Seculier Europa ontleed op bevrijdend nuchtere wijze

Philip Jenkins

Gods werelddeel: christendom, islam en de religieuze crisis in Europa

480 pagina's

Nieuw Amsterdam

Amsterdam 2010

ISBN: 978-90-468-0788-0

Vertaling van: God's continent: christianity, islam and Europe's religious crisis (2007)

Door Remco van Mulligen

 

 

Seculier Europa ontleed op bevrijdend nuchtere wijze

 

Wilders’ Fitna is ‘absurd misleidend’ waar deze suggereert dat islamitische terreur rechtstreeks voortkomt uit het wrede karakter van de islam. Het is niet de Koran maar de Bijbel die, naast diverse oproepen tot genocide, met het verhaal van de suïcide van Simson de perfecte legitimatie levert voor het plegen van zelfmoordaanslagen. Dat stelt Philip Jenkins in de inleiding voor de Nederlandse vertaling van Gods werelddeel: christendom, islam en de religieuze crisis in Europa.

 

De toon is meteen gezet. Jenkins’ aandacht gaat vooral uit naar de vermeende opkomst van de islam. Daarmee geeft hij indirect een beeld van de échte religieuze crisis in Europa: het onvermogen van de geseculariseerde mens om met religie om te gaan, en de schijnbare doodsstrijd van het christendom.

 

Het christendom is niet dood

 

De ondertitel van Jenkins’ uitvoerige analyse suggereert dat hij de lezer vooral inzicht zal geven in de transformatie van het christendom en het proces van secularisatie. In de eerste hoofdstukken verwijst Jenkins regelmatig naar statistieken en opinieonderzoeken, waaruit onder andere blijkt dat in moslimlanden religie het persoonlijke en publieke leven dieper doordrenkt dan in Europa. Op het eerste gezicht klinkt dat veelzeggend en het verwijst ook naar een onderliggende realiteit die klopt. Maar bij dergelijke statistieken, die de subjectieve ervaring van de ondervraagden tot norm verheffen, kunnen fundamentele kanttekeningen geplaatst worden. Jenkins doet dat niet, waardoor zijn boek soms op een wat ‘journalistiek’ niveau blijft steken.

 

Secularisering is voor Jenkins een gegeven, de vanzelfsprekende achtergrond bij zijn bespreking van hedendaagse religie in Europa. Christendom en islam verdwijnen niet, maar passen zich aan ‘eurosecularisme’ aan. Ook refereert hij aan The death of Christian Britain, het invloedrijke werk van de historicus Callum Brown, waarin deze de teloorgang van het christendom in Groot Brittannië omschrijft. Peter van Rooden poneerde een soortgelijke these in zijn artikel over ‘het vreemde sterven van het Nederlandse christendom’: een abrupte neergang die inzette vanaf de jaren zestig.

 

Hier ligt het werkelijke verhaal over de ‘religieuze crisis’ in Europa. Het debat onder sociologen, antropologen, theologen en historici is allerminst beslist. De grote vraag is vooral, of religiositeit afneemt of ‘slechts’ transformeert. In Gods werelddeel neemt Jenkins duidelijk een positie in (Europa seculariseert, maar het christendom kan daar in de toekomst een antwoord op vinden). Hij verhoudt zich echter te weinig tot de andere deelnemers aan dit debat en hun posities.

 

Jenkins’ gevoel voor nuance en historisch besef zijn echter een verademing. Terecht wijst hij erop dat het christendom door de eeuwen heen het meest innovatief en krachtig opbloeide tijdens periodes van neergang en verdrukking. De kerk heeft het absolute dieptepunt, de periode van de Franse Revolutie, al overleefd en dat biedt hoop. Jenkins ziet in het Europa van nu lichtpuntjes: het toenemend enthousiasme voor bedevaarten, de opkomst van de evangelische beweging en de massale toestroom van bewonderaars in Europese landen waaraan de paus een bezoek brengt. Wie roept dat het met het christendom gedaan is moet naar de geschiedenis kijken en zich ernstig achter de oren krabben.

 

Moslimextremisme als sociaal-economisch en cultureel probleem

 

De meerwaarde van Gods werelddeel ligt niet in de analyse van het christendom, maar in de visie op de islam. Hier komen de twee carrières van Jenkins samen. Na een studie geschiedenis werd hij in 1980 assistant-professor in de criminologie. Pas vele jaren later verlegde hij zijn focus naar het onderwerp van de religie. In Gods werelddeel neemt de analyse van islamitisch terrorisme en de reactie van Europa daarop, ruim de helft van de pagina’s in beslag.

