Bezuinigingen een kans voor de culturele sector?


Door Carla Dik-Faber

Toen het kabinet van Winston Churchill, Brits premier tijdens de Tweede Wereldoorlog, voorstelde om extra geld vrij te maken voor de oorlog door te bezuinigen op kunst en cultuur, zei Churchill: ‘Maar waar vechten we dan nog voor’?

Gelukkig leeft ons land niet in oorlogstijd, maar feit is dat de economische crisis wel veel druk legt op de cultuurbegroting. De subsidies op kunst en cultuur worden door het kabinet Rutte-Verhagen gekort met maar liefst 30 procent. Daar bovenop komen nog de bezuinigingen door provincies en gemeenten. Door die stapeling van bezuinigingen, komt de klap in de cultuursector extra hard aan. De vraag is hoe de ChristenUnie hierin staat. Hoe beoordelen we bezuinigingen op kunst en cultuur en in hoeverre kunnen/moeten we hierin meegaan? Om die vraag te beantwoorden, zal ik in het eerste deel van dit artikel ingaan op de relatie tussen kerk en christenen enerzijds en kunst en cultuur anderzijds. In het tweede deel van het artikel geef ik handvatten voor een standpuntbepaling ten aanzien van bezuinigingen in de culturele sector.

Calvijn en Rookmaaker

Voor protestantse christenen geldt dat kunst en cultuur bepaald niet ‘in onze genen’ zitten. Die vervreemding is voor een belangrijk deel ontstaan doordat kunst en kerk zich in de loop van de geschiedenis – vanaf de vroege Renaissance tot de Verlichting – van elkaar losgemaakt hebben. De opkomst van het protestantisme heeft hier ook aan bijgedragen. Zo vanzelfsprekend als kunst een plaats heeft binnen de katholieke traditie, waar architectuur en kunst bijdragen aan een religieuze totaalervaring, zo vanzelfsprekend werd de nadruk op soberheid in protestants-christelijke kerken. Toch valt niet te ontkennen dat de protestanten als volgelingen van Calvijn strenger in de leer waren dan de leermeester zelf. Calvijn keerde zich af van de verering van ‘kunstige voorwerpen’ zoals dat voorkwam in de katholieke kerk, niet van de kunsten zelf. Hij wilde dat kunst functioneerde in wat hij als haar eigen sfeer beschouwde. De kunsten zijn bedoeld voor onze ‘onderwijzing en vermaning’, niet om te worden gebruikt als ‘voertuigen voor eredienst of prediking’. Kunst kan volgens Calvijn ons begrip voor de geschapen werkelijkheid vergroten, onze ervaring verbreden en ‘niet op de laatste plaats ons hart verblijden’.

Het is juist de laatste decennia dat er in protestantse kringen weer nagedacht wordt over de betekenis van kunst. Aan het begin hiervan stond Prof. Hans Rookmaaker, kunsthistoricus en filosoof, en gereformeerd. In 1970 publiceerde hij zijn boek Modern art and the death of a culture, waarin hij een brug wil slaan tussen de seculiere kunstwereld die niets moet hebben van christelijke principiële opvattingen en de christenen zelf, die volgens hem onverschillig staan tegenover moderne en hedendaagse kunst. De kloof tussen christenen en kunst – in de breedste zin van het woord – is volgens Rookmaaker ontstaan doordat christenen zich te lang afzijdig hebben gehouden. De kunsten kregen alle ruimte om zich – vrij van christelijke invloeden – in een richting te bewegen, vaak een richting van God af, waardoor er uiteindelijk kunstvormen zijn ontstaan waarin wij weinig meer herkennen van onze visie op deze wereld. Kan het niet een enorme bezieling teweeg brengen als christenen zich meer op het culturele vlak begeven?

