Boven de machtsstrijd: gerechtigheid

Tegen de machtsstrijd: gerechtigheid

 

Door Rob Nijhoff

 

 

 

Wilders voedt minachting voor parlement, senaat, premier, andere regeringsleden, het ambtelijk apparaat, adviesorganen, rechters tot in de Hoge Raad, de vice-voorzitter van de Raad van State en de koningin. Doel of resultaat: publieke afwaardering van centrale instituties. De ruimte die Wilders neemt en krijgt, dankt hij aan tenminste twee verbonden pendelbewegingen.

 

 

Allereerst: het individu kreeg na de Tweede Wereldoorlog de overhand op het collectief. En dit individu opereert – dat is de tweede beweging – bij voorkeur vanuit het eigen vrije subject, allergisch voor bepaling daarvan door iets van buitenaf. Hij of zij heeft weinig met een omvattende normatieve orde of bestaande traditie, iets dat ‘gegeven’ is, iets gezaghebbends waarvan men vroeger dacht dat dat voor allen gold. Al wil dit ‘dikke ik’ inmiddels wel weer meer dan alleen zichzelf, hoe komt sociaal bindweefsel terug? Welke politieke gevolgen heeft het ‘dikke ik’? Is politiek al tot machtsstrijd ontaardt? Kan de ChristenUnie hier inbreng hebben? Een gerichtheid op gerechtigheid, bijbels gevoed, biedt immers een menselijker, wijdser perspectief.

 

Liberale eenzijdigheid

Tussen de polen van individu en gezamenlijkheid focussen liberalen eenzijdig op het individu. Dat heeft de wind mee. Want wie wil een overheid (of ‘het collectief’) nog groots optuigen? Na het nazisme was in het Westen de totalitaire staat al ‘uit’. En met de Muur vielen ook veel socialistische heilsstaten. Mondiaal neoliberalisme kon oprukken. Toch kon ook de ‘vrije’ wereld de verzorgingsstaat niet dragen. En de vrije markt blijkt niet vrij van ontsporingen en grenzen. De Senaat onderzoekt de gevolgen van geprivatiseerde overheidstaken. Een Occupy-beweging markeert schrijnende ongelijkheid. Maar naar welke gezamenlijkheid kan de pendel nog terug? Zijn gezin en voetbalclub, kerk en café thuishavens gebleven?

 

Kuypers gebeier

De tweede pendel betreft de houding van dit individu. Het vrije ‘subject’ bekijkt afstandelijk het gezag en de orde van voor de Tweede Wereldoorlog. Een halve eeuw eerder luidde Abraham Kuyper de klokken van soevereiniteit in eigen kring en goddelijk gezag. Gereformeerde ‘beginselen’ moesten zo zuiver en ver mogelijk doorwerken - antithetisch tegenover andere beginselen. Vanwege de AntiRevolutionaire Partij moeten ook andere partijen zich landelijk  organiseren: liberalen, socialisten, de SGP. Ook ons plurale schoolstelsel en de Publieke Omroep belichamen Kuyper’s echo - wereldwijd uniek.

 

Zuiverheid boven alles

Zelfs de Eerste Wereldoorlog verdreef deze bredere, modernistische tijdgeest niet meteen Tegenover loopgraven, arbeidersbuurten, drank, prostitutie en anarchistische communisten moest men een beschaving verdedigen met gezag, wet, deugd, discipline en orde. ‘Morele herbewapening’! Waar  dit haperde, moesten, hiërarchisch gedacht, sterke overheden discipline afdwingen. Premier Kuyper sloeg de Spoorwegstaking neer (1903). Gereformeerde Friese jongelingsverenigingen gingen in Den Haag Wilhelmina beschermen tegen Troelstra’s novemberrevolutie (1918).

