Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm


Recensie


-----
Daron Acemoglu en James Robinson, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2012
-----

Door Peter Mulder

De geschiedenis leert dat economie te belangrijk is om aan de markt over te laten. Diezelfde geschiedenis laat ook zien dat marktpartijen al sinds mensenheugenis proberen de overheid voor hun karretje te spannen. In 1666 en 1678 lobbyden Engelse wolfabrikanten bij het parlement voor wetgeving die het dragen van katoenen stoffen zou verbieden en het strafbaar zou stellen om een dode in iets anders dan een wollen lijkkleed te begraven. Daar bleef het niet bij. Tussen 1696 en 1698 gingen wolfabrikanten een verbond aan met zijdewevers om de import van textiel uit Azië te beperken. Met succes, want de Calico Act van 1721 bepaalde dat vanaf 25 december 1722 niemand in Groot-Brittannië “nog enig bedrukt, beschilderd, gekleurd of geverfd kledingstuk van katoen mag gebruiken of dragen”.

Venetië

Het is een van de vele anekdotes in dit briljante boek, dat fraai laat zien dat staat en markt van oudsher sterk wederzijds afhankelijk zijn. Zonder goed functionerende markten raken overheden in de problemen, overal en altijd: van het Romeinse Rijk tot de koloniale grootmachten Spanje en Portugal, van het Habsburgse Rijk tot de Sovjetunie, Van Sierrra Leone tot Zimbabwe. Maar zonder goed functionerende overheden raken markten ook in de problemen, overal en altijd. In de middeleeuwen was Venetië misschien wel de rijkste plek in de wereld, dankzij een reeks van innovaties op het gebied van handelscontracten. Echter, toen de gevestigde Venetiaanse elite steeds meer macht verloor aan de nieuwe Venetiaanse rijken, monopoliseerden zij via slinkse wetgeving stapsgewijs de handel. Snel na deze politieke stap zette het economische verval in, en in plaats van nieuwe handelsroutes en economische instituties op te zetten maken de Venetianen nu pizza, ijs en gekleurd glas voor toeristen – aldus de auteurs.

Instituties doorslaggevend

Waarom zijn sommige landen rijk en andere arm? Dit is een grote vraag, misschien wel de grootste in de economie. De Amerikaanse economen Acemoglu en Robinson – beiden behorend tot de absolute wereldtop – schrikken er niet voor terug om een helder antwoord te geven. Op basis van 15 jaar hoogstaand academisch onderzoek betogen zij dat niet cultuur, geografie of kennis, maar de kwaliteit van instituties in een land het verschil maakt tussen economische bloei en economische crisis. Onder instituties verstaan zij die machten die de regels van het economische spel bepalen: de trias politica, inclusief instanties als de centrale bank en toezichthouders. De hamvraag is: heeft een land politieke en economische instituties die het mogelijk maken dat de meeste mensen overeenkomstig hun talenten en vaardigheden kunnen deelnemen aan economische activiteiten en dat ze eigen keuzes kunnen maken? In het boek worden dit 'inclusieve instituties' genoemd. Of zijn de instituties 'extractief', dat wil zeggen gericht op het verrijken van de elite en het beschermen van gevestigde belangen? Aan de hand van veel historisch materiaal laat dit boek zien dat inclusieve instituties het beste gedijen in een samenleving waarbij er een balans is tussen enerzijds ruimte voor pluralisme en anderzijds een zekere mate van centraal staatsgezag.

Gaat China de VS voorbij?

