De improvisatiemaatschappij

De improvisatiemaatschappij

 

Hans Boutellier

De improvisatiemaatschappij. Over de sociale ordening van een onbegrensde wereld.

Den Haag: Boom Lemma Uitgevers 2010

191 pp

ISBN 978-90-5931-625-6

 

Door Govert Buijs

 

Opnieuw heeft Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker instituut en hoogleraar Veiligheid & Burgerschap aan de Vrije Universiteit, een zeer lezenswaardig boek geschreven, waarin hij met een fijne neus voor de tijdgeest de samenleving analyseert.

 

Eerder was zijn boek over De veiligheidsutopie (2003) een schot in de roos. Hij analyseerde toen in een vroeg stadium waarom vrijwel ongemerkt ‘veiligheid’ zo’n centraal maatschappelijk en politiek thema was geworden, terwijl we tegelijk graag zo avontuurlijk willen leven. De overheid moet juist deze avontuurlijkheid van een veiligheidsnet voorzien. Daarom kan het nooit veilig genoeg zijn – en dus kan de overheid haar gang gaan met het garanderen van iets wat niet te garanderen is.

 

Stuurloze samenleving

In zijn nieuwe boek – een interview hierover verscheen al in het vorige nummer van DenkWijzer - voelt hij opnieuw goed aan waar momenteel de zorgen van veel mensen liggen: het gevoel de controle over het eigen leven te verliezen en een speelbal te worden van grootschalige ontwikkelingen en processen. De samenleving wordt door veel mensen ervaren als ongeordend, chaotisch. Met mij gaat het goed, met ons slecht. Er zijn geen instanties of personen die werkelijk richtinggevend kunnen zijn. Niemand weet ‘het’. Iedereen moddert wat aan, probeert nu eens deze maatregel, dan eens die gedachte, dan weer die innovatie. De samenleving geeft zodoende een stuurloos beeld. Soms dobberen we, vaker worden we in een maalstroom meegesleurd (denk recentelijk maar aan Europa), maar zelden kunnen we zelf een koers uitzetten, als politiek, als bestuurders, als samenleving.  We improviseren maar wat. ‘Complexiteit zonder richting’ noemt Boutellier zijn eerste hoofdstuk.

 

Niet tobberig

Het aardige van Boutelliers boek is dat hij de tobberigheid hierover doorbreekt. Improviseren is een prachtige kunst! Jazz-muziek is zijn grote voorbeeld: een groep musici gaat bij elkaar zitten, er is geen vaste partituur, geen dirigent, alleen individuen die op elkaar reageren, die de eigen muziek op de ingevingen van de anderen afstemmen en zo tot een samenhangend iets komen, dat geen kakofonie is, maar een speels geheel, kortstondig maar effectief. Zo zijn we in de samenleving momenteel ook bezig, aldus Boutellier. Met elkaar zijn we aan het improviseren, als politici, als professionals in organisaties, als managers. En het resultaat mag er zijn: sociale orde, ondanks alles, ondanks de schijn van het tegendeel.

 

Permanente onzekerheid

Dat dit niet zo eenvoudig is, is ook voor Boutellier helder. Het improviseren vergt heel wat van een individu. Hij/zij is permanent onzeker, en voelt zich onveilig. Mag ik wel meedoen, word ik wel gezien, ben ik morgen nog nodig? Dit is de voedingsbodem voor het zoeken naar stevige identiteiten, die vaak scherp worden afgezet tegen andere identiteiten. Vijandschap en woede liggen op de loer, uitingen van ressentiment, omdat men niet mee kan komen in de hectiek van de wereldwijde flexibilisering. Maar evenzeer kan men vluchten in consumptiegedrag, om zo een identiteit op te bouwen. Zalig zijn zij die erkenning van anderen krijgen, gedoemd zijn zij die in eigen ogen onvoldoende erkenning krijgen – en dat zijn er velen. Onze samenleving is er een van gefrustreerden. Boutellier weigert echter met deze alarmerende schets het kamp der verlammende en verlamde cultuurpessimisten te betreden. We moeten namelijk elke dag gewoon handelen, aldus Boutellier. En eigenlijk valt het ook wel mee. Niet alles is flexibel geworden. We hebben instituties, we hebben een overheid, we hebben ook morele intuïties.

 

Beschavingsdefensief

Tegen deze achtergrond bespreekt Boutellier drie ‘ordeningsprogramma’s’: manieren om iets aan de situatie te doen. Omdat uiteindelijk de ernst van de situatie toch nog wel meevalt – of beter: omdat Boutellier wil dat het meevalt – is het maar de vraag of de ordeningsprogramma’s echt nodig zijn. Ze dreigen gemakkelijk ‘overkill’ te worden, in de ogen van Boutellier. Dat geldt wel in het bijzonder voor het eerste programma, het conservatief-geïnspireerde waarden- en normen-debat, samengevat met de naam ‘beschavingsdefensief’. ‘Een achterhaald gelijk’ oordeelt Boutellier, en bovendien bestuurlijk nauwelijks hanteerbaar. Een overheid gaat niet over waarden en normen. Balkenende c.s. moest dus wel mislukken.

