Lokale overheid en onderwijs


Door Jan Westert

Lokale overheden hebben met forse opgaven te maken op het gebied van jeugd, zorg en onderwijs. De lokale educatieve agenda (LEA) mag uitblinken door ambitie, maar het geld om deze ambities ook daadwerkelijk te verwezenlijken,  staat door de stevige bezuinigingen bij gemeenten onder druk. Lokale overheden en schoolbesturen hebben intensief overleg met elkaar nodig om tot oplossingen te geraken.

 In het gezin, de buitenschoolse opvang,  de jeugdzorg en in de klas gaat het om een integrale aanpak om de positie van het kind te ondersteunen en te versterken.  Het onderwijsachterstandenbeleid is op die lokale agenda evenzeer een belangrijk thema, maar hierbij spelen schaarse middelen een rol.  Bovendien krijgt het  onderwijs steeds vaker te maken met krimp van scholen vanwege het dalende leerlingental. Dat raakt ook het gemeentelijk beleid evenals de bekostiging van de huisvesting en de kosten van het leerlingen vervoer. Gemeenten en scholen hebben de komende jaren veel met elkaar te verhapstukken. Dat zal spanning opleveren en keuzes vergen, die ook voor de eigenheid van een onderwijsinstelling gevolgen kan hebben. Op de gemeentelijke onderwijs agenda is het de komende jaren schraalhans troef, hoewel de kennissamenleving juist om investering in onderwijs vraagt.  In dit artikel focus ik op de thema’s krimp en onderwijshuisvesting.

Onderwijsbudget en krimp

Uit onderzoek is gebleken dat 80% van de gemeenten op hun onderwijsbudget gaat bezuinigingen. Een op de twintig gemeenten heeft het onderwijsbudget zelfs helemaal afgeschaft. En 40% van de gemeenten heeft de afgelopen jaren ook al op dit budget bezuinigd. Niet alleen aan de kant van de gemeenten is er sprake van een forse druk op het onderwijsbudget, ook scholen hebben het zwaar. Veel schoolbesturen in het primair onderwijs teren in op hun eigen vermogen. De uitgaven zijn structureel hoger dan de inkomsten, zo bleek uit een jaarrekeningonderzoek door de PO-raad. Veel  schoolbesturen zijn de laatste jaren drukdoende met het op orde brengen van de inkomsten en uitgaven. Maar daarmee zijn zij er niet.

Veel scholen hebben te maken met een dalend leerlingental. De krimp in het onderwijs doet zich voelen. In eerste instantie geldt dat vooral het platteland. De actuele discussie over de dorpsscholen is daarvan een concreet voorbeeld. De provincies Friesland, Groningen en Drenthe kampen bijvoorbeeld met de problematiek van krimp. Zo daalt tot 2020 het aantal leerlingen in Drenthe met gemiddeld 13%. In sommige gemeenten en dorpen ligt het aantal nog veel hoger, gemiddeld 20 tot 30%. Het effect van deze ontwikkeling is groot. Minder leerlingen betekent voor scholen minder inkomsten, terwijl vaste lasten, zoals huisvesting en personeel  gelijkblijven of zich veel trager aanpassen. Het clusteren van scholen, of het werken met bovenschoolse teams, zijn aanbevolen oplossingsrichtingen.  Krimp van scholen vraagt om een goede samenwerking met gemeenten om bereikbaarheid en diversiteit te waarborgen. In een Friese gemeente wordt gewerkt om de scholen in de dorpen in stand te houden door de ene school een onderbouw- en de andere een bovenbouwschool te laten zijn.  Het aanpassen aan deze nieuwe realiteit legt dus de nodige druk op gemeenten en schoolbesturen.