Op een overtuigende manier wordt aangetoond dat landen met extractieve politieke instituties wel degelijk stappen kunnen zetten richting inclusieve economische instituties, maar dat de hieruit voortkomende economische groei tijdelijk is omdat het op lange termijn te weinig innovaties voortbrengt. Het bekendste voorbeeld hiervan is wellicht de Sovjetunie, die na enkele decennia met prachtige groeicijfers toch op de grenzen van haar kunnen stuitte. De spannende vraag is dan natuurlijk: en China dan? Ook daar heeft een autoritair regime de economie hervormt zodat mensen tot op zekere hoogte hun talenten en vaardigheden in de economie kunnen aanwenden, met indrukwekkende groeicijfers  tot gevolg. Acemoglu en Robinson maken echter helder dat als er geen politieke hervormingen volgen, deze groei zonder twijfel zal verdampen in de komende decennia. Dat China de VS voorbij zal streven als economische supermacht is nog geen uitgemaakte zaak.

Verstrekkende gevolgen

De spannendste observatie in het boek is dat kleine institutionele verschillen op lange termijn verstrekkende gevolgen kunnen hebben. In de 16e eeuw waren de parlementen van Engeland en Spanje elk verwikkeld in een machtstrijd met hun tamelijk absolutistische koning. In Engeland wist het parlement stukje bij beetje meer invloed te krijgen, terwijl in Spanje uiteindelijk de koning aan het langste eind trok, maar het had net zo goed andersom kunnen zijn. Niet lang daarna koloniseerden de Spanjaarden Zuid-Amerika en de Engelsen Noord-Amerika. Koninklijke instructies zorgden voor een extractief koloniaal bewind in Zuid-Amerika: goud en zilver werden op grote schaal naar Madrid afgevoerd, er kwamen plantage-economieën gebaseerd op uitbuiting en slavernij, en het lokale bestuur werd top-down georganiseerd. De Engelse schepen die Noord-Amerika aandeden voeren daarentegen vaak onder de vlag van parlementaire koopmannen, en mede doordat er geen edelmetalen werden aangetroffen, ontwikkelde zich een economie gebaseerd op individuele eigendomsrechten van kleine boeren en middenstanders, en werd het lokale bestuur bottom-up georganiseerd. Noord-Amerika is nog steeds vele malen welvarender dan Zuid-Amerika.

Ook voor dichterbij huis biedt dit boek veel stof tot nadenken. Bijvoorbeeld: kartelvorming en oneerlijke concurrentie worden door de Europese commissie stevig beboet. Maar in hoeverre biedt het Europese parlement tegenspel aan de Europese machthebbers? En zijn de verschillende belangen voldoende gewaarborgd? De geschiedenis leert dat institutionele ontwikkeling een lang, onzeker en soms gemeen proces is, maar ook dat het belang ervan moeilijk overschat kan worden. En de geschiedenis leert dat sommige zaken niet nieuw zijn onder de zon: ook in 1557, 1560, 1575, 1596, 1607, 1627, 1647, 1652, 1660 en 1662 voldeed Spanje zijn schulden niet, waardoor Duitse bankiersfamilies werden geruïneerd.

Commissie-Kuiper

Het vinden van de balans tussen staat en markt is ook in een land met sterke instituties niet altijd eenvoudig – zie het rapport van de commissie-Kuiper naar de parlementaire besluitvorming over de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten. Een duidelijke les uit dit boek is in elk geval dat een politieke partij voortdurend op zoek moet naar de definitie en vormgeving van inclusieve politieke en economische instituties. Dat is een stuk ingewikkelder dan het gebruik van ideologische sjablonen – voor of tegen marktwerking – vaak suggereert. En het kost tijd en energie. Na de uitschakeling van de Aziatische concurrentie probeerden de Engelse wolfabrikanten in de 18e eeuw ook een eind te maken aan de fabricage van katoen en linnen in eigen land. Maar tegen die tijd bood het steeds pluralistischer geworden Engelse parlement tegenspel. De bedreigde fabrikanten van katoen en linnen bewerkten het parlement met een stortvloed aan petities en na jarenlang getouwtrek bevestigde de Manchester Act van 1736 hun recht van bestaan. Economie en politiek hebben alles met elkaar te maken. 

Dr. Peter Mulder is docent economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam

© WI ChristenUnie