Basisles democratie


Eerste integrale vertaling van 'Over de democratie in Amerika'

Recensie

-----

Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika, Rotterdam: Lemniscaat 2012, 1168 pagina's
-----

Door Eimert van Middelkoop

Naast het veel oudere democratisch stelsel van Groot-Brittannië geldt het Amerikaanse als een model van democratie voor de rest van de wereld. De verkiezing van een nieuwe Amerikaanse president wordt wereldwijd gevolgd. Waar dat ambt geldt als het machtigste van onze wereld is dat begrijpelijk. Dr. Anne Vondeling, oud-voorzitter van onze Tweede Kamer, deed ooit eens het voorstel om voor die verkiezingen alle burgers van deze wereld een vorm van stemrecht te geven.

Mocht dat er ooit eens van komen dan is enige kennis van de ontstaansgeschiedenis en vormgeving van de Amerikaanse federale republiek niet overbodig. Anders dan bij de meeste andere landen ligt die geschiedenis niet in een ver, al dan niet mythisch, verleden. De Verenigde Staten van Amerika zijn een product van de moderne tijd, een deels aan de politieke tekentafel ontwikkelde staatsvorm met als ingrediënten een onstuitbare drang tot vrijheid en gelijkheid, godsdienstijver en verdraagzaamheid. De Founding Fathers van de Amerikaanse Republiek maakten dankbaar gebruik van het politieke denkwerk van de filosofen van het oude Europa, met een bijna revolutionaire verdiscontering van protestante vrijheidszin en de gelijkheidsidealen van de Franse Revolutie.

Tocqueville en Groen

Over die kersverse, in Europese ogen experimentele, nieuwe democratie schreef de Franse politicus, politiek filosoof, socioloog en aristocraat Alexis de Tocqueville in de jaren 1835 tot 1840 als vrucht van een maandenlange reis door dat nieuwe continent zijn meesterwerk Over de democratie in Amerika. Vorig jaar verscheen daarvan voor het eerst in het Nederlandse taalgebied een integrale vertaling. Onbekend was het werk hier overigens niet. Reeds Groen van Prinsterer verwees in een van de latere uitgaven van Ongeloof en Revolutie een tiental malen naar het werk van Tocqueville, veelal met instemming. Beide denkers confronteerden zich met de vruchten van de Franse Revolutie, waarover Tocqueville later een ander meesterwerk L`Ancien Regime et la Révolution schreef, maar anders dan Groen aanvaardde Tocqueville intellectueel de doorwerking van de gelijkheid- en vrijheidsbeginselen van die revolutie. De Verenigde Staten van Amerika toonden in zijn ogen de eerste, radicale doorwerking in een nieuwe, democratische staatsvorm van die beginselen.

Bespreking van dit invloedrijke werk is als vragen aan een theoloog de Bijbel te recenseren. Over de democratie van Amerika moet eerst en vooral gelezen worden. Dat kan, want dit politieke reisverslag is minder een wetenschappelijke verhandeling dan een erudiet reisverslag en is daardoor zeer toegankelijk voor een breed publiek.

Voor het politieke denkwerk binnen de ChristenUnie is niet slechts de thematische en intellectuele verwantschap met het werk van Groen interessant en relevant. Er zijn meer redenen om kennis te nemen van het werk van Tocqueville. Tocqueville heeft het vermogen om niets als vanzelfsprekend aan te nemen. Het resultaat is een ongemeen boeiende beschrijving van de “anatomie” van de Amerikaanse staat, de vigerende beginselen, de betekenis van de godsdienst en de ordening binnen de federale staat. Lezing van Over de democratie van Amerika prikkelt om na te denken over het geraamte van onze constitutionele ordening, de eraan ten grondslag liggende beginselkeuzes, de relatie staat-samenleving, de historische vorm waarin bij ons de relatie religie en politiek in het fenomeen van de zogenaamde Verzuiling gestalte heeft gekregen etc.

Tegenover en naast de soms wat eenzijdige theologische focus binnen de ChristenUnie is een confrontatie met harde politieke realiteiten stellig een vruchtbare exercitie. Tocqueville kan daarbij zeer behulpzaam zijn. Iets vergelijkbaars is te zeggen over een correctie of aanvulling op het soms wat al te grote gezindheidspolitieke accent van onze politieke keuzes. Immers, een politicus kan zich niet slechts verantwoorden met het wijzen op zijn goede bedoelingen en integriteit, hij is ook verantwoordelijk voor het effect van zijn handelen, de grenzen van zijn ambt en het onderhoud van de staat. Tocqueville kan daarbij behulpzaam zijn.

