Gerechtigheid verhoogt een volk

Gerechtigheid verhoogt een volk

Bijbelse geboden in de politiek

 

Door Jurn de Vries

 

In het Kernprogramma van de ChristenUnie komen we viermaal het woord ‘gerechtigheid’ tegen. Dat is niet vreemd, want het is een centrale term in de Bijbel. Maar wat wordt er eigenlijk precies mee bedoeld, als we het vertalen naar onze politieke context? Moet ‘gerechtigheid’, zoals dat in de Bijbel naar voren komt, de centrale norm voor overheidshandelen zijn? Moeten de Tien Geboden door onze overheid worden afgekondigd en gehandhaafd?

De eerste keer dat gerechtigheid in het kernprogramma genoemd wordt, is in 2.2: ,,Door Zijn Woord wijst Hij [God] ook voor het overheidsbeleid de weg aan. Gerechtigheid verhoogt een volk (Spreuken 14:34).’’ Vervolgens in 3.1: ,,Bij de uitoefening van haar ambt hanteert zij [de overheid] de Bijbelse norm van de publieke gerechtigheid.’’ Verder zegt het program dat Europese samenwerking de publieke gerechtigheid moet bevorderen (6.1) en dat het streven naar internationale gerechtigheid dringt tot samenwerkring met andere staten (11.2).

 

Zonder gerechtigheid een roversbende

Het program geeft dus één concrete Schriftverwijzing op dit punt en die is zeker ter zake: ,,Rechtvaardigheid verheft een volk, zonde maakt het te schande.’’(NBV) De Korte Verklaring denkt hier bij ‘rechtvaardigheid’ aan een handelen in overeenstemming met de wet van de HERE, maar het is de vraag of dat zo bedoeld is. De Bijbel gebruikt dan meestal een ander woord, dat met ‘recht’ vertaald wordt (,,Door mij … verordenen de machthebbers recht’’, Spr. 8:15). Bij het woord ‘gerechtigheid’ gaat het erom dat recht gedaan wordt aan wie onrecht heeft geleden. Dat brengt de strekking dicht bij het betonen van barmhartigheid. In Matt. 6:1v. heeft het zelfs de betekenis ‘aalmoes’ gekregen.

De woorden ‘een volk’ geven aan dat deze spreuk niet alleen voor Israël gold, maar een algemene wijsheid is. Gerechtigheid behoort elke staat te kenmerken. Volgens Augustinus kan een gemeenschap van mensen waarbinnen geen gerechtigheid bestaat, geen staat genoemd worden. Als de gerechtigheid opzij gezet wordt, blijft van de staat niets over dan een roversbende.[1]

 

Goed, kwaad en de overheid Wanneer het Kernprogramma spreekt over de Bijbelse norm van publieke gerechtigheid, zal worden bedoeld dat de Bijbel leert te onderscheiden tussen goed en kwaad. Dat geldt voor ieder persoonlijk, maar op specifieke wijze voor overheden. Hun taak is immers bij uitstek om in deze bedeling tussen de hemelvaart en de wederkomst van Christus te oordelen over goed en kwaad. De overheid is door God gegeven als weerhoudende macht tegen de doorwerking van de zonde. Ze moet mensen die kwaad doen, straffen, om zo het samenleven van mensen te beschermen (Rom. 13:4). Voor de uitoefening van die taak heeft de overheid wijsheid en inzicht nodig, en die kan zij vinden in het geopenbaarde Woord van God.

Maar hoe ver strekt die taak zich uit? Waar eindigt de publieke verantwoordelijkheid van de overheid en begint de persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder mens? Als wij die grens niet trekken en de taak van de overheid onbeperkt achten, ontstaat een geestelijke dictatuur. Kijken we bijvoorbeeld naar de Tien Geboden van Exodus 20: zouden die ook in onze tijd als publieke geboden door de overheid moeten worden afgekondigd en gehandhaafd?

