'Mensen hebben het gevoel voortdurend de trein te missen'

‘Mensen hebben het gevoel voortdurend de trein te missen.’

Hans Boutellier schept orde in de maatschappelijke chaos

 

 

Door Geert Jan Spijker

 

 

Ambtenaren die aangeven dat ze het ook niet meer weten, wethouders die snakken naar richting: Hans Boutellier maakt het regelmatig mee als onderzoeker en adviseur. Hij constateert grote verlegenheid in het openbaar bestuur: er is veel gedoe zonder idee. Maar hij is er niet cynisch over, heeft eerder mededogen. En hoop. “We leven inderdaad in een onoverzichtelijke tijd. Maar er is meer orde dan we denken.” Een gesprek naar aanleiding van zijn boek De improvisatiemaatschappij, dat verwantschap heeft met het christelijk-sociale denken. “Er is momenteel een beweging gaande van Big State naar Big Society. De geruststelling die ik wil meegeven is: we kunnen die stap maken! Heb er vertrouwen in!”  

 

ONOVERZICHTELIJKHEID EN ORDE

 

De samenleving bevindt zich in uw beschrijving in een overgangsfase: van een verticale naar een horizontale wereld. Wat bedoelt u daarmee?

Ten tijde van de verzuiling had je een aantal levensbeschouwelijke zuilen met daarin een duidelijke hiërarchie: de elite en de overige rangen en standen. Binnen elke zuil was een grote coherentie van waarden, normen, gedragsvoorschriften en bijbehorende instituties. Dit alles is inmiddels verdwenen, grotendeels althans. Dat komt door drie ontwikkelingen (de drie i’s): internationalisering, individualisering en informatisering. Vooral die laatste vind ik erg belangrijk. Helaas is die is in Nederland nogal onderschat, omdat informatisering bij ons nogal postmodern is uitgelegd. Alsof alles hierdoor vloeibaar is geworden en er helemaal geen vastigheid meer zou zijn.  

 

U ziet die vastigheid wel?

We leven dan wel in een netwerksamenleving, maar ik constateer wel degelijk sociale orde. Hoe die orde er precies uitziet en welke vastigheid die precies biedt is mijn voortdurende wetenschappelijke zoektocht. Maar ik zie naast toenemende horizontalisering nog steeds gezagsrelaties en instituties. Sterke verbanden – strong ties - als staat en gezin staan best stevig in hun schoenen. Ik zie in mijn eigen gezin hoe verbazingwekkend krachtig zo’n institutie is. Om van louter wanorde te spreken vind ik te gemakkelijk. Gezagsrelaties blijven ook bestaan. Kijk maar om je heen: de politie kan nog steeds bekeuringen uitdelen, ouders geven richting aan de opvoeding van hun kinderen, enzovoorts. Er is continuïteit, maar wel anders!

 

Dat sluit aan bij christelijk-sociaal of antirevolutionair denken dat aan de Vrije Universiteit – waar u hoogleraar bent - door mensen als Kuyper en Dooyeweerd is ontwikkeld: denken vanuit de samenleving met veel nadruk op instituties.

Dat klopt, ik herken me daar ook wel in, in de nadruk op samenleving en verbanden. Het van onderop denken vind ik belangrijk. Ons omroepstelsel vind ik daarvan een mooi voorbeeld. Dat past ook uitstekend in een netwerksamenleving. Het zou jammer zijn als dat stelsel gecentraliseerd wordt.

Wat ik wel vind is dat in de lijn van ‘soevereiniteit in eigen kring’ strong ties vaak zijn overschat. De drie i’s beïnvloeden en ondermijnen sterke verbanden natuurlijk wel. Weak ties worden dominanter, daarvan moeten we ons rekenschap geven. Dat zie je onder meer rond leiderschap. In een hoofdstuk dat ik in de nieuwe druk van het boek toevoeg spreek ik van een toename van ‘licht leiderschap’. Daarmee doel ik op subtiele manieren van richting geven. Vergelijk het met een combo, waarin een licht knikje volstaat om de muziek de juiste kant op te sturen. Subtiel vanuit een zelfverkozen hiërarchische relatie.

 

Wat betekent dit lichte leiderschap voor het overheidsgezag en voor de sturingsmogelijkheden van de overheid?

Politiek en bestuur moeten veel meer volgend durven te zijn op ontwikkelingen. Goede initiatieven ondersteunen, constructieve verbanden faciliteren. En negatieve dynamiek indammen en begrenzen. Maar niet alles zelf proberen te doen of tot ontwikkeling willen brengen. Faciliteren en begrenzen, dat zou het credo moeten zijn van modern bestuur.

