Ridders, monniken en twee zwaarden

Ridders, monniken en twee zwaarden

Middeleeuwse bijdragen aan de rechtsstaat (deel 1)

 

Door Richard Steenvoorde[1]

 

 

1. Inleiding

 

Wie vandaag in een goede boekwinkel de afdeling spiritualiteit bezoekt, moet bijna wel het idee krijgen dat Benedictijnse spiritualiteit de oplossing biedt voor alle vragen van moderne mensen. Of het nu gaat om vriendschap, verlies, of het opruimen van mijn bureau: de regel van de heilige Benedictus lijkt er een oplossing voor te geven. Toch is cynisme op deze plaats niet gepast. De stapels boeken van de hand van Anselm Grün, Wil Derkse, en Benoît Standaert verraden een diepgewortelde belangstelling voor de vraag hoe een kloosterregel uit de vijfde eeuw ons vandaag de dag nog tot inspiratie zou kunnen dienen.

            In dit eerste artikel over middeleeuwse bijdragen aan de democratische rechtsstaat bekijken we of en hoe monniken uit de Benedictijner en Cisterciënzer traditie mogelijk een steentje hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van belangrijke christelijke opvattingen over de rechtsstaat.

 

 

2. Een leger van de Heer?

 

2.1 De revolutie van Benedictus

Volgens de Franse filosoof Jean Guitton kondigde Benedictus van Nursia (480-547) de Middeleeuwen aan en bereidde hij Europa voor.[2] De kloosterregel die met het Evangelie de grondslag zou gaan vormen van de Benedictijner kloosterfamilie werd door Benedictus geschreven omstreeks het jaar 550 na Christus. In een redelijk beknopt document stelde Benedictus de leefregels op voor een ‘leerschool voor dienst aan de Heer’ die haaks stond op de religieuze, maatschappelijke en politieke opvattingen van zijn tijd. Nog tijdens zijn leven groeide dit initiatief uit tot een orde met vele kloosters. Gedurende de daaropvolgende ‘donkere middeleeuwen’, waarin het bestuursapparaat van het West-Romeinse rijk ineenstortte  en er eeuwen van politieke chaos volgden, bleken deze kloosters bakens van rust en stabiliteit waarin de erfenis van de Romeinse cultuur zorgvuldig bewaard bleef.

De politieke ‘doorbraak’ van de regel kwam toen de Karolingische vorsten besloten omwille van de religieuze eenheid en politiek-maatschappelijke stabiliteit de regel in te voeren in alle gebieden die onder hun politieke verantwoordelijkheid vielen.[3] Het ambtelijk apparaat van het Karolingisch Rijk werd het exclusieve domein van priesters en benedictijner monniken.[4] Vanaf die tijd behoorde steun voor de regel tot één van de centrale elementen van de politieke strategie van prinsen en vorsten.

Binnen het systeem van de Regel is de abt het hoogste bestuurlijke orgaan van de gemeenschap (artikel 2 van de Regel). Zijn er echter belangrijke zaken aan de orde, dan roept de abt de hele gemeenschap bijeen en legt hen persoonlijk uit waarover het gaat (RB 3). Vervolgens luistert de abt naar het advies van de broeders en neemt daarna een besluit. Hierbij benadrukt Benedictus dat allen aanwezig moeten zijn omdat de Heer vaak aan een jongere openbaart wat het beste is. Nadat de abt het besluit heeft genomen zijn alle broeders gehouden om aan zijn oordeel te gehoorzamen. Zijn er minder belangrijke zaken aan de orde, dan vraagt de abt advies aan enkele oudere broeders (artikel 3 van de Regel).

Moderne commentatoren wijzen er graag op dat deze bepalingen een revolutie bevatten. In plaats van de tot dan toe gebruikelijke behandeling op grond van maatschappelijke rang of stand, worden hier alle monniken onder de regel gelijk behandeld. Niet afkomst maar anciënniteit zijn bepalend. Er is bijzondere aandacht voor wat jonge mensen hebben in te brengen. Bovendien is er hier sprake van een bestuurder, de abt, die na zelf het probleem te hebben aangekaart, vooral luistert en daarna de volle verantwoordelijkheid voor zijn besluit neemt.[5]

 

2.2 Toch weinig invloed op de politieke filosofie

Het lijkt daarom vreemd om te moeten constateren dat deze Benedictijner revolutie waarbij de gehele gemeenschap betrokken wordt in de besluitvorming, althans in een adviserende rol, geen noemenswaardige invloed heeft gehad op de middeleeuwse politieke filosofie. Eén van de redenen zou kunnen zijn dat het uiteindelijk toch gaat om een eenhoofdig bestuur. Men heeft wel inspraak, maar geen enkele invloed op het uiteindelijke besluit.  Maar er is nog iets anders aan de hand. Southern[6] wijst erop dat de sterke groei van de Benedictijner beweging voor een groot deel niet zozeer gebaseerd was op de inhoud van haar regel, als wel op grond van haar maatschappelijke functies.

