Vernietigde vertegenwoordiging

Vernietigde vertegenwoordiging

Zorgen om diploma’s en democratie

 

Roel in ’t Veld

Kennisdemocratie

Sdu Uitgevers: Den Haag 2010

ISBN 9789052617572

 

Mark Bovens en Anchrit Wille

Diplomademocratie

Bert Bakker: Amsterdam 2011 

ISBN 9789035136069

 

Door Herman Sietsma

Kennis en democratie hangen samen. Dat blijkt uit twee boeken waarin zorg wordt geuit over de opkomst van het populisme en de toekomst van onze democratie. Maar wat zijn beide boeken verschillend! In ’t Veld benadrukt de noodzaak om kennis meer te benutten voor beleid, om populisme te keren. Bovens en Wille betogen dat hoger opgeleiden de democratie domineren en zoeken juist aansluiting bij de mensen van wie de mening minder wordt gehoord, de lager opgeleiden. Allereerst over In ‘t Veld.

 

Zwarte donderwolken

Roel in ’t Veld constateert in zijn Kennisdemocratie – met als dreigende onderkop Opkomend stormtij, geïllustreerd met zwarte donderwolken op de kaft - dat de representatie, de vertegenwoordiging van de kiezer door de volksvertegenwoordiger, feitelijk is “vernietigd”. Het opkomende populisme stemt hem zorgelijk en hij draagt ideeën aan om deze ontwikkeling het hoofd te bieden.

De oorzaken van de teloorgang van ons representatieve systeem liggen deels bij de kiezers, die al lang niet meer stemmen volgens een consistente wereldbeschouwing waarop vertegenwoordiging kan worden gebaseerd. Burgers zijn enerzijds kiezers, maar daarnaast ook klanten van (semi)publieke instellingen die hun eigen  “democratie” (klantoriëntatie) hebben georganiseerd. Zo hebben burgers allerlei wisselende belangen en posities. Verkiezingen benutten ze vaak meer als afrekeningen vanwege het beleid dat gevoerd is dan om een principieel gemotiveerde politieke voorkeur voor de toekomst tot uitdrukking te brengen. Die beweeglijkheid laat zich met algemene vertegenwoordiging niet goed verenigen.

 

Partijen zijn lege dozen

Maar ook de politieke partijen en hun vertegenwoordigers zijn debet aan de slijtage van ons vertegenwoordigende systeem.  Ze baseren hun politieke opstelling al lang niet meer op de eigen beginselen. Politieke partijen zijn “lege dozen” geworden en ze gedragen zich als actoren op een markt, door te dingen naar de kiezersgunst.  De interacties in de driehoek wetenschap/media/politiek leiden tot een dynamiek waartegen het systeem van representatie niet is opgewassen.  Politici laten zich (vooral) leiden door incidenten,  kiezersgunst en met name hypes in de media, zodat een consistente partijlijn vaak niet te ontwaren is.

Het populisme wordt hierdoor een dreigend fenomeen. Ingewikkelde problemen kunnen niet langer met klassieke instrumenten en waardenoriëntaties worden opgelost. In toenemende mate wordt de agenda van de politiek bepaald door burgers zelf en door de media, met als gevolg nieuwe machtsverhoudingen en risico’s op het punt van de kwaliteit van het bestuur door het ontbreken van checks and balances.

 

Overheid als proces-architect

In ’t Veld pleit zowel voor andere verhoudingen in de staat, als voor andere verhoudingen tussen de staat en andere maatschappelijke organisaties. Men moet meer werk maken van toekomstonderzoek, waarbij over de grenzen van disciplines wordt gekeken. De staat moet die kennis niet vertalen in politieke standpunten, maar er voor zorgen dat die kennis er is. Hij moet zich concentreren op zijn rol als proces-architect.  Zowel individuele burgers als instituties kunnen de inhoudelijke keuzes  vaak beter maken dan de gekozen vertegenwoordigers die niet meer weten wie zij vertegenwoordigen en op grond van welke drijfveren ze werken.

Het betoog van in ’t Veld mondt uit in het concrete voorstel om de invloed van burgers niet te beperken tot aanwijzing van volksvertegenwoordigers, maar om ook bestuurders  direct door de bevolking te laten kiezen  en om burgers een stem te geven in interactieve processen (via het internet), niet alleen bij concrete beleidsbeslissingen, maar ook bij vaststelling van wetten.  Zo kan de algemene vertegenwoordiging geleidelijk verdwijnen.

Een tweede notie betreft de verhouding tussen staat en samenleving. Alleen op het gebied van politie en justitie is de staat als centrale actor nodig, voor het ontwerpen en uitvoeren van beleid is zijn centrale rol uitgespeeld. Er moeten arrangementen worden bedacht om het netwerk van maatschappelijke instellingen meer in positie  te brengen.

 

Bestaat het volgende station?