 

 

MORELE RICHTINGLOOSHEID

 

U spreekt van institutionele complexiteit, maar ook van morele richtingloosheid. Hoe hangen die beide samen?

Er is minder morele coherentie dan vroeger. Dat betekent niet dat onze tijd immoreel is, maar wel dat het veel moeilijker is om hier eenduidig over te spreken. En dit heeft gevolgen voor de overheid. Ik spreek wethouders die echt snakken naar richting: welke kant moeten we op met beleid? Of professionals op scholen die zich afvragen: wat is onze kerntaak precies? En bij burgers zie je onbehagen en onbestendigheid: waar gaat het naartoe met Nederland in deze ingewikkelde tijd? Waar vinden we houvast? Er zijn zoveel en zulke snelle veranderingen dat gewoonten nauwelijks kunnen ontstaan. Dat geeft onrust en onzekerheid. Mensen krijgen het gevoel voortdurend de trein te missen.

 

Heeft het onbehagen met meer te maken dan alleen de toegenomen hufterigheid?

Conservatieven wijzen terecht op de morele component en op het belang van deugden, maar het huidige onbehagen gaat dieper. Het heeft te maken met een besef van zin en erkenning. Uiteindelijk gaat het erom dat ieder mens er mag zijn en erkend wordt in zijn of haar waardigheid. Ieder mens wil aangesproken worden als mens. Dat is de kern van een beschaving: ieders aanspreking tot identiteit. De huidige grenzeloze wereld creëert een gebrek aan erkenning – ondanks de schijn van het tegendeel - en daar worden we nu mee geconfronteerd. Het wezen van de huidige woede is: gevoel van overbodigheid, onopgemerkt blijven, voorbijgelopen worden.

 

Is Balkenende’s waarden en normendebat daarom nooit goed van de grond gekomen?

Balkenende’s morele appel was begrijpelijk, maar zijn morele model klopte niet. Hij had zich onvoldoende rekenschap gegeven van de nieuwe sociale netwerkstructuren, waarin mensen veel meer zelf aan zet willen zijn. We moeten niet meer pogen een alomvattende publieke moraal te formuleren die we van bovenaf kunnen opleggen. Dat idee had ik zelf aanvankelijk ook, maar dat heb ik laten varen. Het is niet mogelijk, maar ook niet nodig. Publieke moraal is afhankelijk van zelfbewuste instituties. De praktijken die zich daarbinnen afspelen hebben in zichzelf al een richting, een normativiteit. Daar moeten we bij aansluiten. Door dat te gaan beseffen ben ik minder pessimistisch geworden over onze morele situatie.  


Dat moet u toelichten.

In onze samenleving heb je allerlei instituties – denk aan scholen, gezinnen, jeugdzorg, woningcorporaties, welzijnsorganisaties – die alle hun eigen opdracht hebben. In die instituties spelen praktijken een rol met een eigen, immanente betekenis. De praktijken binnen die instituties hebben zelf een normatieve richting. Denk aan schaken: dat spel bestaat uit regels, uit een praktijk die je oproept tot een bepaalde handeling. Of taal of timmeren: ook dat zijn praktijken die je goed of minder goed kunt doen. Iets goed doen vereist dat je beantwoordt aan een bepaalde, gegeven normativiteit. Daar kun je niet omheen, je moet erop aansluiten. Dat brengt ook orde en duidelijkheid met zich mee.

 

 

IMPROVISATIEMAATSCHAPPIJ

 

U heeft het over kernfuncties van instituties. Veel instituties hebben niet meer helder voor ogen waarom ze er zijn. Zorgt dat voor veel onnodige sociale wanorde?

Zo zou je het kunnen zeggen. Voor een aantal sectoren heb ik geformuleerd wat de kernfunctie is: bij school is dat overdracht, bij zorg empathische ondersteuning, enzovoorts. Als we deze centrale functies weer helder krijgen, is er een hoop helderheid gewonnen. Instituties moeten functioneren vanuit hun kernfunctie. Woningcorporaties moeten niet ineens ‘in hotels’ gaan - typisch een geval van niet meer weten wat je bestaansrecht precies is.

Door de toenemende maatschappelijke complexiteit zijn organisaties steeds genoodzaakt vanuit hun identiteit te opereren en na te gaan welke opdracht ze in de samenleving hebben. Ieder moet zich toeleggen op zijn eigen taak. Vergelijk het met een combo: een bas is geen drum, beide spelen een eigen rol in het geheel, beide hebben een eigen instrumentarium en daarbij behorende verantwoordelijkheid.

