Een mooi verhaal over het GPV

Een mooi verhaal over het GPV

 

Ewout Klei

'Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek'. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003

Uitgeverij Bert Bakker: Amsterdam 2010

ISBN 978 90 351 3609 0

 

 

Door Guido Hooiveld

 

Ooit heb ik met de gedachte gespeeld de geschiedenis van het GPV te schrijven. Op veel manieren ben ik verbonden geweest met deze partij. Het volgende heeft mij er echter van weerhouden: wie GPV zegt, zegt namelijk niet alleen politiek, maar ook kerk.

 

Kerk en politiek

Kerk en politiek vormden in het GPV een onlosmakelijk verbonden twee-eenheid. Uit den treuren is binnen deze politieke partij, die vrijwel uitsluitend bestond uit gereformeerd-vrijgemaakten, over deze twee-eenheid gediscussieerd. Kort gezegd cirkelde deze discussie om de vraag in hoeverre kerkelijke eenheid noodzakelijk is voor het samen optrekken van christenen op  politiek en maatschappelijk terrein. Het GPV heeft jarenlang deze kerkelijke eenheid absoluut noodzakelijk gevonden. Ruimte voor een ander standpunt of alleen nog maar een nuancering was er niet. Daarmee kreeg de discussie binnen het GPV over de kerk een ‘alles of niets’ karakter. 
Het jarenlange debat binnen het GPV over het belang van de kerk voor de politiek, heb ik zelf in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw nog bewust meegemaakt. Hoewel het GPV inmiddels geschiedenis is, heb ik gemerkt dat mijn distantie tot deze partij nog steeds te klein is om er een boek over te schrijven. Het leek mij geen aangename bezigheid om notulen, krantenartikelen en brochures door te nemen waarin op het scherp van de snede gedebatteerd werd over de verhouding kerk en politiek. 

 

Te grote betrokkenheid

Ewout Klei heeft het wel aangedurfd om de partijgeschiedenis van het GPV op te schrijven. Mei jongstleden promoveerde hij aan de Theologische Universiteit in Kampen op zijn boek ’Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek'. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003. Klei is evenals ik opgevoed in de gereformeerd vrijgemaakte wereld, maar hij is van bijna een generatie later. Waarschijnlijk heeft hij wel voldoende afstand tot het GPV gevoeld om zich op dit onderwerp te storten. Toch is ook Klei er nooit helemaal in geslaagd te ontkomen aan een te grote betrokkenheid. Ooit verzuchtte hij op een symposium dat de felheid waarmee binnen het GPV het debat over kerk en politiek werd gevoerd, het ook voor hem moeilijk maakte om ten alle tijde professionele distantie tot dit onderwerp in acht te nemen.

Klassiekers

Het bovenstaande heeft meer dan duidelijk gemaakt dat we ‘door de kerk heen’ moeten als we ons bezighouden met de geschiedenis van het GPV. Dat begint gelijk al in het eerste hoofdstuk. Dit gaat over het ontstaan van het GPV in de tweede helft van jaren veertig van de vorige eeuw. De ‘klassiekers’ passeren hier de revue: ethisch conflict, doorgaande reformatie en de kritiek op de beginselen van de ARP. Dit theologische en deels politieke begrippenapparaat vormden voor de vrijgemaakten de redenen voor de breuk met de ARP en de oprichting van het GPV.
Wat mij telkens opvalt in de boeken en artikelen over het ontstaan van het GPV, is dat zij niet verder komen dan het noemen en beschrijven van deze redenen. De verklaring voor de geboorte van deze partij blijft daarmee een ideologisch en vooral een theologisch gebeuren. Ook het boek van Klei ontkomt hier niet aan. Dit is onbevredigend. Want op de theologische en politieke argumenten die de vrijgemaakten gaven voor de vorming van het GPV, valt wel het een en ander af te dingen. Daarmee schieten deze argumenten tekort om het ontstaan van deze partij volledig te verklaren.

Zwakke argumenten

Het zwakke van de argumenten die de vrijgemaakten aanvoerden om te breken met de ARP en een nieuwe partijformatie te starten zit in het volgende. Kritiek op de beginselen van de ARP hadden de (latere) vrijgemaakten ook al voor de Vrijmaking gehad, zonder dat dit voor hen aanleiding vormde om een nieuwe partij te beginnen. Ook het argument van doorgaande reformatie is niet ontbloot van inconsequentheid. Doorgaande reformatie betekende dat reformatie in de kerk ook gevolgen moet hebben voor het maatschappelijke leven. Maar de latere vrijgemaakten hadden voor 1944 ondanks Afscheiding en Doleantie geen enkel bezwaar dat hervormden binnen de ARP actief waren. Het ethisch conflict is wellicht het meest sterke en authentieke argument dat de vrijgemaakten aanvoerden voor een eigen partijformatie. Dit conflict hield in dat vrijgemaakten het moreel onjuist vonden dat de gereformeerd synodalen hen in de kerk ‘scheurmakers’ noemden, maar ze zonder problemen in de politiek als volwaardige leden van de ARP begroetten. Maar waarom hadden de vrijgemaakten dit conflict voor de tweede helft van de jaren veertig nooit gevoeld met de hervormde leden van de ARP? In de ogen van deze leden dwaalden de gereformeerden immers toch omdat ze de vaderlandse kerk hadden verlaten?
           
