Tegenwind of aardbeving?


Het financiële stelsel faalt en moet in revisie

door Roelf Haan

Het huidige schuldenprobleem en de overheidstekorten zijn geen gevolg van overbesteding door de private of de publieke sector, zodat de inkomenstrekker en de belastingbetaler de rekening zouden krijgen gepresenteerd van eigen onverantwoord gedrag. De problematische toeneming van de staatsschuld vindt haar oorspong in de financiële sector.

 

De financiële en de reële sector zijn uiteengegroeid en vormen niet meer één, maar een duale economie, in de zin waarin de bekende Leidse econoom Boeke dit begrip toepaste op de verhouding van de koloniale tot de inheems-Aziatische economie van zijn tijd. Beide economische werelden gehoorzamen aan een eigen logica, waarbij het financiële stelsel op irrationele wijze de reële economie exploiteert. De financiële sector beoogt geldwinst te maken uit geld; in de reële sector gaat het om bevrediging van reële economische (individuele en collectieve) behoeften. De ontwikkelingsmogelijkheden van deze laatste worden niet alleen belemmerd, maar stelselmatig ondermijnd.

Het systeem zelf is instabiel

Bij de wijze waarop doorgaans wordt gesproken over de “financiële crisis” komen systeemvragen echter zo goed als niet aan de orde. Er is wel de vraag naar de “uitwassen” van het systeem, maar niet naar de architectuur ervan. Het systeem zelf is instabiel. De term crisis suggereert iets voorbijgaands, alsof een economische crisis komt en gaat als een natuurverschijnsel. Premier Rutte kan dan spreken over de economische “tegenwind” waarmee wij te maken hebben. Een windrichting kan weer draaien. Zo komen de systematische oorzaken van de huidige beleidsdilemma’s niet in beeld, ook al zijn deze dilemma’s door het systeem bepaald.

Duale economie

J.H. Boeke (1884-1956) introduceerde het begrip “duale economie” in de economische literatuur. De Aziatische boer, onbekend met de internationale grondstoffenmarkten en de instabiele prijsbewegingen ervan, en levend volgens een andere economische rationaliteit dan die van de kapitalistische logica, kan deze marktverhoudingen niet overzien en begrijpen. Daardoor is hij stelselmatig slachtoffer van westerse handelaren, tussenpersonen en kredietverschaffers. Die handel luidde in “groot geld”, zilvergeld; de dorpseconomie draaide op “klein geld”, kopergeld. Maar met deze “kleine kas” (het maatschappelijke geld dat in het dorp circuleerde) moesten belastingen worden betaald aan de koloniale overheid en rente en aflossing voldaan aan de geldschieters die de boer “behulpzaam” waren geweest bij de afzet van zijn oogst. Dat was het circulatiegebied van het grote geld. In dit koloniale geld liep de boer zijn steeds toenemende schulden op. Het resultaat was de onttrekking van geld aan het dorp. Tallozen raakten hun land kwijt dat zij als zekerheid hadden verpand. De westerse kapitalistische economie heeft op deze wijze een vernietigende invloed gehad op de traditionele Aziatische samenleving. Vandaar de opmerkelijke parallel van Boekes analyse van de duale koloniale economie met de verhouding die thans bestaat tussen de “financiële sector” en de “reële sector” binnen de westerse economie zelf. Ook in de “reële economie” heerst structureel geldgebrek doordat een deel van het in verhouding “kleine” maatschappelijke geld (zie verderop in dit artikel), stelselmatig wegvloeit naar de financiële sector in de vorm van rente- en schuldbetalingen.

Taboe

Het IMF telde tussen 1970 en 2010 425 banken-, staatsschulden- en monetaire crises, dat wil zeggen gemiddeld waren er in deze periode jaarlijks meer dan tien landen in crisis. Hoewel al deze crises 'systemisch' waren, schijnt er een intellectueel taboe te rusten op het meer fundamentele onderzoek naar de structurele oorzaken. Het publiek wordt opgeroepen tot vertrouwen (zoals je kunt vertrouwen op een omslag van het weer, die er natuurlijk best weer eens komt), en niet tot kritische analyse. Het taalgebruik van centrale bankiers en politici is daarbij meer verhullend dan verklarend. De veel geciteerde uitspraak die de vorige voorzitter van het Amerikaanse centrale bankstelsel Alan Greenspan eens deed in een hearing voor het Amerikaanse Congres, is zowel anekdotisch als exemplarisch: “Als u mij begrepen hebt, dan moet ik mij niet goed hebben uitgedrukt”.

