Kansen voor de kerk?


Recensie


-----
Luke Bretherton
Christianity and Contemporary Politics. The Conditions and Possibilities of Faithful Witness Chichester: Wiley-Blackwell 2010
ISBN 978 1 4051 9969 9
251 pagina’s.
----- 

Door Esther Jonker

Zo’n beetje elke bewust levende christen kent inmiddels de Michazondag, onderschrijft de millenniumdoelen, scheidt zijn afval en vindt dat kiloknallers niet meer kunnen. Opgevoed door de christelijke opinie weet hij dat een al te onbekommerd leven zonder rekenschap niet meer van deze tijd is.

De Engelse politieke denker Luke Bretherton beschrijft zulke dagelijkse microkeuzes in zijn boek Christianity and Contemporary Politics als onverwachte voorbeelden van christelijke politiek. Bretherton hanteert daarvoor een breed en weinig institutioneel begrip van ‘christelijke politiek’. De relevantie van zijn boek voor de confessionele partijpolitiek van de ChristenUnie lijkt daarmee nogal klein. Maar dat is te snel geoordeeld. Het is juist Brethertons talent om schijnbaar tegenovergestelden met elkaar te verbinden. Niet alleen de ‘grote’ en ‘kleine’ politieke keuzes, maar ook theorie en praktijk brengt hij in zijn inspirerende boek bijeen. Hij verenigt ze ook als persoon: als actieve deelnemer aan de lokale politiek en als docent politieke theologie aan King’s College in Londen.

Christelijke antwoorden

In zijn boek gaat Bretherton op zoek naar christelijke praktijken die een antwoord kunnen geven op de grote politieke thema’s van deze tijd: wat zijn de grenzen van de staat, van de markt, van de gemeenschap? Hij wil die praktijken gebruiken als alternatief voor de antwoorden van buiten de christelijke traditie die christenen zich soms maar al te gemakkelijk laten opdringen. Daarbij stelt hij vragen als: Hoe politiek is een initiatief als Fair Trade? En wat zijn precies christelijke antwoorden op de vraag hoe we met asielzoekers moeten omgaan? Welke mogelijkheden kunnen we benutten als we samenwerken met andere geloofsgemeenschappen? En hoe ver kunnen we gaan in het accepteren van overheidsgeld voor christelijke organisaties? Me dunkt dat met deze vragen de relevantie voor ons politieke werk als ChristenUnie geen betoog meer hoeft.

Tegenpraktijken

Om Bretherton goed te kunnen begrijpen en zijn antwoorden op de juiste waarde te kunnen schatten, zullen we ons eerst moeten verdiepen in de achtergronden van zijn denken en de specifieke context waarin hij schrijft. Alleen dan kunnen we bepalen wat wij met zijn ideeën kunnen. Ten eerste is het dan belangrijk om te weten met wie Bretherton in gesprek is. Zijn boek veronderstelt voorkennis van een aantal mensen die er in het huidige (Engelstalige) politiek-theologische discours toe doen. De selectie van zijn gesprekspartners is enigszins eclectisch. Hij bepaalt per thema met wie hij een vruchtbare vergelijking kan maken. Bretherton presenteert de voornaamsten onder hen als auteurs van wat hij noemt de ecclesial-turn. Onder hen inmiddels ook in Nederland bekende namen als Stanley Hauerwas, Oliver O’Donovan, Joan Lockwood O’Donovan, William Cavanaugh en John Milbank. Het is nogal gewaagd van Bretherton om deze uiteenlopende theologen onder één noemer te brengen. De reden dat hij ze bij elkaar neemt, is dat ze binnen de recente Angelsaksische theologie degenen zijn geweest die vanuit het perspectief van de kerk over politiek hebben proberen na te denken.[1] Ze beschrijven elk op hun eigen manier hoe de kerk praktijken kent (samen zingen, schuld belijden, brood delen) waarin mensen zich, sociaal en politiek gesproken, anders tot elkaar leren verhouden dan in de moderne samenleving vaak het geval is. Bretherton noemt dit de ‘tegenpraktijken’ van de kerk. Kort gezegd wil dat zeggen: in de kerk heerst een ander Koninkrijk en christenen kunnen niet anders dan vanuit dat Koninkrijk naar de verhoudingen in deze wereld kijken. Het woord ‘kerk’ heeft daarbij, in ieder geval voor Bretherton, een heel ruime invulling. Het gaat enerzijds om het institutionele collectief, de gemeenschap op zondag. Maar elke individuele christen, lid van het Lichaam van Christus, kan tevens als pars pro toto de kerk representeren.

Engelse context

Ten tweede is het van belang te beseffen dat Bretherton schrijft vanuit de Angelsaksische context (VK en VS), waarin christelijke politieke partijen (vrijwel) geen rol spelen. Zijn gezichtspunt is dat van ‘de christen in de politiek’. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat hij vanuit de kerk en het Koninkrijk denkt, als de vormende en bepalende identiteit van een christenpoliticus.