Wrok stond aan de wieg

Het is dus niet afdoende het ontstaan van het GPV te verklaren vanuit een theologisch en ideologisch geschil. Klei komt overigens in zijn boek tot een aanzetje voor een ander perspectief. Ergens schrijft hij dat de vrijgemaakten na de kerkscheuring van 1944 zeer verongelijkt waren. Ze hadden gelijk gehad in de kerkstrijd, maar dit gelijk niet gekregen. Hiermee raakt Klei aan een  ander perspectief op het ontstaan van het GPV: het psychologische. Na 1944 valt de gemoedstoestand van de vrijgemaakten ten opzichte van de synodalen te typeren als rancuneus. Talloze publicaties van vrijgemaakte zijde illustreren dit. Het is niet verwonderlijk dat de wrok tegen de synodalen over het aangedane kerkelijk onrecht, bij de vrijgemaakten de lust om binnen de ARP te participeren tot een minimum deed dalen. De oprichting van een eigen partij lag dan ook voor de hand, zeker in een samenleving die (nog) een verzuild karakter had. Ethisch conflict, doorgaande reformatie en de inhoudelijke kritiek op de ARP vormden de theoretische legitimering van het oprichten van het GPV. Deze legitimering kan in elk geval de historicus niet verhinderen om haar gedeeltelijk als schone vlag te zien boven een explosieve lading rancuneuze gevoelens. Wrok stond dus mede aan de wieg van het GPV. Het is een gemis dat Klei op het ontstaan van het GPV niet het psychologisch perspectief heeft losgelaten. Dat had tot een beter begrip van de oprichting van deze partij geleid.

Verbrugh
In de jaren vijftig en zestig bleef het geredetwist over het belang van de kerk voor de politiek het GPV in de greep houden. Desondanks ontstond er in deze decennia een politiek programma. De grote initiator en vormgever hiervan was Bart Verbrugh. Vanwege zijn achtergrond had deze weinig affiniteit met het kerkelijk gehakketak binnen het GPV. Verbrugh kwam uit een vrijzinnig-hervormde familie, was in de jaren dertig gereformeerd geworden en had uit rationele overwegingen voor de Vrijmaking gekozen. In de tweede helft van de jaren veertig, nog voordat hij lid werd van het GPV, was hij begonnen met het ontwikkelen van zijn politieke gedachten. Die waren in eerste instantie radicaal.  Zo wilde hij het actief en passief kiesrecht van mensen die zich openlijk tegen het christendom hadden gekeerd, afnemen. Toen hij voor het GPV een politiek programma ging opstellen, verdwenen de scherpe kantjes. Centraal in Verbrughs gedachtegoed is dat de staat christelijk moet zijn en de overheid de plicht heeft God te eren. Klei spreekt in dit verband over een uiterlijke theocratie. De vraag is of deze term juist om Verbrughs denken te typeren. De latere Verbrugh omhelsde namelijk het principe van godsdienstvrijheid, een principe dat een moeilijke verhouding heeft met theocratie.

Zakelijk en constructief

Het valt te begrijpen dat Verbrugh in het nog sterk christelijke Nederland van de jaren vijftig en begin jaren zestig, nog het ideaal van de christelijke staat formuleerde. Direct daarna begon echter de secularisatie, ook in de politiek. Vanwege het ideaal van de christelijke staat verloor het GPV hierdoor ideologisch de aansluiting bij de mainstream van de Nederlandse politiek. Het gedachtegoed van Verbrugh heeft echter het optreden van het GPV in de Tweede Kamer niet geschaad. De twee bekendste Kamerleden van deze partij, Pieter Jongeling en Gert Schutte, lieten in hun opereren in de dagelijkse praktijk de ideeën van Verbrugh voor wat ze waren en sloegen een zakelijke en constructieve toon aan. Ze werden daarom in de Kamer niet weggezet als vertegenwoordigers van een wereldvreemd splinterpartijtje. Er werd juist naar hen geluisterd.
Het zakelijke en constructieve gedrag van Jongeling en Schutte verklaart Klei uit de wetenschap bij beide politici dat ze in de Tweede Kamer een andere toon moesten aanslaan dan voor de eigen achterban, wilden ze in Den Haag gehoord worden. Maar dat is een te gemakkelijke verklaring. Daarvoor is het contrast tussen de felle interne discussies over de kerk en het zakelijke en pragmatische optreden voor het forum van de natie te groot. Een aannemelijker verklaring lijkt mij dat Jongeling en Schutte in de traditie stonden van de (vooroorlogse) ARP, vooral wat betreft de politieke stijl van deze partij.

