De opstand van Utopia


De opstand van Utopia


Door Richard Steenvoorde

Het politieke denken van Thomas More (1478-1535) over een ideale samenleving, samengevat in het woord Utopia, is van links tot rechts wel eens geclaimd. Maar waar ging het More nu eigenlijk echt om? En welke betekenis heeft zijn dood vandaag voor ons denken over de moderne rechtsstaat?

Ze waren beiden briljante leerlingen. Hun vaders hadden grote verwachtingen en hoopten dat ze rechten zouden gaan studeren. Want in handel en recht lag immers de toekomst. Maarten Luther (1483-1546) liet de rechtenstudie voor wat die was en trok, tegen de zin van zijn vader, het klooster in om daar Augustijner koorheer te worden. Het zou geen succes worden. Thomas More (1478-1535) zag uit naar een carrière in de kerk, maar dacht dat hij in het huwelijk gelukkiger zou worden, en werd, conform de wensen van zijn vader, jurist.[1] En juist hij schreef vlak voor zijn marteldood dat hij nog nooit zo gelukkig was geweest als in die eenvoudige donkere cel in de Tower omringd door studiegeschriften en getijdenboek. In hun leven zouden More en Luther vaak tegenover elkaar staan, al ging de communicatie via pamfletten. Maar de een zal nooit naar de ander hebben kunnen kijken zonder dit idee te hebben: ‘Slechts voor de gratie Gods, daar had ik zelf kunnen staan’.

'Beschermheilige van politici'

Maarten Luther zou voor altijd verbonden blijven met het begin van de 16e eeuwse reformatie. Thomas More werd door zijn vriend Desiderius Erasmus (1466?-1536) na zijn dood beschreven als omnibus omnium horarum homo: een man voor alle seizoenen.[2] Dit had niet meteen een negatieve klank. De goede verstaander herkent er de woorden uit de eerste Korintiërsbrief in: “Alles ben ik voor allen, om er tot elke prijs enkelen te redden.” En daarmee vatte Erasmus een van de drijfveren van More goed samen. More was beducht voor ketterijen en ging ver in het bestrijden ervan. Het scherpste wapen dat hij hanteerde was zijn pen, maar ook de sterke arm der wet werd door hem ingezet toen hij als hoogste leek koning Hendrik de VIII van Engeland diende. Hij stond voor de eenheid van het rijk en voor de eenheid van de kerk. En deze positie zou hem uiteindelijk zijn kop kosten.

In 1935 verklaarde paus Pius XI dat de Rooms-katholieke Kerk vanaf dat moment More als een heilige zou beschouwen. En in 2000 riep paus Johannes Paulus II hem uit tot de beschermheilige van politici.[3] Maar was More wel zo’n grote heilige, zoals latere hagiografen beweren? Wat was de betekenis van zijn beroemdste boek Utopia (1516): is het een satire of de voorloper van het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friederich Engels (1848)? En waaruit bestond het beroep op het eigen geweten nu eigenlijk dat More tot het schavot bracht? Ten slotte, wat kunnen wij hiervan leren voor de positie van de christelijke politicus in de moderne rechtsstaat?

Geroepen tot heiligheid

Thomas More werd geboren in 1478 als tweede kind van John More en Agnes Graunger. John was jurist net als de vader van Agnes. Thomas was een populaire voornaam in de tijd en verwees zowel naar zijn grootvader aan moederskant als naar de heilige Thomas Becket (zie artikel “Moord in de Kathedraal"[4]). Hij blijkt een goede leerling en zijn ouders besluiten, zoals gebruikelijk in die tijd, om hem onder de hoede van een goede leermeester te plaatsen. In dit geval werd het John Morton (1420-1500), Lord Chancellor en aartsbisschop van Canterbury. Twee jaar lang verblijft More onder de hoede van Morton. Hierdoor kregen de Benedictijnse tradities van de monniken in Canterbury een blijvende invloed op zijn ontwikkeling.[5]