Het boek is opgebouwd uit een introductie, waarin Bretherton zijn manier van werken en theologische positie toelicht, vier hoofdstukken over concrete politieke issues en een slotbeschouwing. In de vier politiek getinte hoofdstukken onderneemt Bretherton telkens dezelfde exercitie. Allereerst schetst hij, zo concreet mogelijk, het politieke probleem en de christelijke praktijk die daarop antwoordt. Hij brengt daarbij verdieping aan op basis van wetenschappelijke literatuur. Daarna zet hij de praktijk in het licht van het theologische debat over politiek en brengt hij de argumenten daaruit in kaart. Bretherton benadrukt daarbij dat zijn boek niet zozeer nieuwe conceptuele kaders schetst, maar veeleer inzet op de verbinding van bestaande praktijk met bestaande theorie. Om in beeld te krijgen hoe Bretherton dat doet, zal ik hieronder de hoofdstukken bespreken, waarbij ik direct moet aantekenen dat het boek zoveel aspecten en debatten meeneemt, dat het hieronder volgende slechts heel algemeen kan blijven.

Levensbeschouwelijke organisaties

Het eerste hoofdstuk begint met een meer generiek onderwerp: de verhouding tussen de overheid en organisaties met een levensbeschouwelijke achtergrond, in het bijzonder de christelijke. In het hoofdstuk onderzoekt Bretherton in hoeverre deze organisaties zich door de overheid moeten willen laten financieren. Waar Bretherton de vinger bij legt, is dat de overheid met het afkalven van de civil society op zoek naar is nieuwe, krachtige partners. Daarbij komen organisaties vanuit allerlei levensbeschouwelijke achtergronden in beeld. Hij stelt dat er nogal eens competitie ontstaat tussen deze organisaties, in de run om het overheidsgeld. De staat zorgt zodoende voor onderlinge verdeeldheid, maar legt daarvoor graag de schuld bij de organisaties zelf met de slogan “religie verdeelt”. Bretherton wijst op nog twee andere problemen die kunnen ontstaan. De overheid verwacht bijvoorbeeld vaak andere dingen van een christelijke organisatie dan wat die zelf als kerntaak heeft benoemd. En samenwerking met de overheid heeft ook veelal een seculariserend effect op de organisaties. Ze passen zich aan de wensen van de overheid aan en vervreemden daarmee van hun eigen achtergrond. In het kader hiervan bespreekt Bretherton de liberale these van het neutrale publieke domein en confronteert hij die met de opvattingen van Hauerwas, Paus Johannes II en de O’Donovans. In die ontmoeting klinken kritische geluiden over de grenzen van de liberale staat en van de democratie. Christenen, de kerk, christelijke organisaties – zij zouden op hun qui vive moeten zijn in het aangaan van relaties met de overheid. Zeker zodra die ertoe leiden dat ze hun eigen kleur moeten verloochenen en zich moeten mengen in de competitie om overheidsgeld. Voortdurend is het van belang om als christenen, als kerk, te beseffen dat we allereerst geroepen zijn om kerk te zijn, burgers van een ander Koninkrijk; natuurlijk wel met een boodschap voor de wereld én een roeping in die wereld.

Sterke samenleving

In de hoofdstukken twee en drie komen praktijken aan de orde die het belang van de naaste dienen. Zo vraagt hoofdstuk twee naar de mogelijkheden in de samenwerking tussen verschillende (geloofs)gemeenschappen. Bretherton beschrijft daarvoor de praktijk van community organizing, gebaseerd op het werk en gedachtegoed van Saul Alinsky. Deze praktijk brengt bestaande gemeenschappen van heel uiteenlopende achtergrond met elkaar in gesprek rond gedeelde waarden en een gezamenlijk streven, bijvoorbeeld samenhang in de wijk. De praktijk is dus een pleidooi voor een sterke samenleving, met ruimte voor pluriformiteit. Vaak gebeurt dit buiten de politiek om, of zelfs tegen de politiek in. Politici kunnen de ontstane initiatieven volgens Bretherton wel ondersteunen door ze te promoten. Afsluitend legt hij ook deze praktijk naast de theorie, zoals het werk van Augustinus en de ideeën van William Cavanaugh, Jacques Maritain en John Milbank.

Gastvrijheid centraal

In het derde hoofdstuk bespreekt Bretherton de zorg voor vluchtelingen op nationaal niveau. Centraal stelt hij de these dat gastvrijheid de centrale praktijk van de kerk, en dus van elke christen, moet zijn. Bretherton ziet in de steeds sterkere nadruk op de natiestaat een gebrek aan inzicht in wat onze gedeelde belangen en waarden zijn en hoe die vervolgens bijdragen aan belangen en waarden van een hogere orde. Daarbij ontwikkelt de natiestaat een tendens om vluchtelingen tot bare life te reduceren. En juist dat kwetsbare, naakte leven heeft geen status in diezelfde natiestaat. In de kerk leert de christen echter om de vluchteling als naaste te herkennen. Juist in de kerk weten we hoe we over plaatsen en tijden heen verbonden kunnen zijn met mensen die wij niet als directe naasten kenden, maar die we als zodanig ontvangen in de gezamenlijke viering van de liturgie. En vanuit die herkenning kan ook de christenpoliticus de vluchteling erkennen als medemens, zonder daarin grenzen als barrières te zien. Bretherton put voor deze analyse onder andere uit het werk van Bernd Wannenwetsch.

