Een junkie op weg naar een overdosis


'Het Bijbelse principe van het Jubeljaar is in feite niets anders dan een economische resetknop'


Door Antonie Fountain

Wij allen zijn neoliberalen – en wij weten het. We zijn gewend geraakt aan goedkope producten en aan wereldwijde goederenstromen. Tegelijk knaagt ons geweten als we ons realiseren dat ons consumptieniveau niet zonder kinderarbeid en enorme milieuvervuiling gaan. Is er een uitweg? Een analyse van het neoliberalisme en hoe we uit zijn greep kunnen raken.  

Crisis
Parijs, 1938: in de nasleep van de zwaarste economische crisis die de wereld ooit gekend heeft, komt een aantal economen, onder andere Hayek, Lippmann en Mises, bij elkaar om te werken aan een vernieuwing van het liberalisme. In hun ogen is het falen van deze stroming – waar ze zelf toe behoren – de oorzaak voor de Grote Depressie. Een crisis die het bankwezen, de internationale markten, de werkgelegenheid, en de politieke stabiliteit op hun continent ernstig bedreigt. De eerste decennia van zijn bestaan was het neoliberalisme, zoals deze stroming ging heten, vooral een theoretische exercitie. Maar in de jaren ’60 en ’70 kregen de econoom Milton Friedman en zijn volgelingen van de ‘Chicago School’ een steeds gewilliger oor. De Pinochet dictatuur in Chili, de mondiale systeembanken,  internationale financiële instanties zoals het IMF en de Wereldbank: alle vielen zij voor Friedman en de ‘Chicago Boys’. Het neoliberalisme begon aan zijn opmars.

Neoliberalisme
Inmiddels is de term ‘neoliberalisme’ vergroeid tot een bonte kakofonie van stemmen, maar in de kern draait het om deze punten: vrijhandel en open markten, privatisering van diensten, deregulering van de markt, het verkleinen van de publieke sector, en het vergroten van de rol van de private sector. Het neoliberalisme gaat uit van de (wenselijkheid van de) perfectie van de vrije markt, en het eeuwige economische evenwicht dat daar aan gekoppeld zou zijn (de zogenaamde ‘Onzichtbare Hand van de Markt’)[1]. De markt kán niet falen, hoogstens heeft zij tijd nodig om balans te herstellen. Is er sprake van systeemfalen, dan is dat niet de schuld van de markt, maar van externe factoren (meestal de staat) die zich er te veel mee bemoeid hebben.

Weer crisis
Nu is de wereld weer in een diepe crisis gestort, een waarvan het einde niet in zicht is. Banken, internationale markten, werkgelegenheid, en de politieke stabiliteit van Europa worden opnieuw bedreigd. Ditmaal als gevolg van neoliberaal beleid.  

Voor een geloof waarvan economische groei een van de grootste zegeningen zou zijn, is het pikant dat deze sterke groei grotendeels is uitgebleven. Het ‘Keynesiaanse’ tijdperk – een stroming die geloofde in een sterke overheid met duidelijke marktinterventie, die liep van grofweg het einde van WOII tot 1980 – zag een significant hogere mondiale economische groei dan het daaropvolgende, neoliberale tijdperk.[i]

Scheefgroei

Dat neemt niet weg dat de economie in het neoliberale tijdperk wel degelijk is gegroeid. Echter, de zegeningen van deze groei zijn slechts toebedeeld aan een een select gezelschap.  Van de $19.000 miljard euro waarmee tussen 1981 en 2001 het wereldwijde BBP steeg, kwam slechts anderhalf procent terecht bij mensen die minder dan $1 per dag verdienen, de mondiale ‘absolute armoedegrens’.[ii] Ook in westerse landen stijgen reële lonen al decennia niet mee, terwijl de productiviteit (en dus de toegevoegde waarde van mensen in loondienst) dat wél doet.[iii] Alle groei komt terecht bij de mensen die al veel, heel veel hebben.