In de jaren ’30 escaleerde anti-communistische retoriek in een Tweede Wereldoorlog, en beoogde raszuiverheid in de Shoa. Onzuiverheid of eenkennigheid binnen de ‘Kuyper-traditie’ scheurde die (1944, Vrijmaking, GPV). Na de oorlog moesten gezag en ordelijk samenleven opnieuw vorm krijgen - vooral een nieuwe, vrijere, ontzuilde vorm.

 

Na de jaren zestig

Dit explosieve mengsel van ordehandhaving en verlangen naar vrijheid en gelijkheid ontplofte in de jaren ’60. Nederlandse regenten bleken flexibel, zodat de ravage hier meeviel (James Kennedy). Individualisering en ontkerkelijking werkten wel door. Het ‘dikke ik’ groeide, en verloor oriëntatie. Toch blijkt deze subjectivering weer behoefte op te roepen aan gedeelde normen en waarden, fatsoen, ‘normaal doen’, nationale identiteit en allerlei canons. En een terugtrekkende overheid (de eerste pendel) vraagt om verantwoordelijke burgers, die verder kijken dan eigen subjectief welbevinden. Op wat buiten zichzelf zouden deze subjecten van de tweede pendel zich echter willen oriënteren?

 

Cynisme over de politiek

Regering en parlement verliezen ook zelf krediet. Welke legitimiteit heeft een coalitie als een dag na de verkiezingen ‘harde’ verkiezingsbeloften vloeibaar blijken (AOW-leeftijd)? Representeert een coalitie dan nog de kiezers? En welk gezag heeft een parlement, als mediaspektakel daar alleen de verbale spierballen tonen van belangenstrijd elders in de samenleving? Machtsstrijd met woorden. Niet uit op inhoudelijk debat, maar op de kijker. Maakt Wilders niet gewoon zichtbaar hoe woorden het machtsspel verhullen dat cynici vermoeden?

In deze onzekerheid kunnen ook christenen een inbreng voorbereiden. Maatschappelijk en politiek. Politieke complexiteit vraagt dan om vormen van ‘christelijke gezamenlijkheid’ – niet noodzakelijk die van een partij, zoals de ChristenUnie. Christenen kunnen ook in niet-christelijke partijen meedraaien en onderlinge politieke afstemming anders organiseren, bijvoorbeeld digitaal of in platforms zoals de Linker Wang van GroenLinks.

 

Noodzaak van partijen

Individualisering en subjectivering, de pendels, vergroten mobiliteit, van spelers en kiezers. Dat raakt politieke partijen. Maar tegenover veel ‘afbraakgeluiden’ kent geschiedfilosoof Frank Ankersmit politieke partijen juist een sleutelrol toe. De kloof tussen overheid en burger ziet hij als voorwaarde van ‘representatie’, niet als probleem. Alleen daarmee houden representant (overheid) en gerepresenteerde (burger) eigenheid en bewegingsvrijheid. Het is de politieke partij die deze kloof ‘in haar hart’ (320) meedraagt, omvat, overbrugt. Niet de overheid, maar de partijen moeten daarom hun ‘educatieve rol’ opnemen: de ‘politieke opvoeding’ van de verwarde burger (302). Laat nu juist de ChristenUnie niet alleen een degelijke bestuurderspartij zijn, vanuit bijbels perspectief gericht op praktische politiek, maar tegelijk een beweging die dit perspectief wil versterken namens en bij een (meer beweeglijke) achterban, en bij het electoraat als geheel.

 

Altijd diepere motieven

Ankersmit erkent de rol van ethiek in de politiek. Even noemt hij zelfs een ‘werkelijk politieke moraliteit’ (223), maar exploreert die niet. Sterker, hij ageert ‘tegen de ethiek’ (88) in de politiek - maar blijkt dan vooral ‘tegen de utopie’. Voortdurend loeren Roberspierre en Hitler (193, 200, 209, 268, 301). Ethiek? Niet als basis voor politiek! Of, genuanceerder: politiek is niet zozeer immoreel of a-moreel, maar‘supra-moreel’, meer dan ethiek (108). En toch. Maakt elke ethische oriëntatie politiek tot ‘ideologie’? Erkent Ankersmit alleen een (conservatief-)liberale ethiek vanuit de Verlichte burger? Ging hij daarin mee met beide pendels?

