Geen schaap raakt uit zicht

Geen schaap raakt uit het zicht

Het universitair onderwijs anno 2011

Door Hans Ester

 

De huidige Nederlandse universiteit is schools geworden. Studenten worden begeleid van a tot z en krijgen louter nog een veelheid aan inleidingen. Dit terwijl ze eigenlijk zelfstandig zouden moeten leren denken en een brede en diepe vorming moeten krijgen. Complexe teksten lezen in de oorspronkelijke taal maakt daar een wezenlijk onderdeel van uit. 

De van oorsprong Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers was een pastoriedochter met grote kennis van de Bijbel. Op een dag sprak zij tegenover mij haar verwondering uit over het feit dat Nederlanders de gelijkenis van de Goede Herder en het verloren schaap konden begrijpen. Welk schaap zou in ons keurig in vakjes afgepaste en van afscheidingen en omheiningen voorziene land kunnen verdwalen? Studenten aan Nederlandse universiteiten anno 2011 kunnen evenmin verdwalen. Ze worden van a tot z begeleid en in het oog gehouden. Dat er af en toe een student het pad bijster is, is niet aan het ‘systeem’ te wijten, maar aan de aanleg tot ontsnappen van de betreffende student.

Zorgzaamheid en haar keerzijde

De buitenwereld denkt geregeld dat ik onwaarheden vertel wanneer ik een beeld geef van de begeleiding die de studenten binnen mijn afdeling Algemene Cultuurwetenschappen krijgen. Het College van Bestuur van mijn universiteit heeft alle afdelingen de opdracht gegeven om het zogenaamde tutoraat in te stellen. Iedere nieuwe student komt bij een tutorgroep van zes à zeven studenten die door een docent wordt geleid. Elke week komt de tutorgroep bijeen om de resultaten van de verschillende werkstukken te bespreken en te controleren of iedereen trouw naar college gaat. Het tutoraat geeft de docent de mogelijkheid om te beoordelen of het naar lichaam en geest wel goed gaat met een student. Vanuit het tutoraat bezoekt het groepje tentoonstellingen en gaan de studenten naar muziekuitvoeringen en theatervoorstellingen. Je moet het dan als schaap wel heel bont maken wil je het odium ‘verloren’ opgeplakt krijgen.

De keerzijde van deze zorg – die ouders van studenten terecht als muziek in de oren klinkt – is een geringe mate van vrijheid voor de student om zelf een eigen route binnen de studie uit te zetten. Het studieprogramma is strak van opzet (anders was het door de betreffende ministeriële commissie nooit goedgekeurd), laat geen individuele uitschieters naar rechts of links toe en garandeert bij voldoende volgzaamheid het behalen van de eindstreep. De studenten ervaren het studiestelsel als ‘schools’ en bedoelen daarmee lang niet altijd iets negatiefs. In het dagelijkse taalgebruik valt de uitdrukking “Ik zie je morgen op school”, waarmee de universiteit is bedoeld. In deze uitdrukking schuilt veel waarheid.

Drastische inkorting studieduur

Tijdens het studiejaar 1982/1983 vond een ingrijpende verandering binnen het academisch onderwijs plaats. De traditionele route – één jaar propedeuse, twee à drie jaar kandidaats en daarna twee jaar doctoraal - werd drastisch ingekort. Na de eenjarige propedeuse volgden nog drie jaar voor de doctoraalstudie en het kandidaats werd afgeschaft. De betreffende wet heette Wet tweefasenstructuur wetenschappelijk onderwijs. De tweede fase had betrekking op de onderzoeksopleiding na het doctoraal. Deze opzet is in 2002 overgegaan in het binnen de gehele Europese Unie geldige bachelor/master-stelsel waarbij de totale studie bij de meeste opleidingen vier jaar omvat. (Tot de uitzonderingen behoren bijvoorbeeld theologie en medicijnen.) Een onbedoeld nevenverschijnsel van de drastische inkorting van de studieduur was dat studenten die het maar niet lukte om de eindstreep te halen opeens veel meer studiepunten bleken te bezitten dan voor het nieuwe diploma noodzakelijk was en dus het doctoraalexamen als het ware cadeau kregen, inclusief de mogelijkheid om als bevoegde eerstegraads docent voor de klas te staan.