Laat ik bij het boek van in ’t Veld enkele opmerkingen maken. In de eerste plaats: op de analyse van  in ’t Veld is weinig aan te merken. Politici laten zich in hun opstelling sterk leiden door kiezersvoorkeuren en mediageweld. De nadruk op personen wordt door hen veelal in de hand gewerkt en anders wel actief door de pers opgeroepen. Gecombineerd met het  vluchtige gedrag van kiezers is er tenminste een probleem rond de vertegenwoordiging van de kiezers. 

De vraag is echter wat het probleem is: het systeem van vertegenwoordiging zelf of de manier waarop hiermee wordt omgegaan. De analyse die het boek geeft zou namelijk ook benut kunnen worden door politieke partijen, media, kennisinstellingen en met name burgers om juist te investeren in ons systeem. Zo zouden politieke partijen meer werk kunnen maken van oriëntatie op waarden in plaats van op de opiniepeilingen. Politici zouden kunnen weigeren mee te doen aan de mannetjesmakerij in tv-programma’s en hun inhoudelijke positiebepaling meer op hun principes kunnen baseren. Media zouden moeten ophouden met het belachelijk maken van politiek en bestuur en hun taak als informanten aan het publiek serieuzer moeten nemen dan het bedenken van nieuwe hypes. En burgers zouden zich kunnen realiseren dat politiek luilekkerland niet bestaat en dat het besturen van een samenleving ook iets van hen vraagt omdat ze niet alleen maar consument zijn maar ook verantwoordelijke burgers. In ’t Veld is dit station voorbij, maar de vraag is of dat niet riskant is, omdat het volgende station nog niet in zicht is en wellicht ook niet bestaat.

 

Onverteerbaar

Een tweede opmerking betreft de fundering van het boek. Het betoog gaat uit van de volkssoevereiniteit; op geen enkele manier wordt een connectie van de overheid met objectieve doelstellingen of waarden gezien. Dat is voor christelijke politiek, waar de ambtsopdracht van de overheid centraal staat, onverteerbaar.. Door het ondenkbaar te achten dat de overheid zich op iets anders zou funderen dan op de volkswil loopt het betoog van in ’t Veld feitelijk vast in zichzelf. In ’t Veld bepleit namelijk èn meer directe democratie – waardoor het risico van populisme juist bevorderd wordt!- èn meer invloed van kennis en deliberatie. Maar de strijd tegen populisme kan veel beter gevoerd worden door de politicus die weet dat kiezersvoorkeuren niet alleen grillig  zijn en soms zelfs akelig (want populistisch), maar dat ze ook niet het laatste woord behóren te hebben. De opdracht aan de overheid is niet om alleen een proces te ontwerpen zodat beleid  zich in de richting van de afgrond kan bewegen. Politicus zijn betekent ook en vooral: het kwade –en het goede - benoemen, ongeacht de volkswil.

 

De volksvertegenwoordiging afschaffen? 

En dan het laatste: de concrete uitwerking. In ’t Veld is hier zeer voorzichtig in zijn formuleringen en dat is begrijpelijk. Het geleidelijk afschaffen van de volksvertegenwoordiging is nogal wat, zowel in principiële als in praktische zin. Nog nergens ter wereld is een grootschalig democratisch proces (al dan niet met ICT-inzet en functioneel bestuur van de maatschappelijke organisaties)  geslaagd zonder het principe van de vertegenwoordiging. Het is zeer de moeite waard na te gaan in welke mate dergelijke bewegingen als aanvulling op het systeem van representatie kunnen worden ingezet. Maar het opgeven van het systeem van onze gekozen volksvertegenwoordiging levert een onvoorspelbaar risico op. Zo is er het probleem van de samenhang der dingen; ad hoc democratie met incidentele beslissingen kan gemakkelijk leiden tot een gefragmenteerd overheidsbestuur. Of een samenleving dan bestuurbaar blijft is de vraag.

 

Diplomademocratie

Dan het tweede boek, Diplomademocratie. Hierin borduren de auteurs Bovens en Wille voort op eerder onderzoek van de hoogleraar Bovens naar de verhouding tussen opleiding en politieke macht. In de Nederlandse politiek zijn de hoger opgeleiden, daaronder worden verstaan degenen met een HBO- of WO-opleiding, sterk oververtegenwoordigd. Van alle Nederlanders behoort zo’n 30% tot deze groep, maar in de Tweede Kamer is meer dan 90% van de leden hoger opgeleid. In feite zijn de werelden van hoger opgeleiden en van lager opgeleiden (ook zo’n 30%) steeds meer gescheiden. De tussengroep, de middelbaar opgeleiden, omvat zo’n 40% van de kiezers.

 

Nieuwe kloof

De auteurs stellen dat niet zozeer de kloof arm/rijk problematisch is, maar de kloof hoger/lager opgeleiden wel degelijk. Nieuwe scheidslijnen lopen namelijk langs dit onderscheid. Tijdens de periode van de verzuiling trof men elkaar in de kerk, op de school van de kinderen en in het verenigingsleven. Tegenwoordig komen hoger en lager opgeleiden elkaar nauwelijks meer tegen.