De kracht van het gelijkheidsbeginsel

Vanzelfsprekend moeten de verschillen verdisconteerd worden tussen het Amerika van de 19de eeuw en het actuele Nederland. Echter, de brug en het punt van vergelijking is het concept van de democratie als staatsvorm van de moderne tijd. De Amerikaanse democratie, zoals 175 jaar geleden door Tocqueville beschreven, is gaan gelden als een universeel model. En vrijwel elke Amerikaanse politicus propageert het ook als zodanig, recentelijk de neo-conservatieven zelfs met een bijna dogmatische ijver. Zie Irak.

Voor Tocqueville is de gelijkheid het meest fundamentele maatschappelijke en politieke structuurbeginsel. Hij noemt “de standsgelijkheid steeds meer een oerfeit waarvan elk bijzonder feit afgeleid leek te zijn”. Met “religieuze schrik” heeft hij de onstuitbare doorwerking van dat beginsel beschouwd, eerst in Amerika maar vervolgens ook in Europa. Natuurlijk, het is ook de schrik van een aristocraat, die de met de standen gegeven ongelijkheid altijd als natuurlijk had gezien en nu wordt geconfronteerd met een revolutionaire ontwikkeling. Interessant is nu dat hij niet volstaat met het geven van een normatief oordeel, daarin is hij niet allereerst geïnteresseerd, maar in een weging van dat gelijkheidsbeginsel. En juist daaruit blijkt zijn actualiteit. Hij wijst er op dat er een legitieme hartstocht voor gelijkheid bestaat, die verheft. Daarentegen is er ook een streven naar gelijkheid met een perverse voorkeur voor het naar beneden halen van de sterken tot het niveau van de zwakken en die mensen ertoe overhaalt gelijkheid in slaafsheid te verkiezen boven ongelijkheid in vrijheid. Uit dit type observaties blijkt de profetische kracht van Tocqueville. In een enkele zin wordt gewaarschuwd voor een staatsstructuur, die wij later door het socialisme hebben zien introduceren en recente debatten in Nederland over de Wet gelijke behandeling.

Daarmee verbonden wijst hij op het met het gelijkheidsbeginsel verbonden onstuitbare conformisme van vrije en gelijke mensen, die zich uitleveren aan de moraal van het grootste aantal. Gelijkheid kan mensen aanzetten tot nieuwe gedachten, maar ook tot helemaal niet meer denken. Het was hem in de VS opgevallen dat het individu een massa kant-en-klare opinies aangereikt krijgt, die hem ontlasten van de taak zijn eigen opvattingen te vormen. Een dergelijke observatie dwingt ons nu tot bezinning over wat er in de plaats komt van het interne conformisme dat binnen de zuilen heerste. Meer dan ooit ontwikkelt zich nu een natiebrede publieke opinie, die weinig gevoel heeft voor pluralisme en oprechte verdraagzaamheid (zie de “weigerambtenaar”) en een dwingende kracht van conformisme is.

Het gelijkheidsbeginsel, conformisme en tirannie

Bijna in het voorbijgaan wijst Tocqueville op thema’s, die met het opdringen van de gelijkheid zich agendeerden en pas later de volle aandacht kregen, zoals dat van de maakbaarheid van mens en samenleving en het verwaarlozen van duurzaamheid. Soms prachtig geïllustreerd met een simpele waarneming. Zo vertelde een Amerikaanse matroos hem desgevraagd dat het geen zin had om duurzame schepen te bouwen aangezien de vooruitgang zo snel ging dat veroudering altijd om de hoek lag. “Aristocratische volken zijn van nature geneigd de grenzen van de mogelijkheid van de menselijke volmaakbaarheid te nauw te trekken; democratische volken leggen ze soms te ver”, zo concludeert hij na een enkele observatie. Het boek is vol van dit soort parels.

De bewondering van Tocqueville voor de jonge Amerikaanse democratie verhindert hem niet oog te hebben voor schaduwzijden en risico’s. Mensen in democratieën zouden te weinig ambitieus zijn, want te druk met materiële zaken. De militaire geest dooft uit, want hang naar welvaart, “neiging tot medelijden die door gelijkheid wordt ingegeven, de kilte van de rede” leiden tot het zeldzamer worden van de oorlogszucht. Hier ligt de oorsprong van een hardnekkige these uit de politieke wetenschappen dat de democratie als staatsvorm naties minder naar de wapens doen grijpen. Met Tocqueville valt de logica van deze stelling nog altijd te onderschrijven, de geschiedenis van de 20ste eeuw draagt helaas veel tegenbewijzen aan.

Het deel van de analyse van de democratie als staatsvorm en politieke cultuur, dat gaat over conformisme, horigheid en materialisme is vermoedelijk het meest fameus geworden. Niet in het minst vanwege het profetisch gehalte. “En wat mij in Amerika het meest tegen de borst stuit, is niet de extreme vrijheid die er heerst, maar de weinige waarborgen die men er vindt tegen de tirannie”, zo vat hij in een zin het misschien wel meest centrale thema van zijn boek samen.