Wereldbeeld en werkelijkheid

Veel christenen ervaren een gevoel van vervreemding bij uitingen van – vooral moderne – kunst en cultuur. De ‘werkelijkheden’ die daarin gepresenteerd worden, roepen geen herkenning bij ons op. De visie van kunstenaars op de wereld waarin zij leven is contextueel bepaald en leidt tot verschillende realiteiten, die vaak niet de onze zijn. Christenen belijden dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is. Dat is een onveranderlijke werkelijkheid, die wij onder elkaar herkennen. Met die werkelijkheid beoordelen wij de wereld om ons heen. Onze visie op kunst en cultuur wordt (mede) daardoor bepaald. Tegelijkertijd zijn wij voluit onderdeel van onze tijd en cultuur. Ook dat beïnvloedt onze visie op kunst. Natuurlijk is het plezierig als we in kunstuitingen ons eigen wereldbeeld herkennen. Die bevestiging voelt goed. De vraag is echter steeds naar welke werkelijkheid we kijken. Het zou goed zijn om ons niet te beperken tot die kunstuitingen, die passen binnen ons eigen wereldbeeld, hoe gerieflijk dat ook zou zijn. Zeker voor hedendaagse kunstenaars geldt dat zij leven in een wereld die ook de onze is. Alleen dat al zou ons bereid moeten maken tot een bepaalde interesse, ook al delen wij niet hun visie.

Dr. J. Douma schreef Over beelden en beeldstormers, christelijk geloof en waardering van schilderkunst (Kampen 2001). Hij wijst ons in zijn boek op het gevaar dat we ónze normen en waarden, die voor een belangrijk deel persoonsgebonden en cultureel bepaald zijn, verheffen tot algemeen, overal en altijd geldende normen en waarden: “Het valt mij op, dat christenen die zich voor kunst interesseren, in hun kritiek op moderne kunst op de noodzaak wijzen om scheppingsnormen te respecteren. Maar als we doorvragen naar wat die scheppingsnormen dan precies zijn, krijgen we meestal geen antwoord. Daar kan ik begrip voor opbrengen. Zodra we met de opsomming van scheppingsnormen voor de kunst zouden beginnen, ligt het voor de hand dat wijzelf normen stellen die we vervolgens het gewijde karakter van scheppingsnormen geven. […] Wat vroeger norm was, hoeft het nu niet meer te zijn. Dat maakt ons voorzichtig en houdt ook de weg voor waardering van moderne kunst open".

Normen en waarden

Valt er dan helemaal niets te zeggen over normen en waarden in de kunsten? Ik denk het wel. Godslastering is natuurlijk nooit acceptabel. Ook het aanzetten tot geweld moet worden afgewezen. Zedenkwetsende uitingen veronderstellen een definitie van wat zedenkwetsend is. Als we tot die definitie willen komen, lopen de meningen algauw uiteen. Bij het morele vraagstuk speelt ook de vraag of de overheid zich moet mengen in de relatie kunst en publiek. Dit valt gemakkelijk met ‘nee’ te beantwoorden, zolang dit een strikt particuliere ‘transactie’ betreft. Mensen kiezen er zelf voor om een tentoonstelling, concert, theaterstuk etc. te bezoeken. Lastiger wordt het als er sprake is van een subsidierelatie of als kunst zich in de openbare ruimte bevindt. De overheid heeft als één van haar taken een fatsoenlijke inrichting van de openbare ruimte. Maar wat is fatsoenlijk? Wie bepaalt dat? Kun je als overheid voorwaarden aan culturele subsidies verbinden en hoe wenselijk is dat?

De wetenschap dat onze visie op hetgeen zich aan ons manifesteert veranderlijk en persoonsgebonden is, maakt het moeilijk om vol te houden dat een onafhankelijke en objectieve visie op kunst bestaat. De vraag is of dat erg is. Het betekent wel dat de overheid terughoudendheid past bij het opstellen van normatieve kaders en veeleer het publieke debat hierover dient te stimuleren. Natuurlijk behoren christenen zich niet afzijdig te houden, maar volop mee te doen aan deze discussie. Voor de ChristenUnie ligt hier een kans om ruimte te geven aan het debat, om niet te denken vanuit ‘verboden’ – zoals in het verleden te vaak gebeurd is – maar vanuit een positieve grondhouding een visie op kunst en cultuur te ontwikkelen, die recht doet aan het belang van cultuur voor een samenleving.