Zonder Morton was More nooit in Oxford beland. Hij had kunnen gaan studeren aan het door Morton gestichte Balliol College, maar het werd Canterbury College (het huidige Christ Church).[6] In Oxford ontmoette More monniken die zich met veel enthousiasme richtten op de bestudering van het Grieks en de klassieke Griekse werken. Met name onder invloed van de prior van het huis, William Selling,[7] kwam er een hele nieuwe beweging op gang die de grondslagen zou leggen voor een mogelijke christelijke renaissance. Maar de weerstand tegen het Grieks was groot. Dat zou ook later blijken bij de strijd over de vertalingen van de Bijbel uit het Grieks in de volksstaal. Twee jaar later zou More Oxford al weer verlaten, op aandringen van zijn vader, om zich in Londen aan de studie van het recht te gaan wijden.      

"Halverwege de hemel"

Maar het kloosterideaal laat hem niet los. Hij trekt in bij de Karthuizers in Londen. Deze orde stond sinds 1490 toe dat ongetrouwde mannen een tijd in hun gemeenschap konden inwonen. Let wel, More had geen last van een depressie waarvan hij probeert te vluchten door in een klooster te gaan zitten. Zoals iedere man van zijn leeftijd stond hij in die tijd voor de vraag of zijn roeping in de kerk lag of in de wereld. Een tijd lang combineerde hij beide. Aan de ene kant deed hij mee aan het contemplatieve en ascetische regime van de Karthuizers, aan de andere kant wierp hij zich vol enthousiasme op zijn rechtenstudie. Zijn dagritme werd bepaald door het getijdengebed, studie en gesprekken met medestudenten.[8] Ondanks alle kritiek van Erasmus op de Karthuizers, bleven zij voor More speciaal. Hij omschreef zijn gevoelens tijdens het nachtelijk gebed in de Karthuizerkerk eens als “halverwege de hemel”.[9]

Twee huwelijken

More verdiept zich in het werk van de Italiaanse humanist Giovanni Pico della Mirandola (1463-1493) die onder andere de stelling poneerde dat je jezelf aan God kunt geven midden in de wereld.[10] Niet lang na het lezen van een (ander) gedicht van deze humanist, besluit More, tot opluchting van zijn vader, het klooster te verlaten. Kort daarna, het is dan 1505, treedt hij (27) in het huwelijk met zijn eerste vrouw Jane Colt (17). De snelheid heeft sommigen verbaasd, al wijst de historicus Marius erop dat voor More het huwelijk allereerst een oplossing was voor zijn seksuele verlangens. En voor de rest meende hij dat het een kwestie was van het goed opvoeden van een jonge vrouw. Het werd dan ook geen gelukkig huwelijk. Jane protesteerde tegen deze behandeling door haar man.[11] Toch krijgt het paar vier kinderen en gaat More zich inzetten voor een goede opvoeding van vrouwen in het algemeen, waarbij hijzelf het voorbeeld gaf. Zijn dochters kregen in huis dezelfde opvoeding als zijn zonen.

Als zijn eerste vrouw in 1511 op 23-jarige leeftijd overlijdt, hertrouwt hij bijna onmiddellijk daarna met Alice Middelton, een betere match. More is dan echter wel bezig met het opklimmen van de maatschappelijke en politieke ladder.

Utopia

Nergensland, zo vertaalde Marie H. van der Zeyde de titel van het beroemde boek van Thomas More uit 1516 in het Nederlands.[12] Maar ze had het woord 'Utopia' kunnen laten staan. Ook wij begrijpen dat het een niet te verwezenlijken ideaal omschrijft, een denkbeeldige, volmaakt gelukkige staat. Die betekenis heeft het woord in vele andere Europese talen. Dat feit helpt om de impact van het boek te illustreren op de Europese politieke filosofie en geschiedenis.