 

Staat en Tien Geboden

Deze Tien Geboden bevatten zeker belangrijke wijsheid voor het overheidsbeleid. Prediker 12:13 zegt: ,,Heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens’’, dus zeker ook voor mensen die met overheidsgezag zijn bekleed. Toch is het goed hierbij te overwegen dat de wet van Exodus 20 niet als universele regel voor alle volken is afgekondigd. Deze tekst heeft een plaats in het verbond tussen God en zijn volk en richt zich tot mensen die verlost zijn uit de slavernij – toen van Egypte, nu van de duivel. Deze wet vraagt om verbondsgehoorzaamheid.

Dat betekent dat deze wet vandaag niet rechtstreeks kan functioneren als document tussen overheid en volk in een samenleving waarin mensen van velerlei snit samenwonen. De oproep om ontzag voor God te hebben, komt weliswaar tot elk mens, maar die komt niet via het Wetboek van Strafrecht met daaraan verbonden strafsancties. Die vraagt geloof en bekering. Ieder mens, dus ook een gezagsdrager, wordt wel opgeroepen zelf volgens Gods geboden te leven, maar dit houdt nog niet in dat hij anderen met uiterlijke middelen (waarover de overheid ambtshalve beschikt) daartoe mag dwingen.

 

Hoeder van de wet?

Het is daarom minder juist de overheid aan te duiden als ,,hoeder van de beide tafelen der wet’’, zoals Calvijn in de Institutie deed[2] en zoals de Franse Geloofsbelijdenis van 1559 heeft overgenomen (artikel 39).[3] Dat leidt namelijk tot de gevolgtrekking dat de overheid ook het dienen van andere goden en het maken van beelden van God of schepselen om die te vereren, zou moeten verbieden en straffen. We komen er ook niet uit door deze publieke taak te beperken tot de zogenaamde tweede tafel van de wet, want het laatste gebod richt zich niet op gedragingen, maar op onze innerlijke houding en daarover kan een wereldlijke rechter niet oordelen.

Wanneer de overheid rechtstreeks verantwoordelijk wordt geacht voor de naleving van de wet van God door haar onderdanen, ontstaat ook een te nauwe verstrengeling van kerk en staat. Deze hebben elk een onderscheiden ambt. De overheid beschermt de openbare orde in de samenleving, de kerkelijke ambtsdragers zijn hoeders van de zielen (Hebr. 13:17). Het is niet goed deze ambten te vermengen, doordat de kerk zich wereldlijke macht aanmatigt (zoals Rome in de Middeleeuwen) of de overheid macht over de kerk (zoals in Nederland tijdens de Republiek). Niet voor niets onderscheidt de Nederlandse Geloofsbelijdenis tussen de geestelijke regering (artikel 30v.) en de burgerlijke regering (art. 36). Beide hebben hun functie in afwachting van Christus’ wederkomst (art. 37).

 

Bijbelse gerechtigheid en ChristenUnie  

De betekenis van de Bijbelse gerechtigheid voor de politiek ligt in de eerste plaats in wat de overheid zelf doet in haar eigen beleid. Een belangrijk element daarin is, dat recht wordt gedaan aan wie onrecht heeft geleden. Zo kunnen we de zorg voor zwakken en kwetsbaren, in eigen land en in de Derde Wereld, voluit als een zaak van Bijbelse gerechtigheid beschouwen. Niet voor niets spreekt de Bijbel over het recht van de verdrukten (Psalm 146:7) en wordt de koning geschilderd als iemand die recht doet aan de zwakken, redding biedt aan de armen, maar de onderdrukker neerslaat (Psalm 72:4, 82:3, Jer. 22:3).

Verder hoort daartoe dat de overheid integer is in haar eigen handelen. Corruptie, steekpenningen aannemen past een gezagsdrager niet (Ex. 23:8, Deut. 16:19, Pred. 7:7); hij moet op dat punt het beeld van God vertonen (Deut. 10:17).

