerd, of we het nu willen toegeven of niet.

[12] Zo ook Johan Graafland in zijn bijdrage in G.J. Spijker (red.). 2010. Vrijheid: Een christelijk-sociaal pleidooi. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief.

[13] Sander Luitwieler. 2013. In verscheidenheid verenigd. Een positief-kritische visie op de Europese Unie. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief.

[14] Michael J. Sandel. 2012. Niet alles is te koop. De morele grenzen van marktwerking. Utrecht: Ten Have. Zie het vorige nummer van Denkwijzer (2013/1, p.16-19) voor een bespreking van dit boek.

© WI ChristenUnie