Verdwijnen van de Commons

Een van de oorzaken voor deze onevenredige verdeling van de ‘zegeningen van groei’ is de privatisering van hulpbronnen en diensten. Zaken en diensten die vroeger algemeen eigendom waren, de zogenaamde Commons, zijn in de afgelopen decennia grotendeels in handen gevallen van een klein clubje vermogenden. In bepaalde gevallen zijn zij nog wel algemeen eigendom, maar is het marktdenken sterk ingevoerd in haar bedrijfsprocessen. In Nederland zijn goede voorbeelden hiervan de privatisering van het spoor[2], de absurde inkomsten en bonussen voor topmensen bij woningcorporaties, en de steeds verder doorgetrokken marktwerking in zorg en onderwijs.

Deregulering

Daar waar diensten en hulpbronnen al voor de opkomst van het neoliberalisme in handen van individuen waren, is de regelgeving sterk teruggedrongen omtrent hóé de markt met deze eigendom om mag gaan. Het ongebreidelde geldscheppende vermogen van systeembanken is daar exemplarisch in, met alle gevolgen van dien. Deregulering van de financiële markten heeft er ook voor gezorgd dat geld onbekommerd kan stromen naar waar zij het maximale oplevert voor haar eigenaren: het neoliberalisme voorziet in de creatie van belastingparadijzen.

De aandeelhouder wint

Het belang van de aandeelhouder heeft almaar voorrang gekregen op het belang van de werknemer. Winstmaximalisatie door bevriezen van lonen, outsourcen van productie naar lage lonen landen, afstoten van divisies ten bate van dividenduitkeringen, uitstellen van lange termijn investeringen omwille van betere kwartaalcijfers; beslissingen gemaakt ten bate van een perfecte markt, maar waar de ‘gewone’ mens keer op keer de dupe van is gebleken. Helaas is dit niet een fictief lijstje van gevaren, maar zijn het voor een ieder bekende berichten uit de dagelijkse nieuwsgaring. In Nederland zien we dit terug in bijvoorbeeld een sterke toename van flexwerkers en mensen met een nul-uren-contract.

Gesocialiseerde risico’s

Doordat de overheid zich minder met de markt bemoeit, krijgt de markt steeds meer ruimte, ook om te falen. De combinatie van scheve winstverdeling, sterke deregulering, en privatisering, zorgt voor bovenmatige risico’s. Als direct gevolg van de concentratie van macht zijn deze systemen too big too fail geworden. Het grote geld en de winsten zijn geprivatiseerd, maar de verliezen worden gesocialiseerd en dus afgewenteld op de mensen die vrijwel niet mee profiteren van het systeem. En daarom blijven we met zijn allen continu het systeem oplappen. Het voorbeeld hiervan is natuurlijk de manier waarop wij de afgelopen vijf jaar ons in bochten hebben moeten wringen om het financiële systeem weer netjes in het zadel te hijsen, zónder dat daar een significante gedragsverandering van de markt tegenover staat.[3]

Prijsdaling en uitbuiting

Op internationaal vlak zijn de sociale gevolgen van het neoliberalisme minstens zo verstrekkend. Mede als gevolg van de Washington Consensus[4] is er sinds de jaren tachtig een ongekende druk op prijzen in internationale handelsstromen komen te liggen. Door de prijzen te drukken, wordt een van de principes van het marktdenken ironisch genoeg overboord gegooid: het principe van het internaliseren van de kosten. Elke klant zou de werkelijke kostprijs voor een product of dienst moeten betalen. In werkelijkheid wordt echter door de machtsmonopolie van multinationale ondernemingen de prijs steeds verder omlaag gedreven. De gevolgen hiervan variëren van kindslavernij in de West-Afrikaanse cacao-industrie, tot vakbondsonderdrukking in Latijns-Amerika en schrijnende veiligheidssituaties in de kledingfabrieken van Zuid-Azië.