 

Tegen machtsmisbruik

Het overheidsgezag is in handen gelegd van zondige mensen, die net als alle anderen vatbaar zijn voor het kwaad. Het beschikken over macht houdt de verleiding tot misbruik in. Daarom behoort ook tot de Bijbelse gerechtigheid dat in het staatsbestel waarborgen tegen machtsmisbruik zijn ingebouwd, zoals collegiaal bestuur (met onderlinge controle), openbaarheid en publieke verantwoording.

Tot de taak van de overheid behoort ook het uitvaardigen van wetten, zodat de ongebondenheid van de mensen bedwongen wordt en alles in goede orde onder  hen toegaat (NGB artikel 36). Het gaat hier om  het waarborgen en beschermen van de menselijke samenleving. Zonder overheden en wetten zou iedereen doen wat goed is in zijn ogen (Recht. 21:25). Door haar wetten geeft de overheid het onderscheid tussen goed en kwaad aan voor zover dat op de onderlinge verhoudingen tussen mensen betrekking heeft.

 

Alleen uiterlijk gedrag

Niet al het kwaad kan door de burgerlijke wetten bestreken worden. Het gaat om uiterlijk gedrag, maar de wet van God raakt ook ons hart. De strafwet richt zich tegen stelen en roven, maar er zijn ook vormen van diefstal die buiten het bereik van de strafwet vallen (Heid. Cat., antwoord 110). Ook een overheid die niet in God gelooft, heeft besef van goed en kwaad (Dordtse Leerregels III/IV, 4). Ongelovigen, die God als wetgever niet (er)kennen, leven vaak wel de wet van nature na. Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist, in hun harten geschreven staat (Rom. 2:14,15).

Deze wetsnaleving is niet toereikend om tot heilbrengende kennis van God te komen; de mens kan daarmee zijn eeuwig heil niet bewerkstelligen. Maar het kan wel dienen om een minimale orde in de samenleving aan te brengen en dat te meer naarmate meer rekening wordt gehouden met de geopenbaarde wil van God voor ons leven. Maar in alle eeuwen hebben ook ongelovige overheden blijk gegeven van enig besef, welke menselijke gedragingen verboden en bestraft moeten worden, ook al maakten ze zich er zelf vaak aan schuldig.

 

Liberale slogan

Het is onmogelijk precies aan te geven waar deze oordelende taak van de overheid ophoudt en de eigen verantwoordelijkheid van de mens begint. De liberale slogan dat onze vrijheid ophoudt waar die van een ander wordt aangetast, is niet voldoende, omdat ze alleen over individuen spreekt. Er is ook een verantwoordelijkheid voor gemeenschappen (gezin, maatschappij) waarop de overheid de burgers mag aanspreken als zij daarin in ernstige mate tekortschieten.

Waar de grens ligt tussen openbaar belang en persoonlijke verantwoordelijkheid, zal naar tijd en cultuur verschillen. Maar in elk geval mag de overheid zich niet dwingend tussen de mens en God plaatsen. Geloof en bekering zijn voor ieders eigen rekening. De wet is er ook niet om de mensen te dwingen tot goed gedrag, maar om ze te weerhouden van slecht gedrag. Wel kan de overheid goed gedrag stimuleren door het te belonen (Rom. 13:3, 1 Petr. 2:14). Augustinus schreef al: ,,Door de wetten die tegen u ingesteld zijn, wordt u niet gedwongen goed te handelen, maar ervan weerhouden slecht te handelen. Want niemand kan goed handelen tenzij hij heeft gekozen, tenzij hij liefde heeft opgevat, hetgeen aan de vrije wil staat. Maar de vrees voor straffen dwingt.’’[4]

 

Strafrecht en kerkelijke tucht

Er ligt hier een principieel verschil tussen het overheidsstrafrecht en de kerkelijke tucht. De overheid straft de daad, ook als de zondaar berouw heeft, de kerk bestraft de verharding in de zonde en werkt daarmee aan bekering. In de Dordtse kerkorde werd dat zo uitgedrukt (art. 71): ,,Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijke gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereist, om de zondaar met de Kerk en zijn naaste te verzoenen, en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.’’ Zeker in deze tijd kan de kerk tucht oefenen over wat de overheid niet straft, en omgekeerd, als er sprake is van berouw, geen censuur toepassen, als de overheid wel straft. Ook de kerk oordeelt niet over wat in het hart van een mens leeft, maar wel over uitingen daarvan.