Verworteling in de ARP

Hoewel de ARP bij uitstek bekendstaat als een christelijke politieke partij, doortrok een diepe pragmatische trek haar dagelijks politiek opereren. Dat begon al bij Abraham Kuyper. De antithese ging bij hem niet zo ver dat hij katholieken uitsloot van politieke samenwerking. Voor een confessionele meerderheid had hij immers de katholieken nodig. De pragmatische lijn die Kuyper had ingezet, zette zijn partijgenoot Theodoor Heemskerk voort. Tijdens zijn premierschap, dat duurde van 1908 tot 1913, liet hij de felle toon die Kuyper had aangeslagen tegen de niet-christelijke partijen los en koos hij voor een meer zakelijke benadering van deze partijen. Colijn vormde het vooroorlogse hoogtepunt van de pragmatische stijl van de ARP. In de jaren dertig maakten de liberalen deel uit van twee van zijn kabinetten.

De ARP mag dan in veel opzichten de antipool van en voor het GPV zijn geweest, desondanks is er, zeker in politieke stijl, sprake van continuïteit met deze partij. Eigenlijk is dat helemaal niet zo verwonderlijk gezien de verworteling van het GPV in de ARP. Hoewel sommige GPV-ers het misschien wel zo zagen, is de christelijke politiek niet met de oprichting van deze partij begonnen         

Fusie

Het grootste succes had het GPV in de ogen van Klei onder Gert Schutte in de jaren tachtig en negentig. Paradoxaal genoeg had dit mede te maken met de kleine omvang van de partij. Gezien vanuit machtspolitiek was het GPV ongevaarlijk, en dat gaf Schutte de ruimte een positie in te nemen die grote partijen niet konden innemen. Paradoxaal is ook dat de succesjaren onder Schutte de inleiding zijn van het verdwijnen van het GPV. Ondanks de politieke voorspoed ontstond van onderop meer en meer twijfel aan het kerkgebonden karakter van de partij. Maar het duurde nog behoorlijk lang, aldus Klei, voordat het GPV samen met de RPF opging in de ChristenUnie. Klei wijt dit aan het rekening houden van het GPV-bestuur met verontrusten: de leden die om principiële reden tegen een nieuwe partijformatie samen met de RPF waren. Volgens Klei was het bestuur overdreven bedacht op deze groep. Achteraf gezien is hun omvang te groot en hun positie te sterk ingeschat.

 

Positie Schutte

Maar hier peilt Klei niet diep genoeg. Dat het allemaal zolang duurde voordat het tot de ChristenUnie kwam, had voor alles te maken met de positie van Schutte. Hij was geen voorstander van een samengaan met de RPF. Schutte was politiek slim genoeg om zich niet in het openbaar over de kwestie van samenwerking uit te laten. Achter de schermen wendde hij echter zijn invloed aan. Aangezien hij de partijleider was en ook nog eens succesvol, kon het GPV-bestuur niet zo maar aan hem voorbijgaan. Het bestuur was zich ervan bewust dat het fusieproces schade zou oplopen als Schutte zich gedwongen zou gaan voelen zich er in het openbaar tegen uit te spreken. Het heeft de nodige tijd gekost om hem achter het fusie-ideaal te krijgen.

 

Analyse

Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek is vlot en met de nodige ironie geschreven. Dat laatste is ook wel nodig wil je de vele pagina’s over de kerkelijke discussies doorkomen. Klei betoont zich een echte verhalenverteller. Het boek schiet echter te kort in de analyse. Ik heb het idee dat dit voor een deel aan de vraagstelling ligt. Klei heeft willen onderzoeken hoe de partijcultuur van het GPV te typeren was, welke relevantie deze kleine partij in het Nederlandse politieke landschap had en hoeveel ruimte zij kreeg van de seculiere meerderheid om haar eigen geluid te laten horen. De onderzoeksvragen hebben Klei niet uitgedaagd tot een diepgravende, historische ontleding van het GPV. Hij blijft teveel in het beschrijvende steken; zijn spade komt vaak niet verder dan het mooie verhaal.

Klei noemt zijn boek in de ondertitel ‘een geschiedenis van het GPV’. Voorlopig zal het wel dé geschiedenis van het GPV zijn, zo merkte zijn copromotor professor Henk te Velde tijdens Klei’s promotie op. Een nieuw boek over het GPV ziet hij de komende decennia niet gauw verschijnen. Mochten historici zich in de nabije toekomst geroepen voelen tot deelonderzoek naar het GPV, dan is naar mijn mening de continuïteit tussen ARP en GPV een vruchtbaar perspectief. Politiek is het vervolgens interessant om de vraag te stellen wat de continuïteit tussen de ChristenUnie, als erfgenaam van het GPV, en de ARP is. Of spannender geformuleerd: wat de continuïteit tussen ARP en ChristenUnie behoort te zijn.

 

 

KADER

Guido Hooiveld is historicus en werkte van 1998 tot en met 2002 voor de Tweede Kamerfractie van GPV/ChristenUnie. Tegenwoordig is hij bestuurssecretaris bij de Theologische Universiteit in Kampen.