Ten eerste werden monniken gezien als ridders die, namens de vorst, door hun gebedsleven de strijd aangingen om het koninkrijk vrij te houden van de machten van het kwaad. Dit verklaart het nut en de noodzaak van de aanwezigheid van kloosters in iedere politiek belangrijke stad. Het succes van de bestuurder hing af van zijn aardse leger en zijn spirituele leger.

Ten tweede was er de rol van monniken met betrekking tot het boete doen voor zonden. Zonden waren niet alleen maar persoonlijk verstoring in de verhouding tussen de mens en zijn Schepper, maar gingen de gehele samenleving aan. Dit maakte het ook mogelijk dat in de vroege middeleeuwen de gedachte ontstond dat de penitentie voor een zonde door om het even wie gedaan kon worden, en dus niet noodzakelijk door de zondaar in kwestie. Het ging er niet om dat deze persoon zijn schuld ‘voldeed’, maar dat de schuld voldaan werd. Kloosters kregen daarom de opdracht om, tegen een vergoeding, te bidden voor het zielenheil van wereldse zondaars, en vooral voor het zielenheil van politieke machtshebbers.

Ten derde functioneerden de kloosters als natuurlijke overloop voor adellijke families om er voor te zorgen dat bij erfeniskwesties het bezit niet steeds verder opgesplitst hoefde te worden. Dat betekent niet dat men neerkeek op een carrière als kloosterling. Het ridderschap in de geestelijke strijd tegen de onzichtbare vijanden van het kwaad was net zo nobel als het ridderschap in de strijd tegen de zichtbare vijanden van het land. Maar de komst van zoveel rekruten uit de adelsstand, in combinatie met het idee van ridderschap, betekende wel dat het leven in het klooster veel van de aardse ambities van de adel ging weerspiegelen, inclusief werelds comfort en architectuur.

             De specifiek maatschappelijke en politieke inbedding van de Benedictijnen in de vroege middeleeuwen hebben er mogelijk voor gezorgd dat hun ideeën over besluitvorming weinig of geen invloed hebben gehad op de politieke filosofie van de middeleeuwen. Zij waren immers een leger dat streed tegen het onzichtbare kwaad, en dat was wat anders dan de politieke besluitvorming van vorsten inzake belastingen en geweld in de zichtbare wereld. Voor zover zij zich wel met politieke besluitvorming bezighielden, functioneerden zij als ambtenaren ten dienste van de vorst.

 

 

3. De Cisterciënzer hervorming

 

De middeleeuwse samenleving aan het begin van de twaalfde eeuw onderging grote veranderingen. In de steden ontstonden kathedraalscholen die door hun hoge onderwijskwaliteit al snel de leidende rol van de oude kloosters overnamen. Studenten aan deze scholen traden niet toe tot een orde, maar kozen voor een maatschappelijke carrière ofwel in de kerk, ofwel in de handel of het landsbestuur. Deze kathedraalscholen vormden de voorlopers van de latere universiteiten.

Tegelijkertijd floreerde een nieuwe kloosterorde met hoge idealen die terug wilde naar een strengere interpretatie van de regel van Benedictus: de Cisterciënzers. Aan de oorsprong van deze orde lag een groep jonge monniken die in 1098 de abdij van Cluny verlieten om volgens hun strenge idealen te gaan leven.

            Er zijn twee redenen[7] aan te geven waarom de Cisterciënzers goed gedijden in de twaalfde eeuw. In plaats van zich te gedragen als een militaire elite, bezorgd om hun sociale status, pakten zij de verplichting tot handarbeid uit de Regel weer op. Dit uitte zich in grote activiteit op het gebied van de cultivering en beheer van het land. Voortvarend omarmden de Cisterciënzers de nieuwste landbouwtechnieken. Daarnaast wisten de Cisterciënzers de diverse hervormingsbewegingen in andere kloosters aan zich te binden, soms simpelweg door een oude orde te incorporeren en vervolgens deze volgens de Cisterciënzer regels te hervormen.