 

Tijdelijke wetten en eeuwige normen

Augustinus leerde al onderscheiden tussen het aardse recht en de moraal. Het doel van de tijdelijke wet is de orde. Zij straft niet de zonde, maar de rechtsschending. Het recht wordt beheerst door de tijdelijke wet, de moraal door de eeuwige. Maar het recht mag volgens Augustinus nooit tegen de moraal ingaan, omdat de tijdelijke wet in de eeuwige haar norm vindt.[5] De overheid handhaaft het recht, niet de moraal. De moraal komt pas binnen haar verantwoordelijkheid wanneer het samenleven van de mensen wordt aangetast; dan is het een zaak van recht geworden.

De overheid dient de moraal wel in het oog te houden. Goede overheden, schreef Augustinus, zijn traag in het straffen, maar gemakkelijk in het vergeven; passen straf toe om de bescherming van de staat, niet om hun haat te koelen; schenken vergiffenis niet om het kwaad ongestraft te laten, maar uit hoop op verbetering; zoeken voor de strenge besluiten waartoe zij vaak gedwongen worden, een tegenwicht in milde barmhartigheid en rijke weldaden.[6] Ook Calvijn liet zich in deze geest uit. Hij kant zich tegen de barse en wrede ruwheid van het strafrecht van zijn tijd. In de rechtbanken dient steeds mede zitting te hebben ,,die allerbeste raadgeefster der koningen ….  de zachtzinnigheid, die oudtijds naar waarheid door iemand de voornaamste gave der vorsten genoemd is.[7]

Zo leert de Bijbelse gerechtigheid zowel wat de overheid behoort te doen als wat zij behoort na te laten. Aan de christelijke politiek de opdracht hier goed te onderscheiden!

 

Personalia

Dr. Jurn de Vries is oud-hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad en oud-lid van de Eerste Kamer. In  mei jl. promoveerde hij op 'Een theocratisch visioen. De verhouding van religie en politiek volgens A.A. van Ruler. Momenteel is hij postdoc-onderzoeker aan de Theologische Universiteit in Kampen.

 

Samenvatting:

-         Ons kernprogramma spreekt vier maal over gerechtigheid

-         De Tien Geboden richten zich primair tot de kerk

-         Met gerechtigheid wordt in de Bijbel vooral gedoeld op het opkomen voor kwetsbaren.

 



[1] De civitate Dei, IV 4 en XIX, 21. Paus Benedictus XVI haalde in september bij zijn bezoek aan Duitsland deze woorden nog aan met verwijzing naar het nazi-regime.

[2] Institutie IV, xx 9. In de eerste uitgave van de Institutie (1536) komen deze woorden nog niet voor.

[3] Het verdient de aandacht dat John Knox (Schotse Geloofsbelijdenis) en Guido de Brès (Nederlandse Geloofsbelijdenis), die beiden de Franse confessie als model gebruikt hebben, deze woorden niet hebben overgenomen.

[4] A. Sizoo, Augustinus over den staat, Kampen 1947, 87. Eerlijkheidshalve moet worden vermeld dat hij zich ook wel anders heeft uitgelaten, namelijk toen hij de staatsdwang tegen ketters goedkeurde (Sizoo, 91v.).

[5] Sizoo, 17v.

[6] De Civitate Dei,V, 24.

[7] Calvijn, Institutie IV, xx 10.