Een tweede ordeningsprogramma is het veiligheids-discours. Overal zien we inmiddels camera’s, bewakers, geboden en (straat- of samenscholings)verboden, gedragscodes alsmede allerlei controles. Het is het ‘grootste en meest succesvolle ordeningsprogramma’ van de laatste jaren.   

Het derde programma is te vatten onder de noemer ‘actief burgerschap’. Allerlei activiteiten worden ontplooid om burgers te betrekken bij hun buurt, bij overheidsbeleid, bij elkaar. Onder deze noemer smokkelt Boutellier overigens weer een aantal noties uit het eerste ordeningsprogramma binnen (p. 96). Moraal heeft een belangrijke plaats als het maar niet van boven af opgelegd wordt, maar opgeroepen wordt in wederzijdse prikkeling en uitdaging van burgers. Tegelijk lijdt dit programma aan te hoge verwachtingen en onder burgers die heel selectief zijn in hun keuze waar al dan niet aan mee te doen.

 

Nodale orde

Het derde deel van het boek handelt over de ‘orde der improvisatie’. De toon wordt hier allengs vrolijker, van ellende naar dankbaarheid. De sombere analyse van het tweede hoofdstuk wordt hernomen, maar nu aanmerkelijk positiever. Er zijn allerlei nieuwe ordeningen aanwijsbaar, en veel oude ordeningen (gezin, school, staat) zijn helemaal niet verdwenen in de flexibele netwerksamenleving. Wel dienen deze instituties zich aan te passen aan een nieuwe logica, die van het netwerk. Boutellier spreekt van een ‘nodale orde’ (fraai geïllustreerd aan nieuwe inzichten uit de natuurwetenschappen). Deze nieuwe orde dreigt echter een onevenredig grote druk te zetten op het rechtssysteem als de enige gezaghebbende instantie. De juridisering van de samenleving dreigt. Hiertegenover pleit Boutellier voor het belang van vertrouwen als informele smeerolie van de samenleving. Controle en vertrouwen vormen samen de ‘morele parameters van de netwerksamenleving’ (p. 131). Deze moeten echter geschraagd worden door een nieuw besef van gemeenschap, niet meer langs levenslange, institutionele lijnen met vaste gezagsstructuren maar als een geïmproviseerde en improviserende samenwerking tussen mensen. Deze kan de hiërarchische ordening van weleer vervangen. Dit vergt een nieuwe kijk op besturen, een nieuwe manier van reageren op incidenten en (burger-)initiatieven. Er zijn nog wel ‘zwaartepunten’, domeinen als recht en onderwijs, die echter vooral leercontexten worden, waar zaken niet vast liggen maar evolueren in antwoord op nieuwe uitdagingen en inzichten.

 

Conservatieve trekjes

Op dit punt aangekomen, doet Boutellier plotseling een beroep op een van de voormannen van de conservatieve beweging van de laatste jaren, Alasdair MacIntyre en diens begrip van ‘normatieve praktijk’. De ‘zwaartepunten’ worden bij nader inzien gepresenteerd als welomschreven professionele clusters, die elk een eigen waarde realiseren. Boutellier spreekt zelfs – heel conservatief! – van ‘historische kernfuncties van instituties’ (p. 156). Voor onderwijs gaat het om ‘overdracht’, voor jeugdinrichtingen om ‘morele correctie’, voor de zorg om ‘empathische ondersteuning’, voor politiewerk om ‘normatieve begrenzing’, voor het rechtssysteem om ‘proportionele vergelding’,voor het welzijnswerk om ‘activerende participatie’. Hier is een ‘gemeenschappelijk verhaal’ te vinden voor de samenleving, dat vaak zo node wordt gemist. Hier valt kennelijk ineens weinig meer te improviseren. Hier bevinden we ons in een traditie-gestuurde context van moreel-normatieve praktijken.

 

Van de nood een deugd

Boutellier is als auteur een klasse apart. Hij schrijft met speels gemak over ingewikkelde auteurs, kiest zijn invalshoeken verrassend, geeft steeds op het juiste moment weer een raak voorbeeld. Kortom, voor wie in kort bestek helder geïnformeerd wil worden over ontwikkelingen in de huidige samenleving en over de belangrijkste en/of meest spraakmakende auteurs hierover, kan bij Boutellier terecht.

Verfrissend is ook het afscheid van de tobberigheid. De samenleving komt op haar pootjes terecht, is de teneur van het boek. Dit vergt echter wel een cultuuromslag bij de overheid en bij bestuurders van organisaties, en ook bij de burger zelf.