 

4. Bernardus van Clairvaux: twee zwaarden

 

4.1 Advies aan een Paus

Uit deze hervormingsdynamiek komt een man naar voren die niet alleen grote invloed zou hebben op het succes van de jonge orde, maar ook op het terrein van de wereldse politiek: Bernardus van Clairvaux (1090/1-1152). Bernardus was een telg uit een adellijke Bourgondische familie uit de buurt van Dijon. Rond zijn eenentwintigste trad hij met vier broers en vijfentwintig vrienden toe tot het klooster van Cîteaux, één van eerste ‘hervormde’ kloosters. Drie jaar later werd hij de eerste abt van het nieuwe klooster van Clairvaux. Het is moeilijk om het complexe leven van Bernardus in een paar regels samen te vatten. Aan het eind van zijn leven merkte hij zelf op dat het uiteindelijk om drie woorden ging: anima quaerens Verbum (De ziel op zoek naar het Woord).[8]

            Het is daarom des te opmerkelijker dat één van zijn bekendste werken, De Consideratione ad Eugenium Papam, een advies aan Paus Eugenius III (1145-1153), vooral bekend is geworden als politiek document. Toch was dit niet de opzet van Bernardus die het werk schreef voor “onze zwakke broeder Eugenius” die de eerste paus uit de nieuwe orde der Cisterciënzers was.[9] Bernardus schreef een praktisch pleidooi voor een concrete paus op een concreet moment in de geschiedenis. Het heeft nooit in zijn bedoeling gelegen om een politiek traktaat op te zetten, laat staan een volledige omschrijving te geven van een idee dat bekend werd als de tweezwaardenleer.[10] Wie het boekje bestudeert ziet dat de twee passages die hierop betrekking hebben nauwelijks opvallen in het groter geheel. Toch zouden deze passages het meeste stof doen opwaaien.

            De Nederlandse Augustinus-kenner Professor Paul van Geest wijst erop dat in de tweezwaardenleer van Bernardus het werk van Augustinus van Hippo (354-430) De Civitate Dei doorklinkt. In de Civitate Dei had Augustinus betoogd dat er twee rijken waren: het aardse rijk (de civitas terrena) en het rijk Gods (de civitas Dei). De Kerk valt niet samen met het Rijk Gods, maar beide rijken zijn zowel in de kerk als in de wereld aanwezig.[11]

           

4.2 De Kerk en de wereld

In het denken van Bernardus zijn twee stappen te onderscheiden. Voor de eerste stap baseert hij zich op Johannes 21:7.[12] Om dit goed te begrijpen moeten we in ons achterhoofd houden dat het punt gemaakt werd in de context van een discussie over het beeld van de Kerk als schip (navis ecclesiae) en de vraag wie haar dan zou besturen. Bij zijn interpretatie van Johannes 21:7 in De Consideratione merkt Bernardus op dat alle leerlingen aan boord van hun bootje blijven, behalve Petrus. Hij stapt uit de boot om de verrezen Heer op de oever te ontmoeten:

 

“Wat betekent dit? Het is duidelijk een teken voor de unieke opdracht aan Petrus. Terwijl de anderen ieder hun eigen scheepje hebben om te besturen, ontvangt hij geen schip om te besturen, maar de hele wereld in zijn beheer…Aan jou is het grootste schip van allemaal toevertrouwd opgebouwd uit alle anderen, de universele Kerk, verspreid over de hele wereld.”[13]

           

Daarmee onderscheidt de paus zich volgens Bernardus met willekeurig welke wereldse vorst dan ook. Wereldse vorsten zijn verantwoordelijk voor een specifiek gebied. Echter de paus, als opvolger van Petrus, stapt in de schoenen van de visser en wordt daarmee de rentmeester verantwoordelijk voor alle kerken en volken.