 

De auteur relativeert: in de meeste Europese landen vormen moslims hooguit enkele procenten van de bevolking. Frankrijk en Nederland steken hier bovenuit met 11 respectievelijk 6 procent. Jenkins haalt onderzoeken aan waaruit blijkt dat de islam hooguit zal groeien tot 10, en in enkele landen wellicht 20 procent van de bevolking. Geboortecijfers passen zich nu al aan het Westerse patroon aan. Assimilerende krachten doen hun werk. Of een christen hier troost uit moet putten valt te bezien. In feite zegt Jenkins immers: wees gerust, het seculiere individualisme dat het christendom heeft verslonden, zal ook de islam oppeuzelen.

 

De belangrijkste boodschap van Jenkins is echter: we hebben hier niet primair met een religieus probleem te maken. Slechts een minderheid van de islamitische extremisten onderhoudt ook werkelijk actief zijn of haar geloof. Extremisten vormen bovendien geen groot internationaal netwerk. Hierbij haalt hij de Hofstadgroep aan als typerend voorbeeld: veelal gaat het om migrantenkinderen van de tweede generatie, die los staan van de oorspronkelijke cultuur van hun ouders, maar zich ook achtergesteld voelen in het land waar ze zijn geboren en opgegroeid. Jenkins zoekt de oorzaken van radicalisering in culturele ontworteling en sociaal-economische achterstelling. Hij trekt meermalen de vergelijking met de positie van Afro-Amerikanen in de VS.

 

Het sterke van zijn analyse is dat het niet blijft bij een relativering: de onmiskenbare gevaren, verbonden aan islamitische terreur, worden door Jenkins uitgebreid benoemd. Ook de IRA, ETA en RAF hadden geen internationale netwerken of talrijke ideologische achterban nodig: enkele tientallen gefrustreerde jonge mensen zijn, zowel vroeger als nu, voldoende om flink wat bloedige ravage aan te richten. De Hofstadgroep was klein en opereerde grotendeels zelfstandig, net als de linkse terreurbewegingen die Europa in de jaren zeventig en tachtig teisterden.

 

Spiegel

 

Uit de manier waarop in diverse Europese landen op islamitisch fanatisme gereageerd wordt, blijkt hoezeer de Europeaan de omgang met religie verleerd is. Jenkins benadert Europa als een ‘Verlicht christelijk’ continent, waar cultuur, politiek en religie grotendeels gescheiden zijn. In de islam is dat niet het geval en daar hebben ‘wij’ moeite mee, concludeert hij. We vinden het eng dat de Saudi’s overal in Europa moslims steunen en de bouw van grote moskeeën financieren, terwijl ze in hun eigen land de bouw van kerken niet toestaan. Hij wijst op het theocratische repressieve regime dat Calvijn in Genève vestigde, om aan te tonen dat ook het christendom tot zoiets in staat is. Waarom echter zo ver in het verleden teruggaan? De armen van de katholieke kerk, met het Vaticaan als centrum, strekken zich over de hele wereld uit. En de SGP wil in Nederland nog altijd ‘valse godsdienst’ (islam, katholicisme) bestrijden.

 

Jenkins benoemt de wederzijdse beïnvloeding tussen christendom en islam. Zo wijst hij op het iconoclastische in de islam, wat is overgenomen door de orthodoxen. De beeldenstormers van de Reformatie laat hij overigens buiten beschouwing. De twee punten waarmee Europese moslims worstelen – seksualiteit en de positie van de vrouw – zijn tevens twee grote pijnpunten in het orthodoxe christendom. Jenkins verzuimt die vergelijking te maken. Hij noemt het proces tegen imam El-Moumni naar aanleiding van diens uitspraken over homoseksualiteit in 2001. Dit doet direct denken aan het proces tegen RPF-leider Leen van Dijke, dat in datzelfde jaar eindigde in vrijspraak door de Hoge Raad. Ook Van Dijke was voor de rechter gesleept vanwege uitspraken over homoseksualiteit.

 

De veranderende positie van moslimvrouwen komt uitgebreid aan de orde: Jenkins wijst op het ‘importeren’ van bruiden in Europa, omdat vrouwen uit het land van herkomst beter voldoen aan bepaalde culturele idealen. De enige manier om te voorkomen dat deze vrouwen verwestersen, is door ze volstrekt af te sluiten van hun omgeving. In het Nederlandse orthodoxe protestantisme werkt dat niet anders. De veel modernere leefstijl en opvattingen van vrouwen uit evangelische milieus, ten opzichte van die van vrouwen in reformatorische milieus, bewijst dat openheid naar de buitenwereld ook hier leidt tot assimilatie. Jenkins’ drang om te prikkelen uit zich perfect als hij het heeft over de ‘positieve’ conclusie die je kunt trekken uit de toename van eerwraak in Europa: dat dit gebeurt wijst erop dat moslimvrouwen westers worden in hun gedrag.