'Giftig afval'

Als gidsen voor het vertrouwen gelden veelal de bekende rating bureaus. Gemakshalve wordt vergeten dat deze superoordelaars de AAA-rating hadden toegekend aan financiële producten die korte tijd later juist als “toxic waste” (giftig afval) zouden worden gerangschikt onder de hoofdoorzaken van de crisis.[1] De bureaus zijn niet onafhankelijk; zij zijn vertegenwoordigers van de financiële sector zelf. Het is de financiële sector, met zijn grote invloed op de politiek,  die voortdurende druk uitoefent ten behoeve van een pakket van onmiddellijke en dwingende bezuinigingsmaatregelen. In het rapport van de Club van Rome van 2012 Geld en duurzaamheid wordt ontnuchterend opgemerkt, dat “alle landen die betrokken waren bij de crisis van 2008 zich diep in de schulden hebben gestoken om hun banksystemen te redden van een faillissement. Het financiële systeem heeft hierop geantwoord door er op te wijzen dat deze landen nu een te hoge schuldenlast dragen; het eist nu ontmanteling van de sociale vangnetten in Europa, die eeuwen opbouw hebben gevergd”. En: “De ironie is dat, zodra de overheden deze grote bedragen van het financiële stelsel lenen om dit systeem zelf van de ondergang te redden, het financiële systeem tot de conclusie komt dat de overheid nu te veel schulden heeft en ‘gedisciplineerd’ moet worden”.[2]  

Kosten: 14.400 miljard dollar

De VS is het enige land waar de rechter zowel de regering als de centrale bank heeft gelast de totale kosten bekend te maken van de herstelprogramma’s met betrekking tot de financiële crisis van 2007-2008. Nomi Prins, voormalig leidinggevende bij Goldman Sachs en Bear Stearns, schatte in It takes a pillage (2009) de totale steun die de Amerikaanse schatkist en de Federal Reserve gedurende een à twee jaar aan de Amerikaanse financiële sector heeft gegeven vanwege de crisis van 2007/2008 op $ 14.400 miljard, een bedrag ruim overeenkomend met het BNP van de VS in 2008. Het komt, in dollars van nu, neer op vier maal de Amerikaanse uitgaven aan de Tweede Wereldoorlog.

Deze last, die uiteindelijk voor rekening komt van de Amerikaanse belastingbetaler, tart het voorstellingsvermogen. De gigantische kosten overstijgen niet alleen de menselijke maar ook de maatschappelijke maat. Op de kosten van de bailout vindt weliswaar ook terugbetaling plaats, maar de crisisschade is veel groter dan de gegeven netto overheidssteun. Het publiek ondervindt de negatieve welvaartseffecten op de korte termijn, en eveneens de schadelijke gevolgen van de bezuinigingsprogramma’s op de lange termijn. Effecten zoals het opgetreden productieverlies zijn bovendien in dynamische zin blijvend.