            De tweede stap in het denken van Bernardus richt zich dan op de vraag of de Paus in zijn rol als rentmeester over de wereld ook geweld mag, of zelfs moet gebruiken? Ook hier zoekt Bernardus aansluiting bij de Schrift, en wel bij Lucas 22:38 en 22: 49-51:

 

‘Heer,’ zeiden ze, ‘hier zijn twee zwaarden.’ Maar Hij zei hun: ‘Zo is het genoeg!’ (Lucas 22:38, Willibrordvertaling)

 

“Toen zijn metgezellen zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we erop inslaan met het zwaard?’ En een van hen sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem het rechteroor af. Maar Jezus antwoordde: ‘Houd daarmee op!’ Hij raapte het oor op en genas hem.” (Lucas 22: 49-51, Willibrordvertaling)

 

 Volgens Bernardus behoorden beide zwaarden aan de Heer, hij zegt immers ‘het is genoeg’, niet het is te veel of het is niet nodig:

 

“Daarom behoren zowel het geestelijke als het wereldse zwaard aan de Kerk. Maar terwijl het tweede getrokken wordt vóór de Kerk, kan het eerste slechts door haar zelf getrokken worden.”[14]

 

Deze opmerking is waarschijnlijk een direct commentaar op het feit dat Eugenius III zelf een keer zijn gevechtstroepen had gecommandeerd en met hen was meegetrokken. Volgens Bernardus mocht de Paus nooit zelf gebruik maken van seculiere, gewapende macht, maar kon hij slechts zijn instemming laten blijken waarna de wereldse macht zou optreden. Let wel, in deze tijd werd het regnum van de wereldse macht lager gewaardeerd dan het sacerdotium van de kerkelijke macht. Het was dus niet zo dat de wereldse macht nu ongebreideld zijn gang kon gaan. Wel kon de Kerk een beroep doen op de wereldse macht om haar te beschermen. Deze theorie werd door Bernardus zelf in praktijk gebracht toen hij, op 27 november 1146, bij het altaar van de kathedraal van Speyer, het vaandel van Sint Petrus in de handen van de Duitse Vorst Koenraad III gaf als voorbereiding op de Tweede Kruistocht.[15]

             

 

5.  Tweezwaardenleer en haar invloed op de Reformatie

 

De tweezwaardenleer van Bernardus scheidde de wereldse en de kerkelijke macht op het terrein van het gebruik van geweld. De Kerk zou zelf niet langer geweld mogen gebruiken, maar kon wel de staat vragen om geweld te gebruiken om de Kerk te beschermen. Zij behield haar geestelijke autonomie ten opzichte van het wereldse bestuur. In de eeuwen die daarop volgden ontwikkelde zich een steeds krachtiger centraal geleid bestuur met een vorst aan het hoofd uit wiens naam het geweldsmonopolie werd uitgeoefend. Tegelijkertijd verzwakte de positie van de Kerk door het grote Schisma en de Conciliaristische beweging.[16]

Toen de reformatoren zich in de zestiende eeuw geplaatst zagen voor de vraag welke autoriteit nu eigenlijk het initiatief zou moeten nemen in de door hen gewenste kerkhervormingen, gaf de twee zwaardenleer hun een uitkomst. De burgerlijke overheid kon zich immers ook beroemen op een ‘eigen zwaard’ dat zij van God had ontvangen. Nu het ‘geestelijke zwaard’ – de pauselijke suprematie – faalde om de kerk te hervormen, moest de overheid haar zwaard maar trekken om de kerk te beschermen. Zo koos men, ad-hoc, voor een opvatting dat de vorsten een soort ‘nood-bisschoppen’ waren die hun politieke macht voor geestelijke doeleinden moesten aanwenden.[17] Deze interpretatie zou de opmaat geven voor de Copernicaanse wending van de godsdienstvrede van Augsburg (1555), waarin voor het eerst het maxime cuius regio, illius religio werd vastgelegd. Voortaan bepaalde de vorst hoe de kerk er in zijn gebied uit zou zien. De twee rijken waren nog steeds gescheiden, maar nu voerde het wereldse zwaard de boventoon.

 

 

6. De Benedictijner erfenis

 

Het lijkt erop dat de middeleeuwse Cisterciënzer invloed op de politieke theorie vorming over de rechtsstaat vele malen groter is geweest dan die van de toen politiek praktisch sterk betrokken Benedictijner monniken. Toch zou de monnikenregel van Benedictus een bijdrage aan het politieke bedrijf van vandaag de dag kunnen leveren.