Het stopmiddel van de inleiding

Dat de met probleemstudenten gevulde bezemwagen uiteindelijk toch de finish haalde, was een incidenteel bijverschijnsel van het nieuwe stelsel. Veel ingrijpender was de verandering van het studieprogramma. Niet alleen raakte het op een specifiek vak gerichte studieprogramma een hoop kleren kwijt en begon het een beetje schamel te ogen, het resterende programma bleek opgetuigd te zijn met vakken die tot brede intellectuele vorming moesten leiden. De vakopleiding die gericht was op verdieping naar alle kanten van het betreffende vak maakte plaats voor een veelheid aan inleidingen. Tot deze inleidingen behoort onder andere de cultuurhistorische canon waarin sleutelwerken uit de Europese cultuurgeschiedenis, zoals een werk van Erasmus en een tekst van Michel Foucault worden behandeld.

 

Een instabiele wolk van kennis

Om een concreet voorbeeld van de geschetste ontwikkeling van specialisatie naar generalisering te geven: de opleiding Duitse taal- en letterkunde omvatte dertig jaar geleden de studie van de verschillende historische fasen van het Duits, inclusief het Gotisch, en besteedde veel tijd aan de bestudering van de middeleeuwse Duitse letterkunde. Nederlanders behoorden tot de top der Europese mediëvisten. Van de studie van de middeleeuwse Duitse letterkunde is in Nederland thans vrijwel niets overgebleven. Hooguit doet een docent die in een ander segment van het vak gespecialiseerd is, de Middeleeuwen er een uurtje per week bij. De studie Duits in Nederland hechtte veel waarde aan fundamenteel inzicht in de grammatica, de zinsleer en het taaleigen (uitdrukkingen, meerduidigheid van woorden etc.) van het Duits. Ook de vertalingen Duits-Nederlands en Nederlands-Duits waren absolute proeven van bekwaamheid. Van het ooit nagestreefde niveau is slechts een rest over. Vergeleken met dertig jaar geleden vertoont de studie Duits nu zulke hiaten dat je je afvraagt, hoe deze germanisten het ontbrekende ooit moeten inhalen  wanneer ze na hun studie volop bezig zijn met lesgeven. De tragedie Faust van Goethe in haar geheel lezen of de grote romans van Thomas Mann serieus bestuderen, dat zal helaas een utopie blijven. Dat hadden deze leraren tijdens hun studie moeten doen en die kans werd hun niet vergund.

Het wezenlijke probleem van het huidige academische onderwijs, in ieder geval binnen de geesteswetenschappen, is dat de studenten geacht worden kennis te dragen van kunststromingen, van ingewikkelde historische verbanden, van geloofsovertuigingen en van denkpatronen van filosofische en ethische aard, terwijl het fundament van deze kennis niet uit vast voedsel maar uit globale kennismakingen bestaat. Het gevolg van deze kennisoverdracht vanuit voorgekauwde abstracties is dat de studenten met hun benen op een uiterst dunne en instabiele (maar wel: verheven) wolk van kennis staan en niet op de vaste grond van de confrontatie met de verschijnselen die zij graag willen leren kennen.

Zonder de moderne vreemde talen geen echte universiteit

De bijna rituele reactie van studenten bij hun afstuderen, dat zij nu pas snappen waar het op aankomt en dus nu pas echt aan de studie zouden willen beginnen, spreekt boekdelen. Deze jonge mensen is iets essentieels onthouden. Dat essentiële houdt in dat je zelf de bronnen leert kennen, dat je aan de ontmoeting met uitingen van kunst en vormen van geloven en denken wordt blootgesteld, dat je gedwongen bent om een moeilijke tekst met zoveel toewijding te bestuderen dat deze tekst uiteindelijk capituleert en zich voor je opent.

Wanneer de universiteit in Nederland alleen nog kennis uit de tweede hand in de aanbieding heeft, dan is er geen andere conclusie mogelijk dan dat schraalhans de academische keukenmeester is geworden. Een goede academische opleiding veronderstelt dat studenten over vaardigheden beschikken om op grond van deze vaardigheden vruchtbaar te beginnen met het stellen van vragen en met het zoeken naar antwoorden. Een stevige kennis van de drie moderne vreemde talen Frans, Duits en Engels is hierbij een voorwaarde. Onze Nederlandse samenleving zou als één man moeten opstaan en moeten eisen dat elke aankomende student met een VWO-diploma deze talen goed kan lezen, liefst gecombineerd met beheersing van het Italiaans of Spaans. En mogelijk moeten we het standaard Chinees, het Mandarijn hieraan toevoegen. In Frankrijk heeft het Mandarijn al een vaste plaats op de middelbare scholen. Waarom zijn wij Nederlanders ons niet bewust van het belang van deze taal om de wereld van morgen te kunnen begrijpen?