Wie Plato’s ideeën over de ideaal bestuurde staat nog eens leest (hierin was  het bestuur van de staat door de hoogst opgeleiden juist zeer noodzakelijk) kan niet om de conclusie heen dat onze parlementaire democratie veel van zijn idealen herbergt. En dat is een pijnlijke conclusie, want is een grotere anti-democraat denkbaar dan Plato?

 

Is die bezwaarlijk?

In onze moderne samenleving hebben burgers dus meer invloed naarmate hun opleidingsniveau hoger is. Maar de vraag die rijst is: is dat bezwaarlijk? Het antwoord hangt af van de visie op vertegenwoordiging. Als bedoeld is om kwalitatief goed staatsbestuur te krijgen hoeft er geen probleem te zijn, zie Plato. Maar als  gemeenteraden, provinciale staten en Staten-Generaal een zo getrouw mogelijke afspiegeling moeten zijn van de bevolking is er inderdaad een probleem.

Nu kan men stellen dat goed bestuur pas ontstaat als er een getrouwe afspiegeling is, en de feiten lijken deze stelling te onderbouwen. De feitelijke deelname aan het politieke proces (opkomstpercentage bij verkiezingen, volgen van het nieuws, meedoen in (politieke) netwerken) ligt over de hele linie beduidend lager bij degenen met een lagere opleiding. En de urgentie van politieke thema’s ligt bij de groepen lager/hoger opgeleiden sterk verschillend; zo zijn in de jaren negentig de thema’s integratie en immigratie, criminaliteit, Europese integratie en staatkundige hervormingen opgekomen. Lager opgeleiden hebben veel eerder dan hoger opgeleiden deze thema’s als problemen ervaren; ze hebben bij deze thema’s weinig te winnen en vooral te verliezen. Ze zien meer de schaduwkanten van multiculturaliteit dan de verrijking ervan, ze waren meer slachtoffer van criminaliteit, ervaren geen voordeel van de Europese eenwording en hechten – als politieke outcasts - meer belang aan directe democratie (zoals het referendum, de gekozen burgemeester) dan de hoger opgeleiden die in de politieke netwerken toch al royaal meedoen. 

 

Toename ongelijkheid

Begrijpelijk is dan dat, als een Tweede Kamer nagenoeg geheel bestaat uit hoger opgeleiden, de problemen van de lager opgeleiden minder in beeld komen. Dit verklaart het wantrouwen en cynisme van grote groepen uit de bevolking met het politieke proces; ze voelen zich er buiten staan. De opkomst van  partijen zoals SP LPF, TON en PVV geeft uiting aan dit onbehagen. Het gevolg van deze ontwikkeling is een toename van ongelijkheid. Deze conclusie spoort met een recent gepubliceerd rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, dat de tot heden steeds veronderstelde sociale stijging (nieuwe generaties hebben het beter dan voorgaande) stagneert.

Nu zei Plato dat het besturen van een staat net zoiets is als het besturen van een schip; dat moet je overlaten aan kapitein en stuurlieden. Terecht zeggen de auteurs van Diplomademocratie dat het niet zozeer gaat om de technische besturing, maar om het bepalen van het reisdoel. Daarin hebben hoger opgeleide passagiers in de praktijk een beduidend grotere stem dan de lager opgeleiden.

 

Verlicht populisme

Als oplossingen wordt een variatie aan instrumenten gesuggereerd: versterking van het burgerschap, herinvoeren van een opkomstplicht, meer directe democratie zoals referenda en directe verkiezing van bestuurders: kortom, het  beter inbrengen van de belangen van lager opgeleiden.

Feitelijk behandelen de auteurs hetzelfde thema als In ’t Veld; de tekortkomingen van ons huidige politieke systeem leiden tot onvoldoende kwaliteit – breed gedefinieerd - in de beleidsvorming.  Die tekortschietende kwaliteit is enerzijds te wijten aan het onvoldoende benutten van kennis en bestuurskracht in de maatschappij en dat leidt tot populisme (In ‘t Veld).  Anderzijds is er onvoldoende kwaliteit omdat de stem van de lager opgeleiden te weinig wordt gehoord en dat leidt tot risico’s  voor de sociale stabiliteit in onze samenleving (Bovens en Wille).

In ’t Veld wil populisme tegengaan door de invloed van kennis en instituties en ook van individuele burgers in het politieke proces te vergroten. Hij is radicaal in de analyse van het slechte weer waarin we zijn terechtgekomen (ons systeem van representatie is “vernietigd”). Tegelijk is hij voorzichtig in de oplossing en dat is terecht, want hij geeft geen concreet uitzicht op beter weer.

Bovens en Wille zoeken juist aansluiting bij de gevoelens van het volk en willen die meer tot hun recht doen komen. Letterlijk is één van hun remedies het introduceren van een vorm van “verlicht” populisme, omdat het altijd nog beter is te werken met populistische partijen dan met ondergrondse bewegingen die de rechtsstaat ondermijnen.

Christelijke politiek mag zich niet gemakkelijk afmaken van deze vraagstukken. Maar een kompas dat niet uitsluitend op de volkswil ingesteld is, is een groot voorrecht!

 

 

 

KADER:

Herman Sietsma is hoofdredacteur van DenkWijzer