Overheid en samenleving

Cultuur vormt een relatief makkelijke bezuinigingspost. Daarbij is het goed om te beseffen dat cultuur slechts een relatief klein deel van de totale begroting omvat en dus nauwelijks kan bijdragen aan het terugdringen van de omvangrijke tekorten van de overheid. Toch is het niet onlogisch dat de cultuursector het bij bezuinigingsrondes steeds weer moet ontgelden. Het idee van een ‘subsidieverslaafde sector’ is wijdverbreid, al dan niet terecht. Kortingen op budgetten voor kunst en cultuur doen minder pijn – althans zo voelt dat – dan bezuinigingen op bijvoorbeeld het minimabeleid. Cultuur is een ‘luxeproduct’, waarvoor in een economische recessie veel minder geld beschikbaar is. Het is dan ook niet verrassend dat maar liefst 60 procent van de Nederlanders het cultuurbeleid van staatssecretaris Halbe Zijlstra ondersteunt. We zéggen wel dat kunst en cultuur belangrijk zijn voor de samenleving, maar met toenemende begrotingstekorten maken we andere keuzes. De ‘Mars der beschaving’ (juni 2011) bracht veel mensen op de been, maar van massaal protest was zeker geen sprake. Zorg, onderwijs, veiligheid en arbeid… dat zijn de thema’s waar de samenleving zich druk over maakt. Preciezer geformuleerd: dat zijn de thema’s waar we een sterke rol van de overheid verwachten, ook in financiële zin. De culturele sector moet, aldus een meerderheid in onze samenleving, meer op eigen benen staan en minder afhankelijk worden van de overheid. Om dat waar te kunnen maken, is het belangrijk dat de culturele sector en de samenleving meer op elkaar betrokken zijn.

Cultureel ondernemen

De overheid heeft een belangrijke rol als opdrachtgever en subsidieverstrekker voor de culturele sector. Beide staan door forse bezuinigingen onder druk. Cultureel ondernemerschap is de mantra waarmee veel bezuinigingen op de culturele sector verdedigd worden: de culturele sector moet ondernemender worden. Daarmee wordt vooral bedoeld dat de sector minder afhankelijk wordt van overheidssubsidies en meer eigen inkomsten genereert. Daar is op zich niets mis mee, maar het is goed om te beseffen dat ondernemerschap een veel breder begrip is dan alleen geld verdienen, om over winstmaximalisatie maar niet te spreken. Bij ondernemen staat het product centraal. Juist voor de culturele sector geldt dat het product een toegevoegde waarde heeft voor de samenleving. Daarom is het van belang dat de culturele sector zich daarvan (nog) meer bewust wordt, bruggen slaat naar de samenleving en via publieksonderzoek en marketingplannen de aandacht op haar producten weet te vestigen. Een moeilijke taak, omdat kunstenaars en ondernemers tot twee geheel verschillende disciplines behoren. Een cultuurmakelaar kan behulpzaam zijn door een netwerk op te bouwen en kennis en kunde van betrokken partijen (cultuursector, bedrijfsleven, toerisme en recreatie, maatschappelijke organisaties en inwoners) bij elkaar te brengen. De overheid kan behulpzaam zijn door een platform te bieden voor het uitwisselen van ‘best practices’.