Politiek is inderdaad geen opbouw op een ethiek, laat staan utopische verwerkelijking ervan. Maar diepere motieven, inclusief ethiek, spelen voortdurend mee, ook in de vorming van mijn politieke intuïties (virtù). Niet iedere politicus deelt mijn ethisch perspectief. Maar is dat reden om het in de politiek thuis te laten, als dat al mogelijk zou zijn? Ankersmit zelf wil immers geen splitsing “in een collectief aanvaarde of aanvaardbare sub-opinie en een collectief niet-gedeelde privé-opinie” (216) en voelt het toenemend gewicht van “onze onderscheiden concepties van het algemeen belang” (277).

 

ChristenUnie: hoger ideaal

Tijdens Kuypers meerpartijen-perspectivisme konden ook diepere motieven gemakkelijker heen en weer gaan dan nu: het onderling begrip was groter. Ankersmit bepleit nu een ‘machiavelliaans perspectivisme’. Hij zoekt geen consensus, enkel compromis. Het gaat niet om waar/onwaar, maar partijen moeten, gegeven hun conflicten, via compromissen het praktisch samenwerken als gebroken samenleving vormgeven.

Ankersmit mag zich daarmee realist  tonen, een ChristenUnie mag het ideaal van politieke deliberatie hoger leggen, al kan niemand gedwongen worden zich daarnaar te gedragen. Ja: teveel Wilders-gedrag dwingt tot een terugvallen op praktische samenwerking zonder meer of diepgang. Maar Ankersmit wantrouwt diepere motieven en communicatie binnen de politiek arena bij voorbaat, uit angst voor totalitaire ontsporingen. Hij maakt politieke intuïtie (virtù) los van deugd (vertu, 116). Zo heeft hij weinig verweer tegen politiek als mediale machtsstrijd. Vanuit een bijbels perspectief behoort politiek echter meer te zijn. Daarom, tenslotte, de bijbelse, christelijke inbreng dat politiek om gerechtigheid draait, en niet tot machtsspel plat geslagen mag worden - oriëntatie vanuit twee overbekende, maar verstrekkende bijbelse motieven: schepping en exodus.

 

Schepping

Genesis 1 toont God als Schepper, ver boven vermeende goden als zon en maan. Ook mensen krijgen beschikking over de natuur (niet over elkaar).  Om te laten zien hoe God zelf zou omgaan met zijn schepselen: niet als oosterse despoot, vol willekeur, maar een God van gerechtigheid en betrouwbaarheid, die anders dan omkoopbare aardse rechters ‘rechten van armen’ respecteert (Exodus 23:6). Niet alleen koningen zijn Gods beeld, maar elk mens. Alle mensen, en zeker gezaghebbers,  behoren rechtvaardigheid en betrouwbaarheid hoog te houden boven machtsspel en corruptie.

 

Prince of Egypt

De exodus. Tegenover de Farao stelt Mozes, Hebreeër en ‘Prince of Egypt’, een vrijheidseis. Met beroep op de God van Abraham, Izaäk en Jakob. Die strijdt hier met de god die de Farao zou belichamen. Uitslag: ontgoddelijkte, ingeperkte farao-macht, en een bevrijd slavenvolk dat zijn bedoelde menselijkheid weer terugkrijgt. Bij Sinai blijkt vervolgens nader wat Gods betrouwbaarheid en rechtvaardigheid betekenen, ook politiek: in plaats van de willekeur van de Farao een verbond van het volk Israël met Hem, inclusief wetgeving die ook medemensen en bezit beschermt. Hier ontstaat een eigen politieke ruimte met rechtselementen die verwijzen naar Gods eigen gerechtigheid. Een stammenverband krijgt een opvallende politieke identiteit, in eerste instantie zelfs zonder koning, onder een ongrijpbare God (Assmann, McConville).