Kritisch consumeren

In het vierde en laatste politieke hoofdstuk gaat Bretherton in op de globale economische verhoudingen en de manieren waarop christenen daarin een verschil kunnen maken. Hij hanteert hiervoor de term ‘political consumerism’, die onder wetenschappers wordt gebruikt als aanduiding voor kritisch consumeren. De term veronderstelt een politieke onderlaag in dat kritische consumptiepatroon, aangezien het om keuzes gaat die een politieke lading hebben. Bretherton wijst onder andere op de invloed van Fair Trade en ziet dit als een mogelijkheid voor elke christen om in het leven van alledag politiek te bedrijven die ertoe doet. En ook dit hoofdstuk besluit hij met een theologische discussie, waarin hij een mozaïek van ideeën legt.

Niets geleerd?

Hoe helpt dit alles ons nu bij de reflectie op ons politieke handelen? Gezien het verschil in context tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk zullen we Brethertons ideeën niet één op één kunnen kopiëren, maar een meer algemene toepassing moeten zoeken. Op het eerste gezicht lijken we dan niet veel verder te komen dan waar we al zijn: zorg voor vluchtelingen, stimuleer een sterke samenleving en pluriformiteit, wees kritisch op de globale economie en de vereconomisering van ons taalgebruik. ‘Niets geleerd’ zou dan de conclusie kunnen zijn. Maar Brethertons prestatie is het, om die standpunten als het ware grond onder de voeten te geven vanuit het politiek-theologische debat anno 2012. Daarmee voorziet hij ze van extra stevigheid en doordachtheid. Hij gaat de uitdaging aan om de inspirerende maar vaak zo ingewikkelde conceptuele kaders van theologen als Cavanaugh, Milbank en de O’Donovans te verbinden met de concrete politieke praktijken van christenen. En dat alleen al zie ik als grote winst, want die kloof blijft maar al te vaak onoverbrugd.

Partij is geen kerk

Ook krijgen we van Bretherton een kritische blik aangereikt op issues die we als ChristenUnie wellicht te gemakkelijk hebben geaccepteerd. Bijvoorbeeld een overwegend positieve waardering van samenwerking tussen de kerk of christelijke organisaties en de overheid. Hierbij denk ik vooral aan het denken in ‘kansen voor de kerk’ bij de invoering van de WMO en rekensommetjes over ‘hoeveel de kerk de overheid wel niet bespaart’.[2] Hoe gemakkelijk ontstaat dan de suggestie dat ons bestaansrecht afhangt van de waardering door de overheid? Daarnaast denk ik dat de Angelsaksische setting en het theologisch perspectief van waaruit Bretherton schrijft ons relativerende lessen kunnen aanreiken over al te heikele partijkwesties. Bijvoorbeeld door de kerk (in de brede zin zoals Bretherton die gebruikt) te zien als de bepalende identiteit voor elke christen, ook de christenpoliticus.[3] In die kerk, de gemeenschap der heiligen, leert een christen wat het betekent om burger te zijn van twee werelden. En ook wat het zou kunnen betekenen om dat publiek te maken in zijn politieke roeping. Dan hoeven we als partij geen kerk te spelen (en mensen buiten te sluiten), maar ontmoeten we elkaar als kerkleden in de partij.

Prachtig perspectief

In zijn conclusie schetst Bretherton daarvoor een prachtig perspectief dat mij raakt: “The public work of the church is thus to be an agent of healing and repair within the political, economic and social order, contradicting the prideful, violent, and exclusionary logics at work in the saeculum and opening it out to its fulfillment in Christ.” Niet om al te aards reeds in het hier en nu het Koninkrijk te bouwen, maar om anderen te laten delen in het verwachtingsvolle perspectief dat ook nu al zijn stralen vooruitwerpt in het leven van ieder christen.

dr. Esther Jonker is voorzitter van de ChristenUnie Leiden e.o. en werkt aan de Hogeschool Leiden als beleidsmedewerker.


[1] Helaas ontstaat er in Nederland al snel spraakverwarring over het woord ‘kerk’ in deze context. Zo wordt het begrip nogal eens te institutioneel ingevuld, als de gemeenschap waar men ‘s zondags de lofzang zingt en die men op maandag weer zou zijn vergeten. Vgl. recent nog R. Kuiper, Dienstbare Politiek, Amsterdam 2011, p. 18, die een kloof ervaart in het denken van Hauerwas en O’Donovan tussen de christen in de kerk en in de wereld. Wie deze auteurs echter in context leest, ziet dat dit allerminst de interpretatie is die zij voorstaan.

[2] Zie bijv. Dienstbaarheid, Vrijheid, Duurzaamheid, Amsterdam 2011, p. 9.

[3] Zie hiervoor ook A.L.Th. de Bruijne, ‘Niet van deze wereld. De hedendaagse Gereformeerde publieke theologie en de “doperse optie”’ in Theologia Reformata 54 (2011), p. 366-390.

© WI ChristenUnie