            Als Benedictus spreekt over de bestuurlijk verantwoordelijke van het klooster, de abt, dan is zijn eerste opmerking dat de abt steeds voor ogen moet houden wat zijn titel betekent en dat hij door zijn optreden de naam van overste waar moet maken (artikel 2 uit de Regel). Ook een lid van de Tweede Kamer moet voor ogen houden dat hij ten eerste volksvertegenwoordiger is. Hij wordt geacht de belangen van het volk te dienen, en niet zijn eigen belangen of de partijbelangen. Betekent dit nu dat hij als volksvertegenwoordiger klakkeloos moet aannemen wat het volk volgens het laatste opinieonderzoek wil? Weer kijkend naar de regel van Benedictus luidt het antwoord nee. Want hoewel de abt naar de hele gemeenschap luistert, is hij niet verplicht om de gemeenschap klakkeloos te volgen. De abt heeft namelijk een eigen verantwoordelijkheid welke getoetst zullen worden ‘bij Gods huiveringwekkend oordeel’ (artikel 2 uit de Regel). Voor een politicus ligt dit misschien anders, maar als hij zijn achterban goed wil vertegenwoordigen dan kan hij deze ook nog op een andere manier consulteren.

            Hier komt het denken van John Henry Newman (1801-1890) van pas. [18] Consultatie is bij Newman niet het vragen naar meningen, maar het zoeken naar feiten. Hij maakte daarbij de vergelijking met een barometer. Het consulteren van de barometer levert niet een mening op, maar een feit. Het is dus belangrijk dat een goede politicus feiten en meningen leert onderscheiden. Newman wees er ook op dat in de praktijk ‘when their minds are really roused, men commonly are not bad reasoners’. De menselijke rede kan dan niet alles, maar ze kan, zeker onder druk, wel iets. Een politicus zal het ook aan moeten durven om onder hoge druk op zijn gezonde verstand te blijven vertrouwen, en ook een appel op anderen moeten doen om ook hun gezonde verstand te bewaren.

            Keren we terug naar de regel van Benedictus. Er valt nog iets op. Als er een belangrijke zaak aan de orde is roept de abt zelf de communauteit bij elkaar en legt hij persoonlijk uit waar het om gaat. Dit leert ons twee dingen. Het gaat hier om een pro-actieve houding. En het gaat om een persoonlijk commitment.  Een politicus zou hier uit kunnen overnemen dat bij belangrijke politieke processen hij zelf het initiatief neemt om iets aan te kaarten, en niet afwacht of en wat de media er van zullen vinden. Hij gaat in gesprek met de mensen die het aangaat, en hij spreekt niet over hun hoofden heen. Dat betekent bovendien dat hij zelf het probleem moet aankaarten. Het valt op dat politici zich vaak achter rapporten en onderzoeken van anderen verschuilen: ‘onderzoek heeft uitgewezen…’, ‘in de kranten staat dat…’, ‘de ontwikkelingen zijn…’. Ook in Kamervragen zie je dit terug: ‘Kent u het bericht…’ en daarna volgt een verwijzing naar de krant van die ochtend, of een tv-uitzending van de avond daarvoor.  Maar wat vindt men nu eigenlijk zelf? De Regel houdt ons een andere benadering voor. Een politicus zal zijn eigen beweegredenen en vragen moeten formuleren en kenbaar maken in het gesprek en niet die welke een ‘hulpvaardige’ journalist of mediaredactie alvast voor hem gemaakt heeft.

 

7. Tot slot

 

In dit eerste deel van de serie stonden we stil bij de Benedictijner en Cisterciënzer bijdragen aan het denken over de grondslagen van de moderne rechtsstaat. We keken hierbij zowel naar de regel van de heilige Benedictus als de tweezwaardenleer van de heilige Bernardus. Misschien zou je het zo kunnen stellen dat de Benedictijner erfenis meer iets zegt over een goede democratische cultuur, terwijl de erfenis van Bernardus van Clairvaux een directe bijdrage heeft geleverd in het rechtstatelijk denken over de begrenzing van de kerkelijke en wereldlijke macht en het gebruik van geweld. In het volgende deel maken we kennis met een denker die op grond van zijn persoonlijke ervaringen van een heftige botsing tussen kerk en staat een invloedrijk werk zou schrijven: Jan van Salisbury.

 

KADER:

Samenvatting:

- Monniken hebben invloed gehad op vorming politieke filosfie

- Bernardus van Clairvaux kwam met onderscheid taken kerk-staat

- Benedictijnse leefregel ook nu relevant voor democratische cultuur

 

Mr. Dr. Richard A.J. Steenvoorde is Jurist voor de RK-kerkprovincie en Visiting Fellow Blackfriars Hall, Universiteit van Oxford.

