Wil de ware Verlichting aan gaan?


Door Ad de Bruijne

Enkele jaren geleden raakten Stefan Paas en Paul Kalma (PvdA) met elkaar in discussie. Paas betoogde dat moderne democratische verworvenheden samenhingen met de invloed van de christelijke traditie op de Westerse cultuur. Kalma toonde zich geïrriteerd over deze christelijke claim en wees op seculiere wortels, zoals de klassieke oudheid, Spinoza en de Verlichting. Dit debat illustreert wat op het spel staat in een recent boek van de beroemde Britse historicus Jonathan Israel. Zijn Revolutie van het denken, soepel vertaald door Arend Smilde, onderbouwt Kalma’s positie. Tegelijk daagt het wie denken als Paas uit om zich diepgaand te bezinnen op de Verlichting.

Betere Verlichting

Op de achtergrond van veel actuele maatschappelijke en politieke discussies staat de interpretatie en waardering van de Verlichting. De meningen lopen uiteen. De één waardeert de Verlichting positief, terwijl de ander kritiek uitoefent. Bovendien bestaan er net zo veel Verlichtingen als visies op de Verlichting. De vraag is of de ware Verlichting wil aangaan. De discussies rond de Verlichting zijn ook voor christenen belangrijk. De Verlichting vormde immers de belangrijkste aanleiding voor het ontstaan van de Nederlandse christelijke politieke en maatschappelijke traditie in de 19e eeuw. Groen en Kuyper verzetten zich tegen haar seculariserende effecten. Tegelijk erkenden zij dat de Verlichting voortkwam uit een werkelijk tekort in de samenleving. Christelijke publieke actie volstond niet met het bestrijden van de Verlichting, maar probeerde deze te overtroeven. Zij wilde de gesignaleerde tekorten op een betere manier beantwoorden en honoreerde daarbij ook waarheidselementen van de Verlichting.  Daarbij maakten 19e eeuwse christenen dezelfde claim als Paas tegenover Kalma. Bijvoorbeeld: volgens Kuyper hebben verschillende verlichtingswaarden eigenlijk een christelijke oorsprong. Zij komen pas tot hun recht in de context van een christelijke levensbeschouwing. In zekere zin streefden onze voorouders dus een eigen, betere Verlichting na:  wil de ware Verlichting aan gaan?

Gelegenheidsverbond

Jonathan Israel (Princeton) maakte in de afgelopen jaren naam met een eigen visie op de Verlichting. Dit boek, gebaseerd op een collegereeks in Oxford uit 2008, presenteert deze in kort bestek en bouwt haar ook uit. Daarbij ligt het accent echter minder op de these waarmee Israel vooral aandacht trok, namelijk dat de Verlichting een Nederlandse oorsprong heeft. Israel wordt in dit werk niet alleen gedreven door een historische vraag maar toont zich persoonlijk betrokken als gedreven apologeet van wat hij benoemt als de ‘radicale Verlichting’, één van de subtradities uit de tijd van de Verlichting. Daarbij attaqueert hij met name de modieuze postmoderne Verlichtingskritiek die vandaag domineert, en het daarmee gepaard gaande multiculturalisme en relativisme. Belangrijke verworvenheden van de Verlichting worden daardoor miskend en verkwanseld. Ook orthodoxe christenen moeten hier de oren spitsen. Zij neigen vandaag nogal eens naar een gelegenheidsverbond met dit postmodernisme, bijvoorbeeld in de theologische beweging van Radical Orthodoxy (John Milbank), bij de neocalvinist J.K.A. Smith (Calvin Seminary)  en in verschillende alternatieve benaderingen van kerk zijn en kerkelijk optreden binnen de samenleving (Emerging Church, New Monasticism). Ook onder ‘gewone kerkleden’ hoor je regelmatig verkondigen dat we in een postmoderne tijd leven en de moderniteit achter ons hebben liggen. Dat lijkt handig om het klassieke gevecht met de Verlichting nieuw leven in te blazen. Het brengt ons echter van de regen in de drup. Beter is het juist vandaag onze eigen 19e eeuwse worsteling met de Verlichting op een nieuwe manier voort te zetten.