Privatisering

Als de financiële steunoperaties van de overheden niet genoeg zijn – en het is voor de financiële sector nooit genoeg – is het privatiseren van publieke activa aan de beurt. In 2009 bracht een werkgroep van achttien internationale banken, beleggingsfondsen en advocaten een rapport uit met de titel De voordelen van particuliere investeringen in de infrastructuur. Het pleit voor de consequente privatisering van publieke verkeerswegen, tunnels, bruggen, parkeermeters, vliegvelden, kantoorgebouwen van de overheid, drinkwatervoorzieningen en drainage systemen. Voor de VS, waarvoor data beschikbaar zijn, komt dit op een bedrag van $ 9,3 biljoen aan activa op naam van de federale, statelijke en stedelijke overheden. Een van de inschattingen die de financiële instellingen maken is deze: “Zodra de politieke pijn als gevolg van het snijden in de publieke voorzieningen groter wordt dan de kosten in termen van het stemmenverlies wegens de verkoop van de activa, zal deze markt beginnen te draaien (will take off). Op het grass-roots niveau is deze politieke pijndrempel nu bereikt (Euromoney, april 2010, p. 85). De VS staat hierin allesbehalve alleen. Engeland heeft een grootschalig privatiseringsplan aangekondigd, Berlusconi had in Italië al 9000 publieke eigendommen te koop gezet, Sarkozy verkocht Franse tolwegen voor € 5 miljard, in Griekenland is sprake van € 50 miljard aan privatiseringen. Maar, zo vraagt het rapport voor de Club van Rome, wat gebeurt er daarna? Worden al deze overheden er kredietwaardiger door, als zij huur gaan betalen voor hun eigen kantoren? Onder het argument van bezuiniging wordt er gegrepen naar astronomische privatiseringsprogramma’s die de structuur van de samenleving nog verder verwoesten, omvang en kwaliteit van het voorzieningenniveau verlagen en de prijzen van de openbare nutsdiensten voor de burgers torenhoog opdrijven. De argumentatie luidt dat de crisis over is als op die wijze de tekorten worden terug gebracht, ook al is een dergelijk middel slechts eenmalig inzetbaar. Het gaat de financiële instellingen echter, zoals zij zelf zeggen, eenvoudig om De voordelen van particuliere investeringen in de infrastructuur.

Kleine kas

In vergelijking met de enorme verliezen in de financiële sector beschikt de reële economie over niet meer dan een “kleine kas”, in de zin waarin een winkelier een kleine kas aanhoudt voor kleine lopende uitgaven. Toch is het deze kleine kas van de “hardwerkende Nederlanders” die voor de grote financiële speculatieverliezen opdraait. De geldsomloop die dient ter facilitering van de transacties in de reële economie bedraagt niet meer dan ca. 2 % van de geldomzet van de financiële sector. Één dag valutaspeculatie vertegenwoordigt meer dan de jaarlijks verhandelde economische productie van Duitsland of China. In dergelijke vergelijkingen zijn dan nog niet begrepen de onderlinge transacties van hedge funds, evenmin als het totaal aan uitstaande derivatencontracten, dat een omvang bereikt ter waarde van acht maal het gehele wereld-BNP.

Geperverteerde economie

Markten worden geacht een disciplinerende factor zijn. Financiële markten zijn echter slechts zeer ten dele markt in deze theoretische zin. Het is daarom vooral van economische zijde (niet zijnde de ethiek of de politiek) dat de fundamentele kritiek heeft ontbroken op de oorzaken van wat op oppervlakkige wijze “crisis” wordt genoemd. De Amerikaanse – en Nederlandse – sub-prime hypotheken en de daaraan gekoppelde verzekeringen vormden voor de banken, de verzekeraars en de talloze tussenpersonen het nieuwe “verdienmodel”. Mensen die hun woonlasten overduidelijk nooit zouden kunnen betalen, werden de prooi van deze agressieve predatory lending (roofzuchtige uitlening). Deze werd gelegitimeerd met een beroep op de veronderstelde marktwerking van de financiële sector. Een goed werkende markt echter is uit opzo laag mogelijke transactiekosten. Hier werd de logica van de markt omgekeerd: de transactiekosten werden niet geminimaliseerd maar gemaximaliseerd. Het ging niet om de financiering van de hypotheektransactie zelf (het bijeenbrengen van een geïnformeerde vraag en een adequaat aanbod), maar de provisie en de overige kosten waren het doel. Hier is sprake van geperverteerde economie volgens de standaard van de economische theorie zelf.

Maar ook afgezien van dergelijke marktmanipulatie is de term financiële markt misleidend. Financiële markten kunnen per definitie niet tenderen naar evenwicht. Het idee van het marktevenwicht kan niet worden getransponeerd van de reële economie op de financiële sector. De prijsstijging roept geen negatieve feedback op (via de correctieve invloed van een groter aanbod), maar juist een positieve. De stijgende prijs van een vermogenstitel schrikt geen kopers af maar trekt ze aan, vanwege hun “vertrouwen” in een nog verder stijgend rendement. Een markt die als distributiemechanisme niet tendeert naar een vorm van evenwichtige stabiliteit heeft dus ook niet “altijd gelijk”.