Het boek ontstond tijdens een diplomatieke missie van More in Vlaanderen. Tijdens een korte onderbreking bezoekt More de jonge talentvolle bestuurder Pieter Gillis (1486-1533) die vlakbij de OLV Kathedraal van Antwerpen woonde. More laat het boek Utopia dan ook beginnen met een ontmoeting tussen hem en de man die Utopia bezocht, kapitein Raphaël Hythlodaeus. Het was de tijd van de grote ontdekkingsreizen. Er hing verandering in de lucht. Erasmus zou zijn eerste vertaling van de Bijbel uit het Grieks gaan uitbrengen. Een paar maanden later zou Luther zijn 95 thesen poneren. Maar nog niet.

Voorloper van het socialisme?

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel is een scherpe kritiek te vinden op de actuele ontwikkelingen in kerk en samenleving. Het tweede deel bevat een beschrijving van de inrichting en gebruiken van ‘nergensland’. Het is wel eens vergeleken met Erasmus’ Lof der zotheid, maar dat lijkt bij nader inzien niet op te gaan. Lof der Zotheid bestaat uit scherpe observaties en satirische overdrijvingen, maar kent een milde ondertoon. Utopia daarentegen is gedegen geordend volgens vele regels. Als een gotische kathedraal een ordening van theologie in stenen is en de Summa Theologiae van Thomas van Aquino (1225-1274) een ordening van filosofie en theologie in schrift, dan kan in diezelfde geest Utopia begrepen worden als een sociale ordening.[13]

Voor socialisten is More de voorloper geworden van hun beweging. Omschreef hij immers niet een ideaalbeeld van een tolerante samenleving waarin iedereen werkt en niemand gebrek lijdt; waar geen rijken en geen armen zijn? Een land waar aller arbeid de welvaart van allen tot doel heeft (de common good)?[14] Het is waar dat sommige ideeën later verdere uitwerking zouden vinden in het socialisme. Maar het grote verschil is wel gebleven dat de Utopiërs geen plannen hadden om hun leefwijze over de eigen grens te verspreiden. Ze beseften dat aan hun eigen kunnen beperkingen zaten. Niet alles was mogelijk. De ideale samenleving kon alleen bestaan in Nergensland.

Godsdienst in Utopia

De bespreking over de religie in Utopia begint met een discussie over de verhouding tussen geloof en rede. Hierin speelt het denken van Aristoteles op de achtergrond. De filosofie is gebaseerd op waarnemingen door de zintuigen. Deze filosofie maakt een objectieve analyse van die waarnemingen en geholpen door de logica helpt zij ons bij de ontdekking van morele waarden, mits de religie daarin meegenomen wordt.[15]

Dit volste vertrouwen in eigen waarneming verklaart de schok die More ervoer in zijn discussie met protestanten. Zij hielden hem voor dat de mens onbekwaam was tot enig goed, en dat de onsterfelijkheid van de ziel nog maar de vraag was. Voor More stond de ontkenning van de onsterfelijkheid van de ziel gelijk aan de ontkenning van mannen en vrouwen om zichzelf te zien als menselijke wezens met een onaantastbare waarde.[16] In die opvatting liep More vooruit op de discussie die gevoerd zou gaan worden over de ziel van indianen die op dat moment in Amerika werden ontdekt. Deze discussie zou de opmaat gaan vormen voor de geleidelijke ontdekking van de menselijke waardigheid in het christelijke denken.