Kenmerken

Israel laat zien dat centrale kenmerken van hedendaagse samenlevingen teruggaan op ideeën uit de traditie van de ‘radicale Verlichting’. Hij noemt democratie, gelijkheid van individuen, van man en vrouw en van volken en rassen, respect voor homo’s, vrijheid om je eigen leven in te richten, een privésfeer, vrijheid van denken, afschaffing van slavernij, vrije pers, tolerantie ten opzichte van afwijkende opvattingen, recht op sterven bij uitzichtloos lijden, neutraal onderwijs, het niet aanvaarden van armoede en honger, een internationaal orgaan als de Verenigde Naties, oorlogsrecht, economische vooruitgang, en scheiding tussen kerk en staat. Hoewel orthodoxe christenen bij sommige van deze trekken reserves houden, zullen zij de meeste omarmen en zelfs als vanzelfsprekend ervaren. Toch deelden orthodoxe christenen in de 18e eeuw ze veelal niet. Het waren de ‘radicale Verlichters’ die ze propageerden. Alleen dat illustreert al dat christenen vandaag nog niet klaar zijn met de Verlichting. Misschien moeten we haar wel met Israel waarderen als één van de belangrijkste wendingen uit de wereldgeschiedenis.

Familie

Dat Israel zo nadrukkelijk spreekt over de ‘radicale Verlichting’ is omdat hij andere Verlichtingstradities veel minder ziet zitten. De ‘gematigde Verlichting’  en de ‘christelijke Verlichting’ beschouwt hij als relatief onbelangrijk. Uiteindelijk werden ze vermalen in de strijd tussen de ‘radicale Verlichting’ en de contrarevolutonaire beweging, die de 19e eeuw zou domineren. Weliswaar lijkt dan ook de ‘radicale Verlichting’ van het toneel te verdwijnen, maar deze komt na 1945 weer boven om sindsdien heel de wereld te gaan stempelen. Israel neemt dan ook afstand van het gangbare nivellerende spreken over een ‘familie van Verlichtingen’. Alleen de ‘radicalen’ steken de ware Verlichting aan.

Interessant is dat Israel onder de ‘gematigden’ denkers schaart die orthodoxe christenen vaak hebben beschouwd als kernfiguren van de Verlichting en daarmee vooral als opponenten, bijvoorbeeld Locke, Voltaire, Rousseau en gedeeltelijk Kant. Volgens Israel bleven zij juist zo dicht mogelijk bij de bestaande christelijke orde, die zij beschouwden als tot stand gekomen onder de goddelijke voorzienigheid. Daarom aanvaardden zij de maatschappelijke en politieke status quo en misten zij de visie om echte veranderingen tot stand te brengen. Veel van de genoemde trekken van de Verlichting onderschreven zij niet voluit. Israels ‘radicale Verlichting’ begint bij de 17e eeuwse denkers Spinoza en Bayle, en domineert na 1770 het publieke debat, onder meer door een onafgebroken stroom geschriften en pamfletten die breed tot de samenleving doordrongen. Deze ‘revolutie van het denken’ zorgde volgens Israel voor de maatschappelijke en politieke revoluties in Nederland, Amerika en Frankrijk en uiteindelijk voor blijvende verandering in de Westerse wereld. Anders dan de deïstische ‘gematigde Verlichting’ droeg de ‘radicale’ een atheïstisch karakter. Met Spinoza aanvaardde zij in de werkelijkheid maar één substantie, zodat zij geen ruimte zag voor een aparte geestelijke of goddelijke realiteit. Israel noemt bij deze subtraditie veel namen, onder meer van Nederlanders, zoals de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck. De centrale rol ziet hij echter weggelegd voor het drietal Diderot, d’Holbach en Helvétius.