De bankwinst als graadmeter

Winsten in de financiële sector kunnen worden opgestuwd door het nemen van grotere risico’s. De positieve uitkomsten zijn voor de bankier, de negatieve voor het publiek. Bankmedewerkers profiteren van systemen van bonus zonder malus. De garanties die de samenleving aan de banken biedt hebben tot gevolg dat de lonen in het Nederlandse bankwezen enkele miljarden hoger liggen dan in het overige bedrijfsleven. Er is hier sprake van oneerlijke concurrentie, in plaats van het gelijke speelveld dat een markteconomie verondersteld wordt te zijn.[3]

De financiële sector is in de laatste decennia beschouwd als een zelfstandige groeicomponent van het BBP. Tegen 2007 werd in Engeland een punt bereikt waarop de financiële sector 33% uitmaakte van de nationale economie. In de Verenigde Staten bedroeg de winst van de financiële sector in 1999 40% van alle bedrijfswinsten. Als deze bubbel inzakt, is de schade des te groter. Oost-Azië leed in de ‘flitskapitaalcrisis’ van 1998-1999 een schade van 34% van het bruto binnenlands product, een daling die optrad als gevolg van de eerdere ‘groeibijdrage’ van de financiële sector.

Een bank is geen normaal bedrijf

Ruurd Brouwer heeft opgemerkt dat de gematigdheid van de bankwinsten een graadmeter is voor het nut van hun dienstverlening. Een goed functionerend bankwezen heeft voldoende aan een “normale” winst. Ook 5% is een winstpercentage. Floris Deckers, bestuursvoorzitter van de vermogensbank Van Lanschot, bracht het in december 2008 als een van de eersten onder woorden: “Een bank is geen normaal bedrijf. Dat is wel lange tijd de gedachte geweest. Een rendement van bijvoorbeeld 24% moest kunnen. Dat is onjuist. Banken hebben een maatschappelijke functie”. De financiële sector is niet op aarde om te concurreren met bijvoorbeeld de bouw- of de langbouwsector, maar juist om het reële economische proces te faciliteren. Het monetaire stelsel is publieke infrastructuur voor de reële economie.

Thans wordt, na de noodlottige periode van de liberalisatie van de financiële markten sinds de jaren 80, weer de controle op de banken versterkt. Het rapport van de Club van Rome van 2012 Geld en duurzaamheid citeert in dit verband de architect William Mc Donough: “De behoefte aan regelgeving is altijd een teken van een gebrekkig ontwerp”.

Geld scheppen

Een cruciaal onderdeel van het ontwerp van ons geldstelsel is het proces van geldcreatie. Geldscheppende banken realiseren een bate op het moment waarop zij geld scheppen. Zij kunnen krediet uitzetten met geld dat zij niet, zoals elke andere onderneming, eerst hebben moeten verdienen of op de financiële markt hebben moeten aantrekken. De geheimen van dit “muntloon” (de creatiebate) geven zich maar moeizaam prijs. Banken creëren geld door middel van wat de monetaire theorie wederzijdse schuldaanvaarding noemt. Dit woord wederzijds slaat op weinig meer dan op wederzijdsheid van het contract als contract. De kredietnemer gaat een schuld aan; de bank heeft weliswaar juridisch een schuld, maar de inlossing ervan is gratis. Hij is de kredietnemer schuldig het krediet ter beschikking te stellen, maar de schuld is gedelgd zodra het krediet is opgenomen. Wat dan blijft is gewoon eenzijdige schuld.

Seigniorage

Niet alle kredietverlening door de bank is gratis voor de bank (de algemene bedrijfskosten zijn relatief te verwaarlozen), maar een deel ervan, zolang de bestaande reserveverplichtingen zijn geformuleerd als percentage kleiner dan 100 van het uitstaande krediet. Ook al is dit dekkingspercentage thans aangescherpt, geldscheppen is nog steeds “een fluitje van een cent”. De creatiebate is inherent aan het proces van geldschepping.