 

Hoe kunnen we bepalen wat die opdracht precies is?

Uiteindelijk is de keuze daarvoor normatief. Maar de traditie kan wel richtinggevend zijn, tenzij ze ontwikkeling in de weg zit. Bij de invulling van onze sociale praktijken staan we op de schouders van velen. Van de wijsheid van onze voorouders moeten we leren. Dan kun je de immanente betekenis van een praktijk eruit pikken. Ik heb het verwijt gekregen van essentialisme, maar zie het toch vooral als historisch resultaat. Praktijken hebben alle hun eigen canon. Die is niet eeuwig, maar ook niet zonder betekenis. Het blijft uiteindelijk mensenwerk, het blijft improviseren.

 

Improviseren is dus niet vrijblijvend?

Zeker niet. Improviseren geeft vrijheid, maar wel georganiseerde vrijheid. Improvisatie laat ruimte voor orde te midden van de chaos: soms klopt het, soms niet. Vergelijk het met een musicus in een combo. Die heeft vrijheid, maar is ook gebonden: aan de regels van de muziek, de traditie waarin hij staat, de eisen van een bepaald instrument, het gemeenschappelijke ritme. Er is altijd wederkerigheid, we moeten elkaar de ruimte geven. [Lachend:] Die metafoor van het improviseren is echt goed.  

 

 

NIEUWE SOCIALE POLITIEK

 

Als ik u zo hoor zal de visie van het vorige kabinet, dat wilde investeren in de samenleving, u hebben aangesproken.

Van Balkenende IV was ik best gecharmeerd. Dat denken vanuit de samenleving is goed, bijvoorbeeld zoals Rouvoet met de Eigen Kracht conferenties dat wilde vormgeven. Dat sluit goed aan bij de grote beweging die gaande is: van Big State naar Big Society. De geruststelling die ik met dit boek wil meegeven is: we kunnen die stap maken, heb er vertrouwen in! Helaas, moet ik eraan toevoegen, is de politieke realiteit weerbarstig. Wat we nu meemaken is een bezuinigingskabinet zonder visie. Het risico daarvan is dat het beleid hardvochtig wordt, dat een klakkeloos marktverhaal de boventoon gaat voeren.

 

Welke rol speelt vertrouwen in een improvisatiemaatschappij? Kan de politiek hier een stimulerende rol spelen?

Relaties in netwerken behoeven een betrouwbaarheid. Ik wil bijvoorbeeld zeker weten dat een ander doet wat hij heeft toegezegd. Dat is altijd al zo geweest, maar de relaties zijn nu vaak lichter en losser. Om relaties te regelen kunnen we gebruik maken van wet- en regelgeving, contracten, convenanten, schriftelijke afspraken. Daarmee redeneren we in termen van controle, en die is vaak nodig. Maar een wereld van louter controle is onleefbaar. We hebben daarnaast relaties op basis van goed vertrouwen en wederkerigheid. Ik doe iets in het vertrouwen dat een ander indien nodig op vergelijkbare wijze zal handelen. Controle en vertrouwen beschouw ik als de morele parameters van de netwerksamenleving. Als een sociaal verband goed georganiseerd is, volstaat een zekere mate van ondersteuning, maar is controle niet noodzakelijk. Maar soms is controle nodig om zaken goed geregeld te krijgen.

 

Uw boek sluit af met ‘de Politiek van het improviseren’. Wat heeft die voor gevolgen op lokaal niveau?  

De lokale politiek zal meer moeten denken in samenspel en samenwerking tussen politiek, organisaties en burgers. Er komt bijvoorbeeld steeds meer aandacht voor coöperatieve verbanden. Een voorbeeld is Stadsdorp Zuid, een vereniging in Amsterdam die onderling diensten regelen zonder dat het bestuur eraan te pas komt. Zo zijn er veel meer initiatieven die van onderop de Big Society vormgeven. Zoek ze op, ga met ze in gesprek, organiseer aanspreekbaarheid en aanspreking. Mensen zoeken naar verbanden waarbinnen ze betekenisvol zijn. Maar zorg ook voor het tegengaan van uitsluiting en onderdrukking. Dat is nieuwe sociale politiek van de netwerkmaatschappij: zorgen dat iedereen zijn partijtje mee kan blazen.   

 

 

KADER

Dr. Hans Boutellier is hoogleraar Veiligheid & burgerschap aan de VU en directeur van het Verwey-Jonker instituut.  Hij schreef eerder o.a. De veiligheidsutopie; hedendaags verlangen en onbehagen rond misdaad en straf.