Hij wijst erop dat standsgelijkheid leidt tot onafhankelijkheid van geest en dus het gevaar van anarchie in zich bergt. Dat wordt echter geneutraliseerd door een veel minder zichtbare kracht, namelijk die van de horigheid. Die houding is resultante van het gelijkheidbeginsel, de eenvormigheid van wetgeving, de enorme sociale kracht van meerderheidsopvattingen en de publieke opinie. Daaraan verbonden is de bereidheid van de democratische mens om een vergaande centralisatie van macht te accepteren. En dan is er weer zo’n parel: “Democratische volken haten de vertegenwoordigers van de centrale macht vaak, maar zij beminnen die macht zelf”.

Despotisme en de verzorgingsstaat

Als het despotisme zich bij de democratische naties zou vestigen, zo merkt hij op, zal het anders zijn dan in het verleden, namelijk omvangrijker en zachtmoediger, het zou de mensen verlagen zonder hen te kwellen. In de sociologische literatuur ligt hier de eerste en meest oorspronkelijke kritiek op de verzorgingsstaat, zoals deze pas een eeuw later tot volle ontplooiing kwam.

Filosofisch komt hier de analyse van de socioloog Tocqueville parallel lopen met de bijtende kritiek van Friedrich Nietzsche, die wat later sprak over een slavenmoraal en een onderscheid maakte tussen Untermensch en Übermensch.

Beide denkers hebben op onderscheiden wijze aangevoeld wat in de 20ste eeuw tot uitbarsting kwam in de autoritaire en seculiere politieke filosofieën en praxis van het communisme en fascisme.

Beroemd geworden is wat Tocqueville schrijft over de dreiging van het zachte despotisme:

“Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. Elk van hen afzonderlijk staat als een vreemdeling tegenover het lot van alle anderen…Boven hen torent een immense en beschermende macht uit die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig…Zij werkt met genoegen aan hun geluk, maar wil er de enige vertegenwoordiger en de enige scheidsrechter van zijn…zo maakt zij het gebruik van de vrije wil elke dag minder nuttig en zeldzamer… hij verbreekt hun wil niet, maar verzwakt, verdraait en leidt die; hij dwingt zelden tot handelen, maar verzet zich er onophoudelijk tegen dat men handelt; hij vernietigt niet, hij belemmert het ontstaan; hij tiranniseert niet, hij hindert, hij onderdrukt, hij verstoort, hij dooft uit, hij stompt af en reduceert uiteindelijk elke natie tot een kudde schuchtere en vaardige dieren waarvan de staat de herder is”.

Nog altijd doet deze tekst de moderne lezer naar adem happen. En alsof deze analyse van de democratie, deze 19deeeuwse profetie nog niet voldoende is komt hij in de slotakkoorden van zijn analyse tot de verzuchting: “Het is inderdaad moeilijk te begrijpen hoe mensen die volledig hebben afgezien van de gewoonte om zichzelf te leiden, erin zouden kunnen slagen de juiste mensen te kiezen die hen moeten leiden, en het is ondenkbaar dat er ooit een liberaal, energiek en wijs staatsbestuur kan voortkomen uit verkiezingen bij een volk van dienaren”. Wij leven inmiddels anderhalve eeuw later en hebben deze profetische woorden in vervulling zien gaan en gelukkig ook de tegenkrachten, zoals moderne politieke patijen en constituties, tot ontwikkeling zien komen. Deze tekst van Tocqueville blijft echter onverkort relevant!

Religie

In de uitgebreide nabeschouwing bij deze vertaling schrijft de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging dat Tocqueville op jonge leeftijd van zijn geloof afviel. Dat was voor hem een ervaring van een groot verlies, waarover hij zijn leven is blijven rouwen. In zijn beschrijving van de Amerikaanse democratische cultuur besteed Tocqueville ruime aandacht aan de godsdienst als maatschappelijk relevante factor. Hier ligt de oorsprong van de wetenschappelijke aandacht voor het typisch Amerikaanse fenomeen van de 'civil religion'. Anders dan in Nederland waar de godsdienst grotendeels werd 'opgesloten' in de zuilenstructuur, waarvan de basis werd gelegd in de tweede helft van de 19de eeuw, trof Tocqueville in Amerika een religiositeit aan, die het hele leven doortrok en fundeerde. Ook vandaag nog is zijn verbazing daarover het aanhoren waard: “Er is in Europa een bevolkingsgroep wier ongeloof alleen wordt geëvenaard door haar bruutheid en onwetendheid, terwijl men in Amerika een van de meest vrije en meest verlichte volken van de hele wereld alle uiterlijke religieuze plichten met hartstocht ziet vervullen”. In Amerika, zo merkt hij reeds in het begin van zijn boek op, heeft men de geest van de religie en de geest van de vrijheid prachtig weten te combineren.

