'Burgers zijn de belangrijkste bron van vernieuwing'


Interview met Evelien Tonkens


Door Geert Jan Spijker en Wouter Beekers

Evelien Tonkens houdt zich al jaren bezig met actief burgerschap, en het thema is actueler dan ooit. Steeds meer wordt er van burgers gevraagd in deze tijd van decentralisatie. De overheid doet nadrukkelijk een beroep op de 'eigen verantwoordelijkheid' van de burger. Tonkens is hier kritisch over. Eerder schreef ze al dat de overbelaste burger 'als kleinduimpje het bos wordt ingestuurd en maar moet zien hoe hij thuiskomt'. In de dit jaar verschenen bundels De affectieve burger en Als meedoen pijn doet wordt die kritische lijn voortgezet.

Haar voornaamste bezwaar tegen de heersende 'eigen verantwoordelijkheid-ideologie' is dat de burger niet meer hulp of keuzevrijheid krijgt, maar wel meer plichten. Hij moet zelf actief werk zoeken, zelf inburgeren, enzovoorts. De overheid houdt de burgers een gewenst handelingsperspectief voor, wat de burger daarna mag gaan vertonen. Er is daardoor behoefte aan meer controleurs en straffers, en dat gaat ten koste aan de helpers. Het motto lijkt vooral: help jezelf! Sociaal zwakkeren worden hier de dupe van. De vraag is hoe we burgers meer ruimte geven zonder de meest kwetsbaren - degenen die overheidszorg 'echt nodig hebben' - aan hun lot over te laten. Een vraag die in feite al speelt sinds de jaren zeventig.   

Sociologen als Van Doorn en Schuyt oordeelden eind jaren zeventig dat er een crisis in de verzorgingsstaat was ontstaan. Er waren te hoge verwachtingen van het systeem, en te lage van de burger. Is hun analyse nog steeds relevant?

We zijn nog steeds op zoek naar een goede verhouding tussen overheid, markt en maatschappelijk initiatief. Na de oorlog stond de samenleving nog centraal, maar vanaf de jaren zestig kreeg de overheid steeds meer het primaat. Vanaf de jaren tachtig begon de markt te domineren. Momenteel krijgen we terecht weer oog voor burgerlijke initiatieven. En dan doel ik niet alleen op acties van individuele burgers, maar ook op die van maatschappelijke organisaties, diverse soorten partijen, groepen ouders. Centraal staat bij mij de vraag: hoe kunnen mensen met goede ideeën ook daadwerkelijk de ruimte krijgen om die ideeën te realiseren? Hoe zorgen we ervoor dat meedoen en meepraten samengaan?

Moet de overheid terugtreden om die ruimte voor burgers mogelijk te maken?  

De overheid blijft belangrijk om een goede kwaliteit te waarborgen, ze moet een basis garanderen. Als burgers echter zelf opvattingen hebben hoe bepaalde dingen beter kunnen - rond bijvoorbeeld energie, kinderopvang, zorg - dan moeten ze van gemeenten de ruimte krijgen om die te uiten en uit te voeren. Dat, en niet de bureaucratieën van overheid en markt, is de belangrijkste bron van innovatie. Als burgers met hetzelfde beschikbare overheidsgeld betere plannen hebben dan de ambtenaren, dan moeten ze die kunnen uitvoeren. De overheid moet vervolgens wel aanspreekbaar blijven op een minimum aan kwaliteit. Het moet niet zo zijn dat de schommels in de speeltuin ineens levensgevaarlijk worden.

Burgers moeten dus de ruimte krijgen in de lokale samenleving. Geldt dat volgens u ook voor levensbeschouwelijke instellingen? Organisaties als Youth for Christ zijn nog weleens belemmerd in hun welzijnswerk vanwege hun identiteit.

Een levensbeschouwing kan een belangrijke motivatie tot goed werk zijn, dat moeten we waarderen. Een eigen visie op goede zorg werkt erg stimulerend en komt de diversiteit ten goede. Juist vanuit breed maatschappelijk initiatief kan vernieuwing ontstaan. Ik vind wel van belang dat er meerdere aanbieders zijn binnen een wijk, dus niet alleen maar een christelijke of een antroposofische. Maar voor homogeniteit, zoals je die ziet bij grootschalige organisaties in zorg en onderwijs, ben ik beducht. Het wordt gevaarlijk als iedereen hetzelfde moet gaan denken en doen. Nu heeft iedereen zijn mond vol van 'eigen verantwoordelijkheid' en 'eigen kracht', het lijkt wel alsof er niemand is die het er niet mee eens is. Er moeten toch andere verhalen over de samenleving zijn.

U heeft het over een hard, neoliberaal verhaal dat dominant is.

Ja, het is een eenzijdig en leeg verhaal. Ook erg bestraffend overigens, in de zin van 'Jullie zijn niet zelfredzaam genoeg, burgers! Jullie moeten zelfredzamer worden!' Als je mensen in beweging wilt krijgen moet je een positiever verhaal vertellen. En als je mensen meer verantwoordelijkheid wilt geven, moet je zorgen dat ze ook meer te zeggen krijgen. Op die punten doen ze het in Groot-Brittannië rond Big Society beter. .

