De overheid en de waarheid


Het bestaansrecht van de godsdienstvrijheid

Recensie

-----
A. van de Beek, E.A.J.G. Van der Borght & B.P. Vermeulen (Eds.)
Freedom of religion (Studies in Reformed Theology)
269p.
Leiden: Brill 2010
ISBN 978-90-04-15807-8
-----

Door Geert Jan Spijker

Nederland kent een royale religieuze vrijheid, zeker in vergelijking met veel andere landen in de wereld. Maar hoe lang nog? Door individualisering en secularisering is de vrijheid van godsdienst niet meer onomstreden en staat tolerantie jegens orthodox geloof onder druk. Volgens de historicus James Kennedy kent Nederland voor het eerst een meerderheid, namelijk een seculiere. Die meerderheid is daarmee niet meteen onreligieus, maar heeft wel weinig op met traditionele, collectieve vormen van geloof. De voorbeelden rijgen zich recent aaneen: kritiek op onverdoofd ritueel slachten, gewetensbezwaarde trouwambtenaren, het SGP-vrouwenstandpunt, jongensbesnijdenis, enz. Waar gaat dit heen? Een verbod op de kinderdoop?

Godsdienst en geweld

De bundel Freedom of religion zet het thema godsdienstvrijheid in een internationaal kader door de situatie in enkele landen te bespreken. Ook lopen de auteurs verschillende rechtsgebieden bij langs, wat de breedte van het onderwerp duidelijk maakt. Interessant is ook de bijdrage van de markante Vlaamse kerkrechtdeskundige Rik Torffs die voor een offensieve, contractuele benadering pleit die het verdient verder doordacht te worden. Dit sluit aan bij een belangrijk thema van het boek: welk bestaansrecht heeft de godsdienstvrijheid nog in een seculiere samenleving? Volgens veel secularisten heeft godsdienst onze beschaving meer kwaad dan goed gedaan en verdienen gelovigen geen bijzondere bescherming van een speciaal grondrecht. Deze benadering zien we bijvoorbeeld bij de rechtsfilosoof PaulCliteur. In zijn artikel ‘Religion and violence’ betoogt hij dat religie en staat strikt gescheiden moeten worden, omdat religie veel geweld (heeft) veroorzaakt in deze wereld. Ook zet ze aan tot ontrouw aan de overheid. Immers, een gelovige eert God boven de overheid, stelt Zijn geboden boven de aardse wet. Cliteur pleit daarom voor een strikt seculiere staat (het laïcisme).

Ontstaan en bestaansrecht

Religieuze vrijheid is ontstaan in een context van conflicterende christelijke denominaties. Volgens professor Ben Vermeulenspeelden pragmatische redenen daarbij een grote rol. In de zestiende eeuw wilde men een politieke autoriteit die boven de strijdende - religieuze - partijen stond. Ook moreel-theologische argumenten speelden waren belangrijk. Men benadrukte religieuze oprechtheid en het belang van een vrij geweten. Het duurde daarna enkele eeuwen voordat de godsdienstvrijheid een stabiele waarde werd en een fundamenteel grondrecht voor alle bevolkingsgroepen. Na WOII vonden er een aantal belangrijke ontwikkelingen plaats. De islam verscheen op het westerse toneel en mensen begonnen steeds minder te snappen van traditionele levensovertuigingen en hun welomschreven dogma's en geboden. Men ziet geloof tegenwoordig vaak als iets irrationeels, iets vreemds dat achter de voordeur moet blijven. Waarom moeten we dat nog beschermen?

Vermeulen wijst er allereerst op dat geloofsvrijheid het eerste grondrecht was dat juridisch verankerd werd en dat het nog steeds een duidelijke kern heeft (denk aan riten, gebruiken, organisaties). Het is geen oeverloos recht en de rechter beschermt niet alles wat onder het mom van geloof naar voren wordt gebracht. Hij beschermt alleen gedragingen die deel uitmaken van de praktijk van een geloof “in een algemeen geaccepteerde vorm”. Gelovigen moeten daarom soms dingen doen die tegen hun geloof kunnen indruisen – zoals het deelnemen aan het pensioenstelsel, iets waar antroposofen moeite mee hebben. Ze staan dus niet boven de wet. Ook moet een geloof aan bepaalde eisen van coherentie en consistentie voldoen om beschermd te kunnen worden door de religieuze vrijheid. Een seksclub is geen religieuze instelling, aldus de rechter.

Rechtsstaat heeft religie nodig

Vermeulen wijst erop dat een puur seculiere opvatting van religie kan leiden tot een partijdige, eenzijdige opvatting, waardoor de overheid religieuze motivaties van mensen niet meer ziet of erkend als belangrijk. Geloof is voor menige minderheid van centrale betekenis voor de identiteit. Door het belang van geloof te miskennen, ontken je eigenlijk de kern van iemands wezen. Het miskennen van geloof heeft niet alleen negatieve gevolgen voor specifieke groepen, maar ook voor de rechtsstaat als geheel. Onze democratie heeft immers waarden - zoals naastenliefde, solidariteit, zelfbeheersing, verantwoordelijkheidsbesef - nodig die de overheid zelf niet kan leveren. Op dit punt heeft de staat godsdiensten en levensovertuigingen hard nodig. In zijn onpartijdigheid kan de staat ze zelf niet leveren, maar hij kan zijn eigen voeding bevorderen door die overtuigingen wel gelijkelijk te faciliteren. Een punt hierbij is wel: hebben alle overtuiging goede ingrediënten in huis? De westerse geschiedenis heeft geleerd dat het christendom en bijvoorbeeld zijn notie van de fundamentele gelijkwaardigheid van ieder mens van grote betekenis is geweest voor de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat.

Overheid en waarheid

In de slotbeschouwing vragen de redacteuren zich af: is er met de Verlichting wel wat veranderd eigenlijk? Hun prikkelende antwoord luidt: ten diepste niet. Ook in een postchristelijke tijd moet de overheid moet nog steeds omgaan met goed en kwaad, met waarheid en onwaarheid, net als in de zestiende en zeventiende eeuw. Elke wetgever moet nog steeds beslissen wat religieus acceptabel is of niet – mogen kinderoffers wel of niet? -  en daar ligt een nooit-neutrale en ‘bovenwetenschappelijke’ mensvisie aan ten grondslag. Onbeperkte vrijheid bestaat niet, ook niet voor gelovigen. Dieper dan de vraag naar de godsdienstvrijheid is dan ook uiteindelijk die om de ware religie. Ook nu is er een dominant waardenkader, alleen dat wordt niet zozeer in termen gegoten van waar en onwaar, maar in woorden als acceptabel en niet-acceptabel. De huidige discussies over ritueel slachten, jongensbesnijdenis, etc staan in dit kader. Het gedeelde midden verschuift in ‘paarse’ richting en dat betekent dat het zelfbeschikkingsrecht steeds dominanter wordt en de overhand krijgt op aloude praktijken.  

Godsdienstvrijheid nu

Het mooie van de bundel is dat het benadrukt dat godsdienstvrijheid geen abstract concept  is, maar afhankelijk van de context, van concrete mensen. De vormgeving van religieuze vrijheid verschilt naar tijd en plaats, naar eeuw en land. Dat brengt ook voor ons een verantwoordelijkheid met zich mee. Hoe geven wij in 2012 in Nederland deze vrijheid vorm? En hoe overtuigt een minderheid de meerderheid ervan dat vreemde geloofspraktijken een plek verdienen in Nederland?

© WI ChristenUnie