Bovendien moet de overheid een omslag in haar denken maken en een volwassen relatie aangaan met de culturele sector: niet langer tekorten financieren, maar producten met maatschappelijke relevantie inkopen en daar zakelijke afspraken over maken. Er wordt al decennia lang gesproken over hervorming van het subsidiestelsel. Al in de jaren 1990 pleitte staatssecretaris Rick van der Ploeg (PvdA) voor cultureel ondernemerschap. In de tussentijd zijn zeker stappen in de goede richting gezet. We moeten ons echter afvragen of een omslag nooit op grote schaal is gemaakt, doordat de overheid met subsidiestromen het systeem in stand heeft gehouden.

Minder en beter

Daarmee creëren de bezuinigingen ook kansen. De culturele sector is nogal eens in zichzelf gekeerd en intern verdeeld en wordt nu uitgedaagd om samen te werken en bruggen te bouwen naar de samenleving. Het initiatief van de ‘Tafel van Zes’ viel op, doordat culturele instellingen, fondsen en belangenorganisaties – onder druk van de bezuinigingen – voor het eerst in hun bestaansgeschiedenis de handen ineen sloegen en een gezamenlijke visie op de toekomst presenteerden. Helaas viel de Tafel van Zes uiteen voordat de inkt van hun advies droog was. De titel van het rapport luidde veelzeggend: ‘Minder waar het kan, beter waar het moet; een pleidooi voor een andere rol van de overheid’. Inkomensregelingen hebben ervoor gezorgd dat het aantal kunstenaars in alle kunstdisciplines explosief toenam, waardoor uiteindelijk het aanbod de vraag verre oversteeg. Het lijkt erop dat er een overaanbod van middelmatige kunst en cultuur is ontstaan, die met het huidige subsidiestelsel in stand wordt gehouden. Dit heeft het aanzien van het culturele veld geen goed gedaan. Het kan dus zeker een tandje minder en versobering is mogelijk.

Er ligt echter ook een gevaar op de loer. Als de kunst- en cultuursector uitsluitend aan ‘de markt’ wordt overgelaten, zal verschraling in het culturele aanbod optreden. Volledige ‘vermarkting’ van de culturele sector betekent dat de ‘André Rieu’s’ wel overeind zullen blijven. Het meer bijzondere aanbod, waar het publiek niet massaal toestroomt, zal verdwijnen. Van de overheid mag verwacht worden dat zij niet alleen aandacht heeft voor de economische waarde van kunst en cultuur, maar juist ook voor de artistieke of intrinsieke waarde. De overheid mag die waarden niet uit het oog verliezen. Zij zou het tot haar kerntaken moeten rekenen om in het cultuurbeleid ruimte te bieden voor vernieuwing. Jonge, talentvolle kunstenaars in alle kunstdisciplines moeten de kans krijgen een eigen inkomensvoorziening op te bouwen. Een experimentenfonds en creatieve ‘broedplekken’ kunnen daaraan bijdragen. Gemeenten doen er goed aan over hun eigen grenzen te kijken en het cultuurbeleid in regionaal verband af te stemmen. Alleen op die manier kan een breed, maar vooral ook divers cultureel aanbod in stand worden gehouden.

Kunst en cultuur voor iedereen?

De overheid moet niet alleen zorgen voor een divers cultureel aanbod, maar heeft ook tot taak om een ‘culturele infrastructuur’ in stand te houden. We willen immers voorkomen dat door het dichtdraaien van de subsidiekraan, de toegankelijkheid van kunst- en cultuur(educatie) onder druk komt te staan. Niet voor niets is in het ChristenUnie verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2010 opgenomen, dat ‘kunst en cultuur bereikbaar moeten zijn voor iedereen’. Onduidelijk is wat we daarmee precies bedoelen, hoe we dit willen realiseren en wat het mag kosten. Kan in het licht van de bezuinigingen deze ambitie overeind blijven? Die discussie is het waard om met elkaar te voeren.

Carla Dik-Faber is kunsthistorica en Statenlid/fractievoorzitter voor de ChristenUnie in de provincie Utrecht

© WI ChristenUnie