“Elke religie gaat vergezeld van een politieke opvatting die met haar verwant is”, zo poneert hij. Het christendom dat in Amerika vanuit Europa via immigratie binnenkwam was democratisch en republikeins. Anders wellicht dan in Europa, zo merkt de voormalige katholiek Tocqueville op, is in Amerika ook het katholicisme geen vijand van de democratie. Historische ervaringen hebben in Amerika geleid tot een scherpe scheiding van kerk en staat, een beginsel van vrijheid. De religie stuurt niet het maken van wetten, maar stuurt wel de zeden. Onmiddellijk daarop wijst hij op de grote maatschappelijke betekenis en kracht van het vitale Amerikaanse gezinsleven. “Terwijl de Europeaan aan zijn huiselijke smart probeert te ontsnappen door de samenleving in beroering te brengen, put de Amerikaan uit zijn huisgezin de liefde voor orde die hij vervolgens overdraagt op de staatszaken”. Hier doet Tocqueville een waarneming die ons nog eens bepaalt bij de verwoestende gevolgen van de culturele veranderingen in de jaren ‘60 in ons land, een waarneming met programmatische betekenis voor de christelijke politiek. Met steun van Tocqueville kan ook in Nederland gewezen worden op en opgekomen worden voor de belangrijke relatie tussen de christelijke leer en praxis en politieke, constitutionele en burgerlijke vrijheden. Als we met Tocqueville een relatie mogen leggen tussen het christendom en fundamentele rechtsstatelijke en democratische noties als vrijheid, een sociaal ethos, barmhartigheid en solidariteit, dan moet gedeconfessionaliseerd Nederland zich de vraag stellen hoe in de toekomst deze noties kunnen worden geborgd. Het actuele integratiedebat is een voorbeeld van politieke verruwing, die een baken in zee kan zijn. Als het woord van Kuyper of Groen van Prinsterer niet meer wordt verdragen is er altijd nog dat van de liberaal Tocqueville!

Decentralisatie, de rechterlijke macht en de persvrijheid

Er zijn nog tal van andere thema’s in “Over de democratie in Amerika” die het actuele politieke denken positief kunnen prikkelen. Ik denk aan zijn beschouwingen over bestuurlijke decentralisatie en de belangrijke rol van gemeenten. “De gemeente lijkt rechtstreeks uit de hand Gods voort te komen”, zo schrijft hij, maar van alle vrijheden staat die van gemeenten het meest bloot aan machtsinvasies. Veel Nederlandse gemeentebestuurders zullen hem dat ook nu nog met overtuiging nazeggen.

Meer passend bij de Amerikaanse situatie is zijn bespreking van de grote macht van de rechter en de jurist. Interessant blijft echter zijn analyse van het waarom van die macht, als staatsmacht in en tussen die van de federatie, de deelstaten en het Congres. Hier wijst hij op zaken die relevant zijn voor ons kritisch nadenken over de Europese integratie. Wie herkent niet het waarheidselement in deze waarneming: “De soevereiniteit van de Unie is iets abstracts dat slechts op een beperkt aantal externe objecten betrekking heeft. De soevereiniteit van de deelstaten wordt door alle zintuigen gevat; men begrijpt haar moeiteloos; men ziet haar op elk moment aan het werk”.

Tocqueville geldt ook als de eerste denker die de machtstrijd van de tweede helft van de 20ste eeuw heeft voorzien: “Er zijn tegenwoordig twee grote volken op aarde die verschillende vertrekpunten hebben, maar naar hetzelfde doel lijken op te marcheren: dat zijn de Russen en de Anglo-Amerikanen”.

Iets vergelijkbaars is te zeggen over de aandacht die hij geeft aan een nieuwe maatschappelijke en publieke macht in het Amerika van zijn tijd, namelijk die van de publieke opinie. Hij noemt de persvrijheid eindeloos veel kostbaarder bij democratische naties dan bij alle andere, ook om de uitwassen van het gelijkheidsbeginsel aan de kaak te stellen. Ik sluit af met een uitspraak over de pers, die ik al decennialang tot mijn favoriete reken:

“Ik geef toe dat ik voor de persvrijheid niet die totale en spontane liefde koester die men voelt voor dingen die van nature zonder meer goed zijn. Ik heb haar meer lief vanwege het kwaad dat zij voorkomt en niet zozeer vanwege het goede dat zij voortbrengt”.

 

Eimert van Middelkoop was van 1989 tot 2002 Tweede Kamerlid en van 2003 tot 2007 Eerste Kamerlid voor (eerst GPV en later) ChristenUnie. Van 2007 tot 2010 was hij Minister van Defensie.

© WI ChristenUnie