In de verschenen bundels is wederkerigheid een belangrijke notie. Wat wordt daar concreet mee bedoeld?

De notie wederkerigheid biedt zeker aanknopingspunten in deze tijd. Het gaat om halen en brengen. Bijstandsgerechtigden hebben nu terecht een sollicitatieplicht. Ze dragen overigens ook graag bij aan de maatschappij - mits ze op den duur een perspectief krijgen op betaald werk of een vergoeding. Mooie voorbeelden van wederkerigheid zie ik in Scandinavië. Als je daar werkloos wordt dan kunnen je kinderen gewoon op de kinderopvang blijven, maar er wordt wel van je verwacht dat je een of meer dagdelen op de opvang komt ondersteunen. Dat zorgt ook meteen voor sociale contacten.  

Er gaan momenteel allerlei zorgtaken van het rijk naar gemeenten. Een goede ontwikkeling?

Schaalverkleining is goed, maar een gemeente is dan nog steeds heel groot. Mensen herkennen zich niet meer in hun gemeente dan in het rijk. Uiteindelijk loopt de zorg via een concreet persoon, een mens van vlees en bloed. Die staat centraal. Herkenbare schaal is: 'als er dit aan de hand is, dan kan ik die bellen'. Verder zie ik weinig innovatie op gemeenteniveau en vooral chaos, want heel veel organisaties aan een tafel.. Decentralisatie heeft zin als je ook echt bevoegdheden en macht decentraliseert: dus niet tegelijkertijd bezuinigen, ook ambtenaren van het rijk naar gemeenten verplaatsen, en gemeenten de mogelijkheid geven om zelf belastingtarieven te bepalen voor hun diensten. Ook dat doen ze in Scandinavië beter.

Maar er moet toch bezuinigd worden?

Ik vind het jammer dat de huidige ontwikkelingen vooral bezuinigingsgedreven zijn. Kom eerst eens tot een goede probleemanalyse! Op ouderenzorg wordt bijvoorbeeld veel gekort, terwijl die sector niet voor de grote kostenstijging in zorgt. Hoe komt dat? Waarom maken we die keuze eigenlijk? Is dat solidair?  

De Wet Maatschappelijke Ondersteuning zet niet alleen gemeenten centraal, maar familie en wijk. Men moet meer voor elkaar gaan zorgen, en daar ook zin in krijgen. In uw ogen is er sprake van een "hardhandige affectieve revolutie", waarin de overheid onze emoties stuurt en ons wil motiveren tot onderlinge zorg waarbij we een goed gevoel krijgen. We moeten het dus 'fijn' gaan vinden om te zorgen voor elkaar. De burgers moeten mee in overheidsbeweging, maar het moet voelen alsof ze het zelf willen. Hoezo bent u daar zo kritisch op? Onderlinge zorg is toch prima?

De afhankelijkheid verschuift momenteel van de overheid naar de familie. Maar wat bedoelt men met familie? Het wordt alleen goedkoper als je meer verwacht van wie al het meeste doen aan mantelzorg: vrouwen van boven de 55. Is dat de bedoeling, zeg dat dan eerlijk. Als je het van andere groepen verwacht, gaat het ten koste van de arbeidsparticipatie en dat is met het oog op vergrijzing van de beroepsbevolking vast niet de bedoeling. Zorgafhankelijkheid binnen de familie betekent ook gevoelens van angst en vooral schaamte, daar moeten we realistisch over zijn. Bovendien zijn de afstanden tussen familieleden toegenomen vergeleken met vroeger.

De overheid wil ook de wijkgerichtheid stimuleren. Haalbaar?  

Ook dit is leuk bedacht. Maar uit onderzoek van onder meer Marja Jager en Femmianne Bredewold is gebleken dat men in de buurt vooral oppervlakkige contacten verlangt. Elkaar groeten, op de kat van de buren passen tijdens de vakantie, dat soort dingen. Zorg bieden is een heel ander verhaal, dat wil men meestal niet. Als het gaat om zorg voor dementerende ouderen, psychiatrische patienten en verstandelijk gehandicapten in de wijk is het extra lastig, want er is sprake van structurele ongelijkheid. Het is daarbij belangrijk grenzen te stellen, anders worden de verzorgers uitgeput. Mensen met een beperking kunnen wel goed aan het werk in de buurt, bijvoorbeeld in een fietsenwerkplaats of een kinderboerderij. Dat biedt begrensde contacten, die functioneren wel goed.

Wat vraagt deze ontwikkeling van raadsleden en wethouders?

Lokaal moet men goed in beeld krijgen op welke groep het straks neerkomt. Wie zijn de echte kwetsbaren, wie zijn de vrijwilligers? Wat gaat daarmee gebeuren? En willen we dat? Kortom: weet wat je wilt en wees daar open over!


Prof. dr. Evelien Tonkens is hoogleraar Actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. Haar oratie was getiteld
De bal bij de burger (2008). Eerder dit jaar verschenen onder haar leiding de twee bundels De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid en Als meedoen pijn doet. Affectief burgerschap in de wijk.

© WI ChristenUnie