Hyperconsumptie en grondstoffen

Ook de milieueffecten zijn schrikbarend. Waar vroeger de vraag naar goederen de drijvende factor was, is nu het aanbod van nieuwe, betere, snellere, meer aantrekkelijke producten de motor van de economie geworden, aangedreven door een almaar uitdijende advertentiemarkt. Het neoliberale gedachtengoed is verslaafd aan groei, als een junkie aan het infuus. Ook in opkomende economieën zoals China, India en Brazilië neemt consumptie toe. Tegelijkertijd worden producten niet meer gemaakt om lang mee te gaan. Reparatie van goederen kost meer moeite dan nieuwe maken, en de markt heeft sowieso meer baat bij het verkopen van nieuwe producten, met een grote winstmarge, dan bij het repareren van wat je al hebt. Als gevolg van deze hyperconsumptie raken grondstoffen in een ongekend tempo op. Binnen enkele decennia zullen nijpende tekorten volgen, in een scala van grondstoffen, van cacao tot mineralen, van hout tot water, kortom; alles wat we nodig hebben om ons huidige consumptieniveau en de levensstijl die we onszelf hebben aangewend in stand te houden.

De ‘perfecte’ markt?

We lijken blind voor de gevolgen van de steeds schevere verdeling van de wereldwijde welvaart. We onderschatten de risico’s van een economie waarin het belang van de aandeelhouder zwaarder weegt dan die van de werknemer; waarin onze regering belastingontwijking een ‘topsector’ noemt; waarin werknemers worden uitgebuit; waarin het milieu stelselmatig om zeep wordt gebracht; en waarin de lusten in handen van een zeer select clubje vermogenden liggen, terwijl de kosten van falen verschoven worden naar degenen die niets van het systeem hebben ontvangen. Als dit de gevolgen zijn van de ‘perfecte’ markt, dan rijst de vraag wat er in hemelsnaam zou gebeuren als we het slachtoffer zouden zijn van een imperfecte markt.

Wij zijn allemaal neoliberaal geworden

Het is voor ons bijna onmogelijk geworden om buiten het neoliberale wereldbeeld te denken. Zoals de Belgische socioloog Paul Verhaeghe stelt: “Wij zijn allemaal neoliberaal geworden.”[5] Zelfs van oudsher niet-marktgerichte politieke partijen zijn in de afgelopen decennia de fuik van het neoliberale geloof ingezwommen. Het CDA onder Ruud Lubbers, het PvdA onder Wim Kok, GroenLinks onder Femke Halsema; partijen die historisch gezien een belangrijke rol voor de overheid weggelegd hadden, zijn volgelingen geworden van de Onzichtbare Hand. Het mag geen verrassing zijn dat deze partijen momenteel kampen met een flinke identiteitscrisis.

Het neoliberalisme is in essentie een ideologie, een geloof met ‘volgers’ (de immer rationeel opererende ‘Homo Economicus’) die gezegend worden door hun ‘god’ (de perfectie van de ‘Onzichtbare Hand van de Markt’), met een gezamenlijke vijand (de overheid als ‘verstorende factor’).

Mene mene tekel ufarsin

We zien nauwelijks meer dat we in dit systeem leven, en alternatieven worden nauwelijks serieus genomen. Maar het hóéft niet zo te zijn. De vraag is namelijk niet óf het neoliberalisme ineen zal storten. Dat gaat gebeuren, zoveel staat vast; élk systeem komt ten val. In de afgelopen eeuw hebben we de ondergang kunnen zien van communisme, van kolonialisme, en van fascisme. In de droom die Daniel voor Nebukadnessar moest verklaren werd het ons zelfs beloofd: machtsstructuren zullen komen én gaan, weggeblazen door de wind ”totdat er geen spoor meer van te vinden is”. En ook nu kunnen we het schrijven aan de wand zien; dit systeem valt gewoonweg niet vol te houden. De vraag is ook niet wanneer het neoliberalisme zal eindigen, maar hoe. Met een enorme klap, waarin haar ondergang alles van waarde met zich meeneemt, of met een zorgvuldige overgang naar een betere wereld?