More meende dat een mens naast de rede ook een basisintuïtie voor religie had. Dat zien we terug in zijn beschrijving van religie in Utopia:

 “… de grote meerderheid… gelooft … aan één goddelijk Wezen, verborgen, eeuwig, onmenselijk, ondoorgrondelijk, dat op een wijze die boven het menselijk begrip gaat, de ganse wereld doorwoont – niet met zijn lichamelijke aanwezigheid, maar met zijn kracht; Hem noemen zij Vader.”[17]

Religieuze intuïtie

Eén pagina later wordt al duidelijk dat er in Utopia een grote belangstelling voor het christendom bestaat, ze hadden er alleen nog nooit van gehoord totdat Hythlodaeus het land ontdekte. Al snel volgen er bekeringen en doopsels. Het enige wat echt als een bedreiging wordt gezien in Utopia is het atheïsme. De reden hiervoor is dat ‘wie geen vrees kent die verder reikt dan de wet, geen hoop heeft die verder gaat dan het aardse leven, daar ligt in de rede dat hij zal doen waar hij zin in heeft, en daarbij zoveel hij kan de wetten van zijn land ontduiken en overtreden.’[18]

More’s opmerking over de algemene natuurlijke religieuze intuïtie van de Utopiërs staat haaks op de discussies die kort daarop aan protestantse zijde gevoerd zouden worden. Was de mens immers niet geneigd tot alle kwaad en voor zijn redding geheel afhankelijk van Gods genade en uitverkiezing? More meende van niet, ieder mens – katholiek of Utopiër – kon op grond van zijn godsdienstige basisintuïtie in de positie komen waar Gods genade hem kon ontmoeten en vervolgens met de genade meewerken aan zijn redding.

Opgang en ondergang

De publicatie van Utopia wordt vaak gezien als het grote begin, de doorbraak van More als humanist. Maar eigenlijk markeert het boek het einde van zijn droom te leven als wetenschapper en schrijver. More’s carrière in het publieke en politieke leven namen een hoge vlucht. Hij zou raadsheer van koning Hendrik VIII worden en zich bezighouden met het bestrijden van ketterijen, eerst op papier, later als bestuurder. Daarbij schijnt hij zich niet altijd bewust te zijn geweest dat de echtscheidingskwestie van koning Hendrik VIII ook de grondslag zou gaan vormen van een door de koning ingezette kerkhervorming.

Op 15 mei 1532 legden de Engelse bisschoppen zich neer bij de wil van de koning en daarmee ontstaat de facto de Engelse Kerk met aan het hoofd koning Hendrik VIII. Een dag later neemt More ontslag als Lord Chancellor en trekt zich terug uit het publieke leven en  richt zich al schrijvend op weerleggingen van werken van William Tyndale en Huldrych Zwingli.

Twee jaar later kwam het einde in zicht. Op 23 maart 1534 nam het parlement de Act of Succession aan die verklaarde dat het eerste huwelijk van de koning van het begin af aan onwettig was geweest en zijn huwelijk met Anne Boleyn wel wettig. More kon in deze wet niets anders zien dan de usurpatie door de burgerlijke autoriteit van de sacramentele macht van de kerk en het sacrament van het huwelijk. Van nu af aan was de Engelse kerk geen onderdeel meer van de wereldkerk, maar subject van een parlement dat ook besloot over belastingen en oorlog, en daarmee onderdaan van de prins van de seculiere wereld, de Satan.[19]

In een gevangeniscel

Op zondagavond 12 april wordt More opgeroepen om een eed van trouw af te komen leggen aan de erfgenamen uit het huwelijk van Hendrik en Anne. More gaat naar de kleine kerk bij zijn huis, biecht, hoort de mis en gaat ter communie. De andere ochtend herhaalt dit zich. Daarna begeeft hij zich naar het water, zegt zijn gezin vaarwel, en sluit het hek. In de boot onderweg naar Lambeth fluistert More zijn schoonzoon toe: “Zoon Roper, ik dank God dat de slag gewonnen is.” Niet wetend wat hij daarmee bedoelde, antwoordde Roper: “Heer, daar ben ik heel blij om”.[20]