Lees de originelen

Ik heb het voorrecht gehad om samen met studenten gedurende een half of een heel jaar een moeilijke tekst te kunnen bestuderen. In veel gevallen kregen de studenten er geen studiepunten voor maar vonden ze deelname toch de moeite waard. Zo hebben we de Traumdeutung van Sigmund Freud helemaal gelezen en met elkaar over de waarde van zijn theorie gediscussieerd. Wat heeft het voor zin, zoals nu strijk en zet gebeurt, de ideeën van Freud in een soort ingedikte en geïnterpreteerde vorm aangereikt te krijgen, zonder dat je het bouwproces van deze visie op de menselijke psyche van nabij volgt? Het origineel te lezen is noodzakelijk. Een vertaling blijft altijd een vorm van verraad. Wie Friedrich Nietzsche slechts uit samenvattingen kent, zal nooit begrijpen hoe verleidelijk zijn stijl van schrijven voor een ontvankelijk gemoed is. Je moet de Franse filosofen Michel Foucault en Jacques Lacan zelf lezen om zelfstandig over hun beschouwing van de mens te kunnen oordelen. En mocht de niet-authentieke kennis via uittreksels en overzichten de student in Nederland geen problemen opleveren, dan valt hij/zij door de mand zodra hij/zij zich in Bologna of Glasgow in de discussie mengt.

Vooroordelen binnen de universiteit

De vooroordelen binnen de universiteit zijn groot. Het gaat dan om vooroordelen van de alpha’s jegens de bèta’s en omgekeerd. Om deze vooroordelen weg te nemen is het nodig om contact met elkaar te zoeken en elkaar naar de wetenschappelijke uitgangspunten te vragen. Gedurende enkele jaren heb ik een gastcollege gegeven bij de afdeling Informatica van de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen. De ontmoeting met de collega’s en studenten van Informatica was een openbaring voor mij, omdat ik meteen merkte hoeveel filosofische en culturele kennis zij in huis hadden en zeer nieuwsgierig waren naar de benaderingen binnen de geesteswetenschappen. Deze mensen waren gebildet, werkelijk academisch gevormd en ik moet tot mijn schande bekennen dat ik dat niet had verwacht.

Kennis met het oog op ware Bildung

Dat leidt mij tot de vraag naar de doelen van een universitaire opleiding. Die doelen hebben met kennisverwerving te maken. Basische kennis, ook in de zin van parate kennis, is van groot belang. Zou het academisch onderwijs daartoe echter beperkt blijven, dan zou het resultaat geen voldoening schenken. Uiteraard verwacht je van een afgestudeerde romanist of anglist perfecte beheersing van het Frans, respectievelijk Engels. En je verwacht ook een gedegen kennis van de Europese cultuurgeschiedenis.

Maar, er is meer. Een echte academicus heeft zich tot een onafhankelijk en verantwoordelijk denker ontwikkeld. Onafhankelijk, omdat deze academicus in staat is om het denken los te koppelen van belangen die het zicht op de waarheid vertroebelen. Deze betekenis van zuiverheid van denken ligt in het Griekse woord ‘theorie’ besloten. En de academicus dient zich verantwoordelijk te voelen voor de rechtvaardige orde van het geheel, omdat deze academicus niet het eigen belang nastreeft maar zich dienstbaar weet aan de gemeenschap die wijsheid en een zuiver oordeelsvermogen van hem of haar verwacht. In het Duitse woord Bildung komen deze doelen van de academische vorming bij elkaar.