 

Europa moet wennen aan een multireligieus klimaat, zegt Jenkins. Voor Nederland geldt mijns inziens het omgekeerde: wij zijn van multireligiositeit overgegaan naar een seculiere monocultuur, die steeds minder ruimte laat voor andersdenkende minderheden. De woorden van kardinaal Simonis, door Jenkins geciteerd, geven dit fraai weer: ‘Politici vragen moslims of ze onze waarden aanvaarden. Ik vraag: “Welke waarden zijn dat? Het homohuwelijk? Euthanasie?”’

 

Jenkins concludeert: ‘Misschien is het toch niet zozeer een moslimprobleem als wel een godsdienstprobleem, een systematisch onvermogen van de Europese elite om religieus denken en voelen te begrijpen.’ Dat heeft ruimte gegeven aan angst voor moslims die irrationele proporties heeft aangenomen en waar Wilders’ PVV electoraal van profiteert. Het antwoord zoekt Jenkins bij de houding van de katholieke kerk. Daar ziet hij twee stromingen. De ene, met paus Johannes Paulus II als belangrijkste representant, wil de islam omarmen als bondgenoot in de strijd tegen secularisme. Onder Benedictus XVI kiest men echter volgens Jenkins een ‘harde lijn’, gerepresenteerd door kardinaal Ruini, die stelde dat er in Italië best islamitisch onderwijs mocht komen, als dit zich maar onderwierp aan democratische waarden en niet aan ‘een sociaal gevaarlijke vorm van indoctrinatie’ deed. Als Nederlander denk je dan: is dat alles? Wij zijn Wilders gewend en die zou Ruini op basis van deze uitspraak hebben betiteld als een ‘theedrinkende moslimknuffelaar’ of iets dergelijks. Wat Jenkins als ‘hard’ omschrijft, vinden wij in Nederland inmiddels ‘soft’.

 

Gods werelddeel eindigt bemoedigend. Jenkins ziet aanknopingspunten voor een herleving van het christendom in Europa en wijst erop dat diepe dalen en forse tegenslagen in het verleden altijd een louterend effect op het christendom hebben gehad. Het antwoord dat (vooral) het katholicisme vindt op de seculariteit en de islam in Europa, kan volgens Jenkins veel betekenen in de omgang met secularisering.

 

In wetenschappelijk opzicht is Gods werelddeel niet de meest revolutionaire publicatie. Maar vanwege de actualiteit en urgentie van de thematiek en de grondige wijze waarop Jenkins zijn visie documenteert, is dit zeker een baanbrekend boek. Erg leesbaar geschreven bovendien, geschikt voor een publiek dat breder is dan de intellectuele elite. Als Amerikaan kijkt Jenkins met gezonde distantie naar wat er zich in dat rare Europa voltrekt. Daarbij helpt hij mythes om zeep zonder de grimmige kanten van de realiteit te verdoezelen en verlost hij ons van onze seculiere oogkleppen.

 

Wat moet de ChristenUnie met Jenkins?

 

Jenkins biedt geen concrete politieke aanbevelingen, zoals bijvoorbeeld Voorwaarden voor vrede van Gert-Jan Segers. Er zijn meer verschillen. Segers wijst uitvoerig naar religie als factor, vindt ook dat de overheid daar ‘iets’ mee moet, terwijl Jenkins zijn analyse richt op culturele en sociale aspecten. En waar Jenkins Mohammed Bouyeri als redelijk geassimileerd ziet, verwijst Segers naar hem als een voorbeeld van slechte integratie, met Nederland als “land van aankomst”.

 

De ChristenUnie kan Gods werelddeel benutten om de islam in perspectief te zien en een nuchter weerwoord te bieden tegen de doembeelden die vanuit de hoek van de PVV geschetst worden. Hij benadert Europese moslims niet als wezensvreemd aan de cultuur en identiteit van dit werelddeel: ze zijn veel westerser dan we vaak denken, ze horen bij ons. Bouyeri is een Amsterdammer die naar porno keek.

 

Jenkins laat zien dat het seculiere Nederland uitblinkt in onmacht als het gaat om de omgang met religie. Hij eindigt met de boodschap dat juist de houding van Europese christenen cruciaal is voor het verdere verloop van deze nieuwe fase in onze geschiedenis. Voor partijen als de ChristenUnie, die de religieuze gedrevenheid van moslims begrijpen maar tevens stevig wortelen in de Europese cultuur, is dan wellicht een sleutelrol weggelegd.

 

 

Kader:

Remco van Mulligen werkt aan de VU aan een promotieonderzoek naar de opkomst van een evangelische beweging (EO, RPF, EH) in een steeds meer seculier wordende samenleving.