Tijdens het daaropvolgende proces en de gevangenschap betoont More zich een dapper mens. Aan de ene kant is hij getuige van de wreedheid van de koning. Zo worden onder zijn raam de monniken van het Karthuizerklooster waar hij zo graag kwam weggevoerd om gemarteld te worden. Aan de andere kant ziet More de gevangeniscel als een plek van genade waar hij het leven als Karthuizer enkele maanden kan leven. Uit deze tijd stamt misschien wel zijn mooiste werk: A Dialogue of Comfort Against Tribulation. Als een paar dagen voor zijn executie zijn boeken en gebedenboeken worden afgenomen sluit hij de gordijnen en slijt zijn dagen in duisternis. More wordt ondervraagd en gechanteerd maar hij weigert de eed af te leggen. Op de vroege morgen van 6 juli 1535 volgt zijn executie, maar niet nadat hij, volgens een ooggetuigenverslag, heeft gezegd dat hij sterft als de trouwe dienaar van de vorst, maar ten eerste die van God.

De vragen die blijven

More stierf niet als martelaar voor zijn humanistische ideeën, maar als martelaar voor zijn katholieke geloof.[21] Ondanks alle kritiek op zijn kerk was hij tegen alles wat een scheuring zou betekenen. Hij stierf voor het utopische ideaal dat de geschiedenis ondanks alle chaos een einddoel heeft dat gelegen is in God; dat te midden van alle onheil en rampspoed God een instrument gegeven heeft, de Kerk, die blijft. Een Kerk met zijn imperfecte kanten en zijn heiligheid die een brug van genade vormt waarop stervelingen en God elkaar kunnen ontmoeten. En dat betekent dat een kerk die, ondanks dat Thomas van Aquino had gesproken over de hemelse grondslag van het aardse bestuur, in handen van een vorst en van politici valt voor More niet langer het middel kon zijn van de voortdurende incarnatie van God in de wereld door Woord en Sacrament.[22]

More mag dan humanist zijn geweest, hij was zeker niet altijd mild. Wie zijn polemieken tegen Luther en Tyndale bestudeert ontmoet een ijzeren vuist verpakt in een fluwelen handschoen.

De paradox van de moderne rechtsstaat

Wat is nu de betekenis van More voor onze moderne rechtsstaat? Er wordt vaak verwezen naar More als een held voor politici die hun geweten blijven volgen al gaat dit dwars tegen de publieke opinie in.[23] Maar er is nog een dimensie. Deze werd benoemd door paus Benedictus XVI toen hij in september 2010 sprak in Westminster Hall, enige meters van de plaats waar More ter dood werd veroordeeld:

“…en toch blijven de fundamentele vragen uit het proces van Thomas More in steeds wisselende termen aan de orde bij nieuwe sociale omstandigheden. Voor elke nieuwe generatie geldt weer als het om de bevordering van het algemeen belang gaat: welke eisen mogen regeringen redelijkerwijze aan burgers stellen? Hoe ver mogen deze reiken? En tot welke autoriteit kan men zich wenden bij morele dilemma’s? Deze vragen voeren ons direct tot de ethische grondslagen van het publieke debat. Als de morele principes achter het democratische proces zelf door niets sterkers worden bepaald dan sociale consensus, wordt de kwetsbaarheid van het proces wel erg evident. Hier ligt de werkelijke uitdaging voor de democratie.”[24]

Deze prangende vragen werden al eens eerder gesteld en zijn bekend geworden als de Böckenförde-paradox. In de jaren zestig van de vorige eeuw poneerde de Duitse jurist en christen Ernst-Wolfgang Böckenförde (geb. 1930) een vraag die nog regelmatig tot felle discussies leidt:

“De vrije, geseculariseerde staat leeft van voorwaarden die hij zelf niet kan garanderen. Dat is het grote waagstuk die hij omwille van de vrijheid is aangegaan.”[25]

De morele principes van het democratisch proces berusten op meer dan de sociale consensus. Deze artikelenserie over de middeleeuwse grondslagen van de moderne rechtsstaat heeft willen laten zien dat een deel van die voorwaarden haar wortels heeft in de concrete ervaring van het christelijk denken met de mogelijkheden en de onmogelijkheden van politieke macht. Hiervoor is meerdere malen een prijs betaald die ons bevattingsvermogen te boven gaat. Alleen daarom al is het belangrijk om deze vergeten geschiedenissen weer voor het voetlicht te brengen.