Leerlingenvervoer

Krimp is bij uitstek een thema dat zich leent voor overleg aan de LEA-tafel (Lokale Educatieve Agenda).  Demografische veranderingen zullen leiden tot aanpassing. In het begin zal het vooral gaan om aanpassingen in de scholen: minder personeel, minder geld, meer leegstand, te hoge exploitatielasten. Daar zal het niet bij blijven. Bij een voortgaande krimp gaat om herschikking van onderwijsinstellingen en de vraag: hoe organiseer je een evenwichtig schoolaanbod in de gemeente? Daarbij speelt ook de identiteitsvraag van scholen een belangrijke rol. Voor  de lokale overheid brengt dat de vraag mee naar de kosten van het openhouden van scholen van een bepaalde signatuur. Een oplossing kan gevonden worden  in sterk leerlingenvervoer. Zo kunnen kleine scholen mogelijk in stand worden gehouden. Dat geldt zeker ook voor scholen van een specifieke eigen richting, zoals het gereformeerd of reformatorisch onderwijs. Voor wat leerlingenvervoer betreft, geldt dat de gemeente geld beschikbaar moet stellen als de reisafstand meer dan zes kilometer is. Langs deze weg zijn er lokaal scenario’s te ontwikkelen hoe om te gaan met krimp in het onderwijs. Dat is ook een thema om rekening te houden met de planning van de  onderwijshuisvesting. Demografische redenen kunnen een aanleiding zijn om meer scholen onder een dak te plaatsen. Daarbij kan de eigenheid van de school worden gerespecteerd, terwijl er wel efficiënt met het geld op het gebied van huisvesting wordt omgegaan.  De Besturenraad heeft een informatieve brochure uitgegeven over de gevolgen van krimp, de mogelijkheden en keuzes voor het christelijk onderwijs.

Huisvesting

Een ander belangrijk vraagstuk is de doordecentralisatie van de huisvesting. Sinds 1997 is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van het primair en het voortgezet onderwijs overgedragen naar de gemeente. Dat heet decentralisatie van de huisvesting.  Doordecentralisatie wil zeggen, dat de gemeente schoolbesturen zelf verantwoordelijk maakt voor de huisvestingsvoorzieiningen. De gemeente verstrekt jaarlijks een vergoeding.  Doordecentralisatie is een vraagstuk met voetangels en klemmen.  Schoolbesturen zullen in principe niet op deze doordecentralisatie tegen zijn, maar de effecten en risico’s maakt ze ook terughoudend. Dat heeft alles te maken met het beschikbare budget, dat met de doordecentralisatie mee moet komen. Het huisvestingsbudget voor onderwijs in veel gemeenten houdt niet over. Op het gebied van huisvesting moet er veel gebeuren, maar nu even niet, zo is een belangrijke lijn bij verschillende gemeenten.

 Met de overdracht van de huisvesting is ook geld naar de lokale overheid meegekomen. Dit  geld is in het verleden vaak onvoldoende gereserveerd en naar andere doelen gegaan.  De lokale overheid wil de verantwoordelijkheid voor huisvesting met de doordecentralisatie nog wel eens afkopen. Er wordt dan veel geïnvesteerd in het wegwerken van achterstallig  onderhoud, maar lang niet altijd wordt afdoende meegewogen dat veel scholen binnen tien jaar aan vervanging toe zijn.  Die investering moet bij doordecentralisatie niet uit het zicht verdwijnen.

Budgettaire spanning

De budgettaire spanning tussen  gemeenten en scholen wordt ook op andere punten zichtbaar. Steeds vaker wordt van scholen verlangd om in de huisvesting stevig bij te dragen. In geval van nieuwbouw dalen de exploitatielasten ten opzichte van de oude situatie. Het verschil moet maar worden overgedragen aan de gemeente. De gemeente gaat uit van de exploitatielast als norm, terwijl de school uitgaat van de vergoeding als norm. En zo zijn er rond het thema huisvesting meer heikele punten te vermelden. Een investering in een duurzame school  met duurzaam materiaal en duurzame energievoorziening vraagt meer in de sfeer van de investeringskosten. Dat zit niet in het regulier huisvestingsbudget.  Feitelijk kloppen een aantal zaken niet meer met elkaar. Duurdere investeringen in verband met duurzaamheid worden noch door de gemeente, noch door reguliere bekostiging afdoende gedekt. Zeker in een tijd dat gemeenten ook fors moeten bezuinigen ligt hier een dilemma.  Het noodzakelijke geld is vaak niet beschikbaar om adequaat en duurzaam huisvestingsbeleid voor onderwijs op te zetten.

Kortom, politiek beleid op de lokale onderwijsagenda zal de komende jaren door de verschillende ontwikkelingen van groot belang worden.

Jan Westert is voorzitter van de besturenorganisatie voor het gereformeerd onderwijs LVGS en voorzitter van het WI van de ChristenUnie.

 

© WI ChristenUnie