Ideeën

Met zijn benadering strijdt Israel niet alleen op een politiek front. Hij profileert zich tegelijk methodisch, doordat hij de dominante marxistische en sociaal-wetenschappelijke duiding van geschiedenis weerspreekt. Daarbinnen hebben maatschappelijke veranderingen altijd een materiële oorzaak. Israel geeft met zijn ‘radicale Verlichting’ een doorslaggevende plaats aan een denktraditie. De geschiedenis wordt bewogen door ideeën. Weliswaar waren er maatschappelijke aanleidingen, zoals schrijnende armoede, sociale ongelijkheid,  en wrede oorlogvoering. Wil er iets veranderen, dan moet er echter een denkkader zijn dat zulke misstanden ontmaskert en een beter ideaal aanreikt. Israel bewijst zijn these dan ook vooral door een minutieus onderzoek van geschriften en lectuur. Met deze - wat hij noemt - ‘boekhistorische methode’ toont hij volgens mij overtuigend aan hoe doorslaggevend de ‘radicale Verlichting’ was.  Daarbij verdeelt hij zijn materiaal over enkele subterreinen: politiek, economie, oorlog en vrede, en moraal. In dat verband blijkt bijvoorbeeld dat de ‘radicale Verlichting’ afstand houdt van een ‘vrije markt mechanisme’ en niet wars is van overheidsingrijpen. De ‘markt’ hoort meer bij de ‘gematigde Verlichting’ met haar geloof in goddelijke voorzienigheid. Deze begint met de providentieel gegroeide ongelijke startpositie in de samenleving, met als gevolg dat rijken de vrije competitie starten met een voorsprong, die zij vervolgens alleen maar uitbouwen. Ook in de kritiek op de rechtvaardiging van zinloze oorlogen door de ‘gematigde Verlichting’ blijken alleen de radicalen hun tijd echt vooruit. Onder de indruk van de massale slachtpartijen en de grote wreedheid in de militaristische 18e eeuw, en dat vrijwel altijd alleen in dienst van de belangen van vorstenhuizen, pleiten zij voor omvattende wereldvrede en voor een bijpassende internationale orde die net als een nationale samenleving is georganiseerd volgens de principes van gelijkheid en recht.

Dictatuur

Wanneer ik mij, uitgedaagd door Israel, als christen op de Verlichting bezin, signaleer ik eerst het grote risico van de ‘radicale Verlichting’ en van het feit dat figuren als Israel deze vandaag restloos omarmen. Het impliceert een gevaarlijk optimisme. Veel mensen zitten volgens de ‘radicalen’ nog vast in oude structuren en patronen. Anders dan de ‘gematigden’ leggen zij zich daarbij niet neer. Opvoeding en onderwijs kunnen ieder mens vormen tot een redelijk handelend individu. Dat leidt tot dwang. Ook wie liever vasthoudt aan tradities en autoriteitsstructuren, moet zichzelf laten opvoeden. Daarom mag bijvoorbeeld de kerk zich met niet opvoeding en onderwijs bemoeien. Zij houdt mensen onmondig. Wie uitgaat van een gegeven transcendente waarheid, zal vroeg of laat kennismaken met de dictatuur van deze ‘radicale Verlichting’. Het feit dat zij na 1945 het speelveld domineert, bevat daarom voor orthodoxe christenen een onmiskenbare dreiging. Zoals eens de Franse revolutie, aangejaagd door radicale Verlichtingsidealen, uitliep op geweld, zo moeten wij ook vandaag oog krijgen voor de verborgen gewelddadige trek van het laatmoderne liberalisme. Op dat punt heeft de postmoderne Verlichtingskritiek gelijk. Christelijke publieke bezinning en actie dienen daarom vandaag de 19e eeuwse strijd te hernemen en voort te zetten. Niet zozeer om christelijke belangen te beschermen of alsnog een christelijk publiek domein na te streven, maar wel om de hele samenleving te bewaren voor deze bedreiging.