De technische term voor de creatiebate is seigniorage. Hij herinnert aan de middeleeuwse heer die tevens munter was. De seigniorage, dat wil zeggen hetmuntloon, is het verschil tussen de nominale waarde van de geslagen munten en de waarde van het metaal dat tot grondstof had gediend. Bij een pure zilveren of gouden standaard tendeerde overigens dit verschil zo klein mogelijk te zijn, ongeveer ter waarde van de productiekosten van de munt. Maar in de praktijk kon de gelduitgifte lucratief zijn, vooral door toepassing van legeringen. In het volgende stadium doet de bank zijn intrede: de houten tafel waarop munten door de “bankier” ter bewaring werden ingenomen tegen afgifte van een ontvangstbewijs. Standaardisering van de coupures bracht ons de bankbiljetten. De ontwikkeling van het moderne bankwezen deed vervolgens de hoeveelheid munten en bankbiljetten relatief slinken tot een gering percentage van de totale geldvoorraad. Het moderne geld is bijna geheel bankgeld, bestaande uit banktegoeden die voldoende liquide zijn om als geld te worden aangemerkt.

Subsidie van het publiek

Het bankbiljet is al lang geen vordering meer op de bank (bijvoorbeeld een recht op gouden munten), ook al luidt het traditionele opschrift van een centrale bank soms nog dat hij een dergelijk “bedrag” aan toonder zal “uitbetalen”. Even anachronistisch is het, het bankgeld waarover wij digitaal beschikken nog steeds te zien als een belofte tot uitbetalen (van munten en bankbiljetten); girale tegoeden zijn zelf geld. Maar terwijl de seigniorage van – de relatief geringe hoeveelheid – munten en bankbiljetten toevalt aan het publiek (vertegenwoordigd door nationale overheid en centrale bank), valt de creatiebate bij de schepping van de gehele voorraad van het moderne geld toe aan de particuliere geldscheppende bank. Dit bankgeld is bovendien debt money: hetkomt in circulatie in de vorm van schuld tegen rente. Het allereerste effect is niet dat van wat professor C. Goedhart (1918-1992) ooit noemde een definitief afdekkingsmiddel. Geldcreatie zonder rente zou een stabieler effect hebben op de economie, hetgeen speciaal van belang is als de economie (zoals thans) kampt met een te hoog schuldenniveau. 

Het geldstelsel en de inrichting ervan is een zaak van zuiver publiek belang. Toch profiteren de banken als privéonderneming van een enorme 'systeemsubsidie', een anonieme subsidie van de samenleving waarvan het publiek zich niet in het minst bewust is. Het is een vorm van taxation without representation. Voor de grotere OECD-landen komt zij neer op een bedrag gelijk aan 5 – 15 % van de totale belastinginkomsten. Door het uitzetten van dit bedrag aan seigniorage maken de Eurobanken vele tientallen miljarden extra rentewinst.

Wie mag geld maken?

Thomas Jefferson was ervan overtuigd dat “de bevoegdheid geld te creëren moest worden weggenomen van de banken en worden hersteld bij het volk waaraan zij behoort”, en ook Abraham Lincoln was van mening dat de geldcreatie geheel in overheidshanden diende te zijn. De bekende Amerikaanse monetair econoom Irving Fisher lanceerde zijn plan voor “100% Money”, via de instelling van een 100 % reserveverplichting. Het gaat Fisher niet om nationalisering van de banken, maar nationalisering van de geldschepping. Hij acht dat niet minder dan van constitutioneel belang. De banken blijven privéondernemingen; hun betekenis als kredietbemiddelaar zal onder de seigniorage reform niet noodzakelijkerwijs lijden.

Vastleggen in Grondwet

Het kwantitatieve criterium voor de geldschepping moet uitsluitend liggen in de gewenste jaarlijkse vergroting van de maatschappelijke geldhoeveelheid. Deze kwantiteit moet worden vastgesteld door de monetaire autoriteiten zelf, wier onafhankelijkheid ten opzichte van de tot spending geneigde politici constitutioneel moet zijn verankerd. Het monetaire beleid van inflatiebeheersing wordt op deze wijze sterk vereenvoudigd: de structurele groei van de geldhoeveelheid kan rechtstreeks worden bepaald. Wanneer de seigniorage niet aan de banken, maar aan de overheden zou toevallen, zou – stel dat dit morgen zou worden doorgevoerd – in één keer het probleem van de huidige overheidstekorten zijn opgelost. Het bedrag van de jaarlijkse geldschepping in Europa is aanzienlijk hoger dan de begroting van de Europese Unie. De Commissie en de lidstaten zouden volgens een adequaat toewijzingssysteem gerichte structurele investeringen kunnen doen en indien nodig door opvoering van de bestedingen de werkloosheid bestrijden zonder inflatiegevaar.[4]

Utopie?

