Het verbod op ritueel slachten

Het verbod op ritueel slachten - Wat doet de senaat?

 

Door Frits Kalberg

 

Recentelijk heeft de Tweede Kamer met grote meerderheid van stemmen het initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Thieme van de PVDD tot vaststelling van het verbod op het onverdoofd ritueel slachten van dieren aangenomen. Deze aanvaarding brengt met zich, dat nu de Eerste Kamer als Hof van Revisie haar oordeel over het wetsvoorstel zal moeten geven. Mijns inziens zijn er overtuigende redenen om het wetsvoorstel alsnog op principiële gronden te verwerpen. 

 

Op dit moment bevat de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een uitzonderingsbepaling, die het mogelijk maakt om ingeval van rituele slacht de dieren niet te verdoven. Het aangenomen wetsvoorstel kent echter geen uitzonderingsbepaling, maar een algeheel verbod op onverdoofd ritueel slachten. In de toelichting op het wetsvoorstel wordt ten onrechte gesteld, dat het opheffen van de uitzonderingsbepaling niet strijdig is met de godsdienstvrijheid. 

 

Onuitvoerbare bewijsopdracht

De Tweede Kamerfracties van VVD, PvdA, D66 en GroenLinks hebben door middel van een amendement op het wetsvoorstel voor joden en moslims een uitweg willen bieden om het onverdoofd ritueel slachten van dieren toe te staan, indien evident wetenschappelijk bewijs wordt geleverd, dat onverdoofd ritueel slachten van dieren niet dieronvriendelijker is dan het reguliere slachten van dieren.

Dit amendement is door de Tweede Kamer aanvaard en maakt derhalve deel uit van het aangenomen wetsvoorstel. 

Daarbij kan men zich allereerst afvragen of het ten principale wel juist is, dat aan joden en moslims een dergelijke omgekeerde bewijslast wordt opgelegd. Immers, het onverdoofd ritueel slachten van dieren is vanouds de gebruikelijke wijze van ritueel slachten van dieren, zulks uiteraard met inachtneming evenwel van de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid. Logischer zou het dan ook zijn geweest, indien de voorstanders van verdoofd ritueel slachten van dieren zouden hebben moeten aantonen, dat deze vorm van slachten van dieren onder alle omstandigheden diervriendelijker is dan het onverdoofd ritueel slachten van dieren. Daarbij moet de Senaat als college van heroverweging uiteraard aandacht schenken aan de uitvoerbaarheid van het onderhavige wetsvoorstel op dit cruciale punt. Hierbij dient door de Senaat met name te worden gelet op het door voormelde Kamerfracties beoogde effect met het desbetreffende amendement.

Door tegenstanders van het wetsvoorstel is er inmiddels op gewezen, dat joden en moslims in deze worden geconfronteerd met een niet uitvoerbare bewijsopdracht, welke uiteraard niet van de wetgever behoort uit te gaan. Derhalve kan niet worden gesteld, dat met de aanvaarding van vorenbedoeld amendement aan joden en moslims een handreiking is gedaan om het onverdoofd ritueel slachten van dieren, gelet op de in die gemeenschappen vanouds bestaande godsdienstige tradities dienaangaande, bij wijze van uitzondering mogelijk te maken.

Hierdoor krijgt vorenvermeld verbod feitelijk een absoluut karaker. Dit zou reeds voor de Eerste Kamer een gegronde reden kunnen zijn om het wetsvoorstel alsnog op principiële gronden te verwerpen.

 

Beperking godsdienstvrijheid

Dit temeer waar het wetsvoorstel ook op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst ex artikel 6 van de Grondwet. Deze vrijheid ligt al eeuwen verankerd in de Nederlandse rechtsorde. Al vanaf de Unie van Utrecht in 1579 bestaat er een juridische bepaling waarin een onaantastbare private sfeer met betrekking tot de uitoefening van de godsdienst werd erkend. Daarom kan worden gesteld, dat de godsdienstvrijheid ons oudste grondrecht is. Bij de behandeling van de grondrechten in het kader van de algehele grondwetsherziening van 1983 heeft de heer Jongeling (GPV) dan ook voorgesteld om de bepaling omtrent de vrijheid van godsdienst als het eerste artikel in onze Grondwet op te nemen, omdat de godsdienstvrijheid nauw betrokken is geweest bij de zelfstandige vorming van de Nederlandse staat bij Vrede van Munster van 1648, waarbij de Koning van Spanje de Republiek als een onafhankelijke staat erkende. Weliswaar staat in het eerste lid van artikel 6 van de Grondwet de beperking van dat grondrecht door de bekende passage "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet", maar volgens de geschiedenis van dit grondwetsartikel wordt met de wet hier slechts de Strafwet bedoeld. Hieraan kan nog worden toegevoegd, dat het Europese Hof voor de rechten van de Mens in 2000 heeft bepaald, dat het recht om zijn godsdienst of overtuiging vrij te belijden ook geldt voor de  toepassing van de joodse spijswetten. Met name de rituele (koosjer) slacht valt onder de bescherming van de godsdienstvrijheid. Daarbij moet men bedenken, dat vrijheid van godsdienst kan worden getypeerd als een klassiek grondrecht. En klassieke grondrechten begrenzen de macht van de staat. In een rechtsstaat staat de vrijheid voorop en is de beperking daarvan een uitzondering.

Een beperking van de godsdienstvrijheid kan en mag pas worden vastgesteld na een zorgvuldige  afweging van de vrijheid en van de conflicterende rechten en belangen. Een van de strikte voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, is dat de beperking van het grondrecht noodzakelijk is in een democratische samenleving. De staat moet kunnen aantonen, dat een absoluut verbod op het onverdoofd slachten voldoet aan de voorwaarden om de godsdienstvrijheid te beperken.

 

Bekrachtiging niet vanzelfsprekend

Indien het initiatiefwetsvoorstel onverhoopt ook door de Eerste Kamer der Staten-Generaal zou worden aangenomen, wordt het kabinet geplaatst voor de vraag of het medewerking zal verlenen aan een bekrachtiging van de wet door de Koning ingevolge artikel 87 lid 1 van de Grondwet. Waar het hier een initiatiefwetsvoorstel betreft, is het geen vanzelfsprekende zaak dat dit door de Koning zal worden bekrachtigd. De Koning is geenszins verplicht om een ministeriële voordracht tot bekrachtiging voetstoots op te volgen. Als hij niet aanstonds wil tekenen, zal in overleg naar een oplossing moeten worden gezocht. Als de Koning bij zijn weigering blijft, ligt het in dit geval alleszins voor de hand, dat de ministers dit zullen accepteren, zodat de zaak daarmee niet naar buiten komt. Dit laatste ligt in dit geval temeer voor de hand, omdat het wetsvoorstel niet van het kabinet afkomstig is en dat de Raad van State als het hoogste adviescollege van Staat ten aanzien van het onderhavige wetsvoorstel een zeer negatief advies heeft uitgebracht.