 

KADER 2:

Dit is aflevering 1 in een serie over middeleeuwse bijdragen aan onze rechtsstaat.  De serie beoogt aan te tonen dat de middeleeuwen een belangrijke periode is geweest voor het huidige politieke denken en voor onze democratische rechtsstaat. Veelal wordt de middeleeuwse bijdrage ontkend of genegeerd. In deze serie probeert Richard Steenvoorde deze vergeten geschiedenis voor een breder publiek te ontsluiten.

Aflevering 2: Moord in de Kathedraal (Jan van Salisbury)



[1] De auteur dankt Prof. Dr B.C.M. Van Erp-Jacobs, hoogleraar Oud-vaderlands recht aan Tilburg University voor haar commentaar op deze tekst.

[2] Geciteerd door Standaert in P. Latteur, De Regel van Benedictus. Vertaling met Latijnse Brontekst, Tielt: Lannoo 2010, p. 185.

[3] R.W. Southern, The Middle Ages (The Penguin history of the church), London: Penguin Group 1970 (1990). p. 218.

[4] R.C. van Caenegem, An historical introduction to western constitutional law, Cambridge: Cambridge University Press (1995), p. 48.

[5] W. Derkse, Een leefregel voor beginners, Benedictijnse Spiritualiteit voor het dagelijkse leven, Tielt: Lannoo (2002), p. 57.

[6] Southern 1970, pp. 224-231.

[7] A.  Bredero, Bernard of Clairvaux. Between Cult and History, Eerdmans 1996.

[8] J. Pieper, Scholasticism. Personalities and Problems of Medieval Philosophy, South Bend: St. Augustine’s Press (2001), orgineel Duits: Scholastik, Kösel Verlag 1960, p. 90.

[9] H. Urs von Balthasar, Einleitung, Was ein Papst erwägen muss, Einsiedeln: Johannes Verlag (1985), p. 7.

[10] J. A. Watt, ‘Spiritual and Temporal powers’, in: J.H. Burns, The Cambridge History of Medieval Political Thought c. 350-c. 1450, Cambridge: Cambridge University Press (1991), p. 373. En J.Ph. de Monté Verloren-  J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling (7e druk, Deventer 2000), p. 50. Paus Gelasius de Eerste (492-496) was de eerste die deze tweezwaardenleer in politieke zin vertaalde. Watt gaat uit  dat de paus zich baseerde op Matteus 22:21, de Monté Verloren van Lucas 22:38. Maar waarschijnlijk zijn beide passages nodig zijn om tot de tweezwaardenleer te komen.

[11] P. van Geest, Augustinisme, op www.katholieknederland.nl, geraadpleegd op 11 maart 2011.

[12] “Daarop zei de leerling van wie Jezus hield tegen Petrus: ‘Het is de Heer.’ Nauwelijks had Simon Petrus gehoord ‘Het is de Heer’, of hij schortte zijn kiel op – het enige wat hij aan had – en sprong in het water.” (Willibrordvertaling).

[13] Werkvertaling RS, De Consideratione II, 8, Duitse versie: Was ein Papst erwägen muss, Einsiedeln: Johannes Verlag (1985), p. 56.

[14] Werkvertaling RS, De Consideratione IV, 7, pp. 102-103.

[15] I.S. Robinson, ‘Church and Papacy’, in: J.H. Burns, The Cambridge History of Medieval Political Thought c. 350-c. 1450, Cambridge: Cambridge University Press (1991), p. 304-305.

[16] Grote Schisma ook wel het Westerse Schisma: een grote ruzie binnen de katholieke kerk van 1378 tot 1417 waarbij er twee pausen waren. Het Schisma werd beëindigd door het Concilie van Constance (1414-1418). Conciliarisme: een hervormingsgerichte stroming vanaf de 14e eeuw binnen de kerk waarin onder meer gepleit werd dat niet de paus, maar een concilievergadering van bisschoppen de hoogste geestelijke macht in de Kerk vertegenwoordigde.

[17] D. Miller (edt.), The Blackwell Encyclopedia of Political Thought, Oxford: Blackwell Publishers (2000).

[18] J.H. Newman, On consulting the faithful in matters of doctrine (July 1859), uitleg geïnspireerd door: R. Strange, John Henry Newman. A mind alive, London: Darton, Longman + Todd (2008).