Economische resetknop

Een belangrijk aanknopingspunt daarvoor is het Bijbelse principe van het Jubeljaar, in feite niets anders dan een economische resetknop. Niemand zou zo te weinig hebben, maar evenzo belangrijk, niemand zou te veel  hebben. Verliezers zouden nooit alles mogen verliezen, en winnaars niet alles voor altijd mogen houden.

Wij moeten een weg vinden naar een wereld waar genoeg daadwerkelijk genoeg is. Waar we aren over laten voor de weduwe, de wees en de vreemdeling. Waar we de menselijke maat – en niet het BBP - weer ons beleid laten bepalen. Waar we de grond elke paar jaar braak laten liggen. Waar de daadwerkelijke productiekosten niet meer in plaats of tijd worden overgedragen, maar geïnternaliseerd worden. Waar de samenleving de macht terugpakt die haar toekomt. Waar de overheid haar rol als marktmeester oppakt. Maar bovenal, waar we vanuit rentmeesterschap en naastenliefde de urgentie van de problemen erkennen, en durven zeggen dat het anders kan en moet.

Hoop, Woede en Moed

Is deze uitdaging te groot? Augustinus van Hippo zei ooit dat hoop twee wonderschone dochters heeft; woede en moed. Woede om hoe de wereld nu is, en moed om ervoor te zorgen dat ze niet zo blijft. We hoeven alleen maar (alweer!) naar de Bijbel te grijpen om te zien dat een Gideonsbende de koers van de geschiedenis kan wijzigen. Een groep van twaalf volgelingen van een timmerman heeft de wereld op zijn kop gezet. En de rest van de wereldgeschiedenis staat bol van plotselinge systeemveranderingen. Kijk naar William Wilberforce, mijn persoonlijke held, die met een kleine groep toegewijde mensen de institutionele slavernij afschafte. Nodig zijn mensen die het wereldbeeld op zijn kop durven zetten en zich een nieuwe weg voorwaarts durven voorstellen. God vraagt op een gegeven moment aan Jesaja: “Wie zal gaan?”. Laat het antwoord van deze profeet voor ons allen een leidraad zijn. “Hier ben ik Heer. Zend mij.”

 

Antonie Fountain is directeur van Stop the Traffik, columnist, spreker en lid van verscheidene denktanks (waaronder het Platform Duurzame en Solidaire Economie, die hij dankt voor hun waardevolle bijdragen bij dit stuk). Hij is overtuigd van het nut van de markt, mits deze een goede marktmeester heeft in de overheid, en de markt de maatschappij dient in plaats van andersom.

 

Samenvatting:  

-          Het neoliberalisme is een (economisch) systeem dat onze maatschappij ernstig bedreigt.

-          Het neoliberalisme zal ten einde komen, aan ons de taak te borgen hóe dat zal gebeuren.

-          De Bijbel geeft ons een duidelijk economisch perspectief over hoe het anders zou kúnnen en moeten.



[1] Dit principe van de ‘Onzichtbare Hand van de Markt’ was niet nieuw, het werd al in de 18e eeuw door Adam Smith, grondlegger van de moderne economie, gebezigd.

[2] Zie ook het hoofd- en deelrapport van de senaatscommissie onder leiding van Roel Kuiper: Verbinding verbroken? (2012).

[3]Zie het artikel van Roelf Haan elders in dit nummer.

[4] Een aantal beleidsprincipes ter bevordering van internationale stimulering van neoliberale uitgangspunten door middel van o.a. de IMF en de Wereldbank

[5] Zie elders in dit nummer een bespreking van zijn recente boek Identiteit.



[i] O.a. Robert Skidelsky, Keynes: The Return of the Master, 2009, hoofdstuk 5

[ii]Andrew Simms and David Woodward, Growth Isn’t Working: the uneven distribution of benefits and costs from economic growth, 2006, London, New Economics Foundation, p14

[iii]http://www.nytimes.com/imagepages/2011/09/04/opinion/04reich-graphic.html

© WI ChristenUnie