De specifieke betekenis van Bildung is afkomstig uit de koker van Wilhelm von Humboldt, een der oprichters van de Berlijnse universiteit. Humboldt zag een alzijdige vorming van de academicus als het ideaal, gericht op het uitoefenen van een publiek ambt ten behoeve van de menselijke gemeenschap. Dat de aard van de kennis sedert Humboldt veranderd is en dat wij in enorme internet-vijvers van kennis kunnen vissen waarvan deze geleerde niet had durven dromen, lijkt mij helder. Maar, ook al is de kwantiteit van kennis veranderd, nog altijd kan de kwaliteit van kennisverwerving en persoonlijkheidsvorming aan de universiteit profiteren van de heilzame inzichten uit de negentiende eeuw. Wanneer wij ons opnieuw deze achterliggende gedachten met betrekking tot de idee van het academisch onderwijs toe-eigenen, heeft dat consequenties voor de direct betrokkenen en voor de samenleving als geheel die een en ander immers moet steunen, bevestigen en financieren.

De zielige intellectueel

Gedurende de afgelopen vier decennia heeft de universiteit een deel van haar status verloren. Welk verband dit statusverlies heeft met de studentenbeweging van 1968 en 1969 (Maagdenhuisbezetting) kan ik niet goed inschatten. In de bredere samenleving is een mate van scepsis ontstaan naar de wereld van de universiteit toe. Enerzijds bestaat er groot respect voor technologische vernieuwing en medische kundigheid, anderzijds is de waardering voor intellectuele, geestelijke vorming van studenten aan de universiteiten voelbaar verminderd. De Engelse hoogleraar Frank Furedi heeft dit proces in 2004 in zijn inmiddels klassieke boek Where have all the intellectuals gone? beschreven en de Nederlander Rob Riemen heeft daar in 2009 zijn boek Adel van de geest. Een vergeten ideaal aan toegevoegd.

Intellectueel zijn schept verplichtingen

De kwaliteit van het academisch onderwijs kan veel hoger worden dan nu door hogere eisen binnen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs te stellen. In de eerste plaats denk ik aan de vaardigheid om lastige teksten in het Frans, Engels en Duits te kunnen analyseren. Daarnaast mag een gedegen vorm van levensbeschouwelijk/filosofisch onderwijs met passende toetsing op de middelbare school worden verwacht. Het is te gek voor woorden dat wij aan de universiteit cursussen ‘Inleiding tot de Bijbel’ moeten organiseren om uit te leggen wie Abraham, Mozes en Jezus Christus zijn. In mijn optiek heeft de strakke organisatie van de studieprogramma’s tot gevolg gehad dat studenten die qua niveau en capaciteit van denken niet op de universiteit thuishoren, als het ware door de studie heen worden getild en dus in weerwil van zichzelf de eindstreep bereiken. Het bindende studieadvies tijdens de propedeuse dat nu algemeen wordt ingevoerd, is daarom pure winst, zowel voor de opleiding als voor de student voor wie het studeren anders een kwestie van hangen en wurgen is.

Wie wel eens in Oxford, Edinburgh of Cambridge rondloopt, zal jaloezie in zich voelen opkomen en de verleidelijke gedachte niet kunnen onderdrukken: waarom ontbreekt bij ons in Nederland deze bijzondere academische sfeer van intellectueel plezier en toebehoren aan een geestelijke elite? Het antwoord op deze vraag ligt in de ruimte die een universiteit biedt voor persoonlijke intellectuele ontplooiing naast het degelijk onderwezen vakinhoudelijk deel van de studie, kortom voor Bildung in de zin van Humboldt, Furedi en Riemen. Dat de egalitaire Nederlandse samenleving niet van uitblinkers en intellectuele superioriteit houdt, is een vervelend gegeven waar de universiteiten zich echter niets van hoeven aan te trekken. Hoe vaster de koers van de universiteiten zal zijn, des te groter is de kans dat de samenleving de ‘producten’ van deze universiteiten zal weten te waarderen. In Europa kan Nederland niet achterblijven.        

 

KADER:

Dr. Hans Ester doceert literatuurwetenschap en Zuid-Afrika-Studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

 

 

KADER:

Samenvatting:

Vakopleidingen bestaan tegenwoordig uit een veelheid aan (oppervlakkige) inleidingen

Het fundament van kennis van studenten bestaat daardoor niet meer uit vast voedsel maar uit globale kennismakingen. 

Het doel van universitair onderwijs moet zijn: kennisverwerving en de ontwikkeling tot onafhankelijk en verantwoordelijk denken.