Verfijning

Tegelijk kunnen we niet negeren dat veel ‘radicale’ idealen ook orthodoxe christenen aanspreken. Dat lijkt vreemd, omdat Israel ze herleidt tot een seculier-atheïstische oorsprong. Maar op dit punt behoeft zijn theorie verfijning. Ook de ‘radicale Verlichting’ heeft namelijk christelijke wortels. Israel voert wel aan dat bijvoorbeeld de ‘radicalen’ als eersten pleitten tegen de slavernij, maar hij negeert dat in kerkelijke kringen incidenteel al eerder kritiek klonk. Bijbelse noties als de schepping van ieder mens naar Gods beeld, de gelijkheid binnen de christelijke gemeente als Gods nieuwe mensheid, en het gebod tot naastenliefde brachten al eerder een enkele voorganger daartoe. Dat de meeste christenen op dit punt blind bleven, bewijst niet dat het nieuwe inzicht geen Bijbelse oorsprong kent. Het laat zien dat ook bij christenen traditionele kaders helaas vaak sterker zijn dan het evangelie. ‘Radicale Verlichters’ konden als gevolg van hun spinozistische werkelijkheidsopvatting van die kaders gemakkelijker afstand nemen, met als gevolg dat de betere inzichten zich allereerst bij hen doorzetten. Dat sluit echter niet uit dat zij deze inzichten direct of indirect opdeden aan christelijke bronnen. Israel laat zelf zien hoe ook Spinoza opereerde met de (weliswaar gereduceerde) ethiek van Jezus. Bovendien leert hij ons dat de gangbare verwijzing naar de klassieke oudheid als bron voor veel inzichten (denk aan Kalma) niet overtuigend is. Met de Canadese filosoof George Grant en de Anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan zie ik de kernidealen van de ‘radicale Verlichting’ juist wel in continuïteit met christelijke inhouden. Doordat de ‘radicalen’ echter tegelijk nadrukkelijk afscheid namen van de christelijke traditie, omdat deze zelfs in haar aangepaste varianten niet loskwam van de geldende maatschappelijk orde, ontstond een vertekening van deze inhouden. In dat licht is het niet vreemd dat zij ook en zelfs beter in een christelijke context kunnen passen en dat hedendaagse orthodoxe christenen, inmiddels wel los van verouderde maatschappelijke patronen, niet alleen vervreemding maar ook affiniteit kunnen voelen bij veel idealen van de atheïstische ‘radicale Verlichting’. Zo bezien staat deze toch minder antithetisch ten opzichte van de andere substromen in de Verlichting en wordt de gedachte van een ‘familie van Verlichtingen’ alsnog plausibel. De uitdaging voor orthodoxe christenen wordt dan om alsnog een ‘radicale christelijke Verlichting’ te initiëren en niet om mee te liften met modieuze postmoderne Verlichtingskritiek.

Antichrist

Zicht op de christelijke wortels voor de ‘radicale Verlichting’ onthult tegelijk het ware karakter van deze laatste. Zij voltrekt ten diepste een voortijdig eschaton, een binnenhistorisch ‘einde van de geschiedenis’. Israel citeert de uitspraak dat men destijds de ‘Adam van de nieuwe wereld’ zag opkomen, een onmiskenbare zinspeling op het Bijbelse spreken over een laatste Adam. De christelijk geïnspireerde idealen van de ‘radicale Verlichting’ kunnen alleen door Christus voluit worden verwerkelijkt op een nieuwe aarde. De ‘radicale Verlichting’ forceert ze echter los van Christus in het heden. In het licht van de Bijbelse eschatologie herkennen wij daarom in de ‘radicale Verlichting’ een volgende en misschien wel laatste gestalte van de Antichrist. Het bederf van het beste is het slechtste. De dictatuur van democratie en vrijheid die vandaag dreigt, kan schadelijker uitpakken dan openlijke repressie. Alleen met een profetische blik zullen wij de geestelijke strijd van vandaag peilen, zoals Groen en Kuyper in hun 19e eeuwse context deden. Wij leven in een samenleving met herkenbare christelijke restvruchten, die echter in een vreemd en vertekenend postchristelijk kader staan. In zo’n samenleving kunnen wij ons soms zeer thuis voelen en mogen we ook niet weglopen voor verantwoordelijkheid. Tegelijk moeten we juist daar een nieuwe vorm van vreemdelingschap uitvinden.

N.a.v.  Jonathan Israel, Revolutie van het denken. Radicale Verlichting en de wortels van onze democratie, Franeker: Van Wijnen 2011, prijs 24,99.

Ad de Bruijne is hoogleraar ethiek en spiritualiteit aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg). Zijn onderzoek betreft vooral het terrein van de publieke theologie.

© WI ChristenUnie