Dit lijkt een utopisch scenario. Vooral als we ons realiseren hoe groot de belangen van de banken zijn bij de status quo.  Één enkele Amerikaanse bank kan per jaar enkele miljarden aan lobby besteden om de politiek naar zijn hand te zetten. Ook is er weinig hoop als we crisismaatregelen blijven bedenken vanuit de logica van hetzelfde bancaire stelsel dat de crisis heeft veroorzaakt. Maar iets anders is het, een diepgaande (en dus langdurige) analytische bezinning te starten over de systeemvragen die hier aan de orde zijn. Universiteiten en onafhankelijke denktanks zijn in dit onderzoek de aangewezen initiatiefnemers.

In het kader van een ander debat over het muntloon, verband houdend de creatie van internationaal geld, ruim 40 jaar geleden, wees professor Robert Triffin van Yale zijn universitaire vakbroeders erop, dat zij onafhankelijk moeten willen zijn in hun denken. Zij hoeven zich niet gehinderd voelen door beperking van carrièrekansen, zoals doorgaans het geval is bij hun collega-economen in dienst van politiek of bedrijfsleven. Onderzoekers hebben tot taak de publieke opinie en hen die publieke verantwoordelijkheid dragen “te onderwijzen, met het risico dat hun advies door de politici zal worden verworpen als prematuur, of te moeilijk om na te volgen. Politiek is niet slechts de kunst van het mogelijke. Het zou de kunst moeten zijn, en dat is van steeds groter belang, om morgen mogelijk te maken wat vandaag onmogelijk schijnt te zijn”.[5]   

Dr. Roelf Haan is gepromoveerd op een internationaal-monetair onderwerp (1971). Hij schreef o.a. Economie van de eerbied. Kanttekeningen bij het bijbelse spreken over geld en goed. Onlangs verscheen Theology and economics. The hermeneutical case of Calvin today.

 

 

 



[1]  De Australische rechter heeft het ratingbureau S&P, dat aan gestructureerde producten die door ABN Amro waren uitgegeven onder de naam Rembrandt de AAA-rating had meegegeven, veroordeeld wegens misleiding. In de VS zijn dergelijke aanklachten tot nu toe niet ontvankelijk verklaard (FD, 6 november 2012).

[2]  B. Lietaer e.a., Geld en duurzaamheid. Van een falend geldsysteem naar een monetair ecosysteem, Rapport van de Club van Rome (EU Chapter), uitg. Jan van arkel, Utrecht 2012, 48,89.

 

[3]   De vier grootste Nederlandse banken hebben jaarlijks miljarden euro’s voordeel van het feit dat de Nederlandse overheid het zich niet kan permitteren ze te laten omvallen. Bij deze banken nemen de spaarders genoegen met een kleinere rentevergoeding dan waarvan sprake zou zijn geweest zonder deze verknoping tussen staat en bankwezen. Volgens het onderzoeksbureau SOMO wordt deze impliciete subsidie van het publiek aan de banken in Nederland becijferd tussen € 4,1 en € 12,3 miljard (Trouw, 23-11-2012)

 

[4]  J. Huber & J. Robertson, Creating New Money: A Monetary Reform for the Information Age, Londen 2000. Hier worden cijfers gegeven van 1999. In dit rapport wordt tevens ingegaan op de praktisch-technische en overgangsaspecten.

 

[5]  Robert Triffin, “The Use of SDR Finance for Collectively Agreed Purposes”, Banca Nazionale del Lavoro Quarterly Review, maart 1971, 7-8, geciteerd in: R. L. Haan,  “Speciale Trekkingsrechten. Misbruik voor ontwikkelingshulp? Commentaar bij een Nederlands standpunt”, Internationale Spectator, 8 september 1971, 1460-1485.

© WI ChristenUnie