Tegelijk wekt Boutellier de indruk wel erg makkelijk van de nood een deugd te maken. Aan het begin van zijn boek wordt ‘improviseren’ nog opgevoerd als synoniem van ‘maar wat aan rotzooien’ (p. 15). Aan het eind is het een prachtige vorm van horizontale coördinatie. Zullen diegenen die het gevoel van stuurloosheid hebben, door deze ‘reframing’ ineens veel positiever gaan denken over hun situatie?

Ik heb drie opmerkingen bij het boek.

 

Gekunsteld schema

Allereerst is het overheersende schema, van statisch-hiërarchisch naar flexibel-horizontaal, wel een erg gekunsteld schema. In de westerse cultuur wordt al eeuwenlang geoefend met horizontale verhoudingen. Dit vormt zelfs de kern van de burgerlijke cultuur, zoals die vanaf 1250 tot ongeveer 1950 is opgebouwd. Echter, in die cultuur was juist het besef van de delicaatheid van horizontale verhoudingen diep geworteld. Vandaar dat deze cultuur alles in het werk stelde om mensen te laten oefenen met zelfsturing en zelfbeperking. Religie speelde hierin natuurlijk een hele belangrijke rol, juist in horizontale verhoudingen.

 

Gedeelde morele taal ontbreekt

Ten tweede en hierop aansluitend: de revolutie van de jaren ’60 is een radicale poging om deze zelfdisciplineringsstructuren van de burgerlijke cultuur af te breken. Het gevolg daarvan is niet zozeer dat het ons aan moraal is gaan ontbreken (daar wijst Boutellier terecht op), maar wel dat deze radicaal is geïndividualiseerd. Daardoor hebben we geen gedeelde taal meer om hierover te spreken. Dat vacuüm is niet zozeer opgevuld door een besef van onzekerheid en stuurloosheid, zoals Boutellier aanneemt. Nee, het is vrijwel geheel opgevuld door nieuwe managementtechnieken, die zich geheel richten op het kwantitatief afrekenen en monitoren van elkaar. Cijfers begrijpt iedereen, zo is de gedachte. De laatste decennia heeft zich in overheid en non-profitsector een bureaucratisch-technocratische revolutie voltrokken, die precies de inhoudelijk-morele bepaling van de kwalitatieve aard van verschillende sectoren ondermijnt. Merkwaardig is dat deze revolutie door Boutellier niet geanalyseerd, zelfs nauwelijks genoemd wordt.

Daarmee kom ik op mijn derde punt. Het is opvallend dat Boutellier aan het eind van zijn boek uitkomt bij een onvervalste kopie van het oude burgerlijk-protestantse beginsel van ‘soevereiniteit in eigen kring’. Verschillende domeinen in de samenleving hebben hun kwalificerend statuut, dat zich historisch heeft ontwikkeld en tegelijk een eigen zelfstandigheid heeft. Dat zijn de beroepspraktijken waar Boutellier aan het einde van zijn boek grote nadruk op legt. Maar juist deze praktijken veronderstellen een gedeelde morele taal. En juist deze taal is geërodeerd.

 

Rijker potentieel

Dat brengt mij tot de conclusie dat Boutellier zich te gemakkelijk en te sjabloonachtig afmaakt van het eerste ordeningsprogramma, het conservatieve beschavingsdefensief. Het is te goedkoop om dit af te doen met wat snerende verwijzingen naar het inderdaad oppervlakkige Balkenende-fatsoens-jargon (dat bovendien op het moment dat via de WRR een nadere verdieping had moeten volgen, nog eens hautain afgeschoten werd door de babyboomer-socioloog Schuyt), en naar Dalrymple. Er ligt hier een rijker potentieel, dat juist een betere presentatie en welwillender interpretatie verdient. Dat blijkt ook al uit Boutelliers eigen opmerkingen later in zijn boek. In feite geeft hij allerlei aanzetten hiervoor zonder dit echt te verantwoorden. Wie belang hecht aan ‘historische kernfuncties’ kan niet tegelijk spreken van een ‘achterhaald gelijk’. Uit een voetnoot blijkt dat hij naar aanleiding van een eerdere publicatie het verwijt kreeg een ‘moral crusader’ te zijn (p. 162). Dit verwijt is hem kennelijk zozeer op de huid gaan zitten dat hij alles in  het werk stelt om een herhaling te voorkomen. Het was meer in de lijn van zijn boek geweest als hij deze kwalificatie als geuzennaam had overgenomen. Het boek had daardoor aan diepgang kunnen winnen.

 

 

 

Dr. Govert Buijs is universitair docent sociale en politieke filosofie aan de Vrije Universiteit en coördinator van de master Christian Studies of Science and Society. Met ingang van 1 januari 2011 is hij bijzonder hoogleraar politieke filosofie diezelfde Universiteit.