 

Staat, partij, kerk

Horen deze noties, scheppingsperspectief en exodusmotief, niet thuis binnen het Jodendom, binnen kerken, of binnen Gods Koninkrijk als ideaalbeeld? Wat moet de politiek daarmee binnen corrupte, vergankelijke koninkrijken? Inderdaad, primair in kerken moet de accu opgeladen worden van christenen, inclusief achterban van de ChristenUnie . De overheid is geen staatsopvoedingsinstituut, en christelijke partijen kunnen hun ‘educatieve rol’ alleen goed vervullen als dit aansluit bij kerkelijke ‘opvoeding’. Juist binnen de kerken kunnen christenen visies delen, ook visies op maatschappelijke en politieke keuzes (zie bijvoorbeeld Keller).

 

Deze bijbelse zin voor menselijkheid, vrijheid en gerechtigheid heeft inmiddels zo’n 20 eeuwen ingewerkt op onze Westerse beschaving en elders. Ook Gadhafi wist wat een mensenrechtenprijs inhoudt. Dat een koning opkomt voor kwetsbaren (Psalm 72) bleef niet alleen een Israëlisch ideaal, en van toepassing op Jezus, maar werkte als ‘vorstenspiegel’ zelfs via foute bisschoppen en pausen in op ‘wereldse’ heersers (Oakley). Door culturele Alzheimer te overwinnen kunnen Nederlanders in sociale wetgeving daarom iets herkennen van deze gerechtigheid. Dat is geen vermenging van naastenliefde en politiek, dat is een eeuwenlang politiek vertaalde christelijke beschaving (al moeten humanisten of socialisten christenen vaak aan hun idealen herinneren…).

 

Dat vraagt van alle partijen nu bezinning: wat doen we met deze beschaving, als steeds minder christenen en niet-christenen in Nederland van harte deze gezamenlijke solidariteit opbrengen met ouderen, bijstandsmoeders, asielzoekers of uitgeputte Somaliërs in Kenia. Het percentage ontwikkelingshulp (effectiever inzetten van het bestaande percentage – of verlagen?) wordt zo een culturele lakmoesproef. De ChristenUnie kan met haar bijbelse oriëntatie geen machtsstrijd winnen, zeker niet onder een seculiere meerderheid. Dat moet ze ook niet willen. Maar als partij kan ze deze oriëntatie wel politiek verwoorden, aan beide kanten van ‘de kloof’. En de waarde demonstreren, met steun van kerken en christenen. Want een samenleving is nog altijd een pluraal weefsel van verbanden, en kan sterker zijn dan 16 miljoen ‘dikke ikken’. Een oriëntatie op een gerechtigheid die menselijk recht overstijgt, is niet een ideologische bedreiging, maar politiek broodnodig.

 

 

 

 

KADER

Rob Nijhoff is medewerker van het WI van de ChristenUnie. Zijn project Christen@politiek.nu omvat drie hoofdvragen:

  1. Waarin verschilt de cultureel-politieke context van de ChristenUnie van die van haar voorgangers?
  2. Hoe is deze context gevormd door (eerdere) christelijke politieke inzet?
  3. Waarom en hoe zouden christenen zich in de huidige context politiek inzetten?

 

Samenvatting:

  • Individualisering en subjectivering dreigen van politiek enkel een machtsstrijd te maken.
  • Ankersmit ziet voor politieke partijen hier een opvoedende rol weggelegd.
  • De ChristenUnie kan met hulp van vitale kerken en christenen menselijkheid en gerechtigheid bepleiten en demonstreren, in politieke en maatschappelijke kringen.

 

Literatuur:

 

Frank R. Ankersmit 1997 Macht door representatie.

Jan Assmann 2000 Herrschaft und Heil.

Tim Keller 2011 Ruim baan voor gerechtigheid.

James Kennedy 1995 Nieuw Babylon in aanbouw.

James Gordon McConville 2004 God and Earthly Powers. Francis Oakley 2010 Empty Bottles of Gentilism.