Afsluiting serie

Hiermee eindigt de serie over middeleeuwse bijdragen aan de moderne rechtsstaat. Er valt veel meer over te zeggen. Ik hoop dat de artikelen een eerste indruk hebben gegeven van een tijdperk dat door velen wordt afgeschreven als ‘niet belangrijk’ of ‘niet interessant’. Echter, zonder een gedegen kennis van het verleden ontberen wij de grondslag om ons te richten op de toekomst.

 

Houd mij ver van het pad van de trouwelozen

Geef mij de genade van uw wet

Ik kies het pad van trouw

Ik houd uw voorschriften voor ogen.

(Psalm 119)

Samenvatting

  • Thomas More was christelijk humanist en politicus.
  • More’s beroemdste werk, Utopia, beïnvloedde onze moderne politieke cultuur.
  • De vragen over de juiste verhouding tussen kerk, staat en eigen geweten uit het strafproces tegen More zijn nog steeds van belang.

 

Mr. Dr. R.A.J. Steenvoorde is jurist RK Kerkprovincie en Visiting fellow Blackfriars Hall, Universiteit van Oxford.

© WI ChristenUnie

 



[1] R. Marius, Thomas More, A Biography, London: J.M. Dent & Son LTD (1985), p. 264.

[2] Brief aan Willem Budé, 1521 in: Collected Works of Erasmus, Volume 8, Letter 1233, p. 297. Trans. R. A. B. Mynors, University of Toronto Press, 1987-8. 3.

[3] Paus Johannes Paulus II, motu properio, E Sancti Thomae Mori, 31 oktober 2000, www.vatican.va

[4] DenkWijzer 2011/2, p.24-30.

[5] J. Sutera, The origins of the oblate movement: in the oblate life: Canterbury Press (2008), p. 34.

[6] Marius (1985), p. 24.

[7] C.M. Barron, The making of a London Citizen, in: G.M. Logan (2011), The Cambridge Companion to Thomas More, Cambridge: Cambridge University Press (2011), p. 11.

[8] P. Berglar, Thomas More: a lonely voice against the power of the State, Adams Verlag, Cologne, Germany (1999), p. 8-11.

[9] R.B. Lockhart, "O bonitas!" Hushes to silence: Leominster: Gracewing (2001), p. VII.

[10] Berglar 1999, p. 13.

[11] Marius (1985), p. 40.

[12] Thomas More, Utopia, vertaald door Marie H. van der Zeyde, Amsterdam: Atheneum Polak & Van Gennip (1973) 2007.

[13] Marius (1985), p. 164.

[14] Van der Zeyde (1973), p. 234.

[15] Marius (1985), p. 181.

[16] Marius (1985), p. 181.

[17] More (2007), p. 173.

[18] More (2007), p. 178.

[19] Marius (1985), p. 459.

[20] Marius (1985), p. 460.

[21] Van der Zeyde (1973), p. 255.

[22] Vergl. Marius (1985)

[23] Paus Johannes Paulus II, E Sancti Thomae Mori (2000)

[24] Paus Benedictus XVI, Ontmoeting met vertegenwoordigers van de Britse samenleving inclusief corps diplomatique, politici, academici en ondernemers, Westminster Hall, City of Westminster, vrijdag 17 september 2010, in: Kerkelijke Documentatie, jaargang 38, nummer 7-8, november 2010, pp. 15-18.

[25] Ernst-Wolfgang Böckenförde, Kirche und christlicher Glaube in den Herausforderungen der Zeit. Beiträge zur politisch-theologischen Verfassungsgeschichte 1957-2002: Münster 2004, p. 229.

© WI ChristenUnie