Geen linkse hobby, maar christelijke plicht

Geen linkse hobby, maar christelijke plicht

 

Recht doen in een tijd van globalisering

 

Door Marnix Niemeijer

 

Het is nog maar twee jaar geleden dat het thema van het Christelijk-Sociaal Congres luidde: ‘Solidariteit in de global village’. De congresvoorzitter merkte in zijn openingstoespraak op dat enkele trouwe congresgangers misten. Zij hadden aangegeven dat het onderwerp wat ver van hun dagelijkse praktijk afstond. ‘Hoe is het mogelijk!’, dacht ik toen. En dat denk ik nog steeds (ook na het aantreden van het nieuwe kabinet). De effecten van wat er in China, in het Midden-Oosten en in Afrika gebeurt, zie je niet alleen op de televisie, maar vooral om de hoek, zelfs thuis! En omgekeerd: ons handelen heeft duidelijk effecten op het leven van mensen elders in de wereld. Door globalisering beïnvloeden mensen die ver van elkaar verwijderd zijn elkaar toch ingrijpend, positief dan wel negatief.

 

Vanuit deze achtergrond van globalisering is het nodig christelijk-sociale waarden opnieuw te doordenken en nieuwe wegen te vinden die verantwoordelijkheid, solidariteit en gerechtigheid zichtbaar maken. In dit artikel sta ik eerst stil bij het fenomeen globalisering, vervolgens formuleer ik enkele denkwijzers voor een weg van ‘waardegedreven’, verantwoordelijk handelen en gerechtigheid doen.

Ik heb dit artikel, heel bewust, opgebouwd rond bijdragen van diverse prominente denkers uit de brede Christelijk-sociale beweging. ChristenUnie en CDA zijn beide verwant aan deze beweging en de partijen zouden op dit onderwerp op waardeniveau de verbinding moeten (blijven) zoeken.[1] Ik verwijs verder naar een bijdrage van Professor Herman Wijffels aan een symposium van de vereniging Prisma.[2]

 

Verdwijnende assen

Hoewel al eerder - denk aan de jaren zeventig – sterk mondiaal werd gedacht en ook al sinds lange tijd mondiaal wordt gehandeld, is het woord ‘globalisering’ pas van recente datum. De politiek filosoof Govert Buijs brengt het in verband met het haast gelijktijdig verschuiven en vervagen van de twee assen die ons wereldbeeld voor lange tijd bepaalden. De Oost-West-as en de Noord-Zuid-as. De verandering van de Oost-West-as veronderstel ik als bekend, ik beperk me tot de geleidelijke vervaging van de laatste as: armoede en rijkdom zijn steeds meer fenomenen geworden in landen wereldwijd, in plaats van dat ze noordelijke en zuidelijke  regio’s in de wereld typeren; en hulprelaties lopen dan ook niet meer uitsluitend tussen Noord en Zuid.

Buijs stelt dat globalisering in het licht van deze ontwikkelingen betekent dat er geen helder structurerende assen en polen meer zijn. Natuurlijk zijn sommige landen machtiger en invloedrijker dan andere, maar een regisserend centrum ontbreekt.

 

Van knoppen naar knooppunten

Hij constateert verder dat er in de tegenwoordige tijd veel meer onzekerheid is over zoiets als economische ontwikkeling. Door allerlei factoren kan het in het ene land ineens veel beter gaan, terwijl het in een ander land juist snel bergafwaarts gaat. Maar dit kan ook zo weer veranderen. Door energieprijzen bijvoorbeeld of door voedselprijzen. En er ontstaan andere verbanden, zoals die tussen China en Afrika, waar overeengekomen waarden zoals die van de mensenrechten geen werkingskracht hebben.

Buijs beschrijft globalisering tegen deze achtergrond “als het proces waarin de wereld zich ontwikkelt tot een nogal diffuus netwerk van lokale, nationale en transnationale actoren waarbij alle niveaus door de andere niveaus geraakt kunnen worden maar waarbij van te voren nooit duidelijk is hoe en waar dit effect op zal treden en wie wat wanneer raakt of wat en wie op wat invloed heeft.” Kort en bondig benoemt hij dit proces als een verschuiving van ‘knoppen’ naar ‘knooppunten’.

 

Democratisch tekort           

In besluitvorming en daarmee samenhangende verantwoording lijkt er veel te zijn veranderd en zal er naar verwachting nog het één en ander veranderen. Net toen veel staten hun boel een beetje op orde leken te hebben, ontstonden er in de afgelopen jaren allerlei internationale netwerken (waarin overigens ook staten werden opgenomen). Deze netwerken zijn niet-democratisch en qua besluitvorming dikwijls ondoorzichtig. Er is sprake van een vergroting van de invloed van bestuurselites ten koste van democratische verantwoording. Buijs wijst  in dit verband op de omvang van flink wat multinationale ondernemingen die groter is dan het BNP van vele landen, waaronder Europese. En hij merkt op – met een variant op de bekende uitspraak van voormalig minister van Defensie Vredeling - dat parlementen geen vliegtuigen kopen en geen deals sluiten.

 

Het economische verdringt het sociale

Op hetzelfde congres wees Wim van de Donk er op dat de veranderingen die we waarnemen niet in verband moeten worden gebracht met globalisering an sich, maar met de sterk economische inkleuring daarvan. Deze economische aard heeft een grote invloed op onze lokale, nationale en Europese samenleving. Ook in domeinen waar het economisch belang tot voor kort niet dominant aanwezig was - zoals de domeinen van familie en gezin, van de informele sector en van de publieke en maatschappelijke organisaties – is dat nu wel het geval. “Het sociale wordt door het economische verdrongen, mede doordat de natuurlijk wezenlijke samenhang daartussen niet meer wordt gezien of wordt geagendeerd.” Evenals Buijs noemt hij in dit verband de verschralende werking van het neoliberalisme, de enig overgebleven invloedrijke ideologie na het vervagen van de assen. Het mensbeeld is er één van de homo economicus, de rationeel en voor zich zelf en zijn of haar belangen kiezende mens.

 

De moderne mens als heerser

Een soortgelijk mensbeeld benoemde Herman Wijffels in zijn bijdrage aan het Prisma symposium, toen hij een analyse gaf van de achtergronden van de crises waarmee we te maken hebben. Hij ging terug naar Descartes, in wiens ‘ik denk dus ik ben’ besloten ligt dat wij de wereld om ons heen naar believen construeren dan wel manipuleren. Dat is iets anders dan eerbied hebben voor al het geschapene, wat ons gegeven is en waar wij als mensen zelf onderdeel van zijn. Het zichzelf boven en dus buiten de ecosystemen plaatsen van de Westerse mens heeft geleid tot een cultuur van produceren en consumeren die zich gaandeweg steeds moeizamer verhoudt tot wat deze aarde als leefsysteem aankan. Wij leven op dit moment boven wat houdbaar is voor de lange termijn. De crises waarmee de wereld te kampen heeft, zijn hiervan indringende signalen.

 

Waardegedreven en verantwoordelijk

Tegenover dit Cartesiaanse mensbeeld en tegenover de homo economicus, plaatsten Van de Donk en Mgr. A.H. Van Luyn een alternatief.  De mens is ten diepste een relationeel wezen dat verbonden is met God, zijn medemens, de schepping en zichzelf. Van Luyn noemt dit een personalistisch mensbeeld. Met dit mensbeeld als uitgangspunt volgt van Luyn de sociale leer van de Rooms-katholieke kerk. Die onderscheidt twee fundamentele principes:

(1)   “de human dignity, de onvervreemdbare waardigheid van de menselijke persoon: van ‘elke mens’ zonder onderscheid en van ‘heel de mens’ in al zijn dimensies en relaties. Hij is immers ‘geschapen naar Gods beeld en gelijkenis’.”

(2)    “het common good, het algemeen goed dat niet de som is van particuliere belangen, maar het resultaat van de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, die gericht is op het creëren van een humane en humaniserende samenleving waar ieder verantwoordelijkheid inbrengt en zich daadwerkelijk medeverantwoordelijk weet voor anderen en voor het geheel.”  

Deze twee principes brengen een solidariteit (of betrokkenheid op de naaste) voort die alle grenzen van ruimte en tijd overstijgt, aldus Van Luyn. Ze geldt alle mensen op de wereld evenals de komende generaties. Naast solidariteit noemt Van Luyn onder meer ook het begrip matigheid, een kardinale deugd. Er mogen en moeten van iedereen offers gevraagd worden, wanneer het gaat om de menselijke waardigheid en het algemeen goed, wereldwijd.

 

Naasten als weidegenoten

Wat ik een opmerkzaam punt vond in Wijffels’ verhaal was zijn uitleg van het joods-christelijke begrip ‘de naaste’. Hij stelde dat de oorspronkelijke betekenis van ‘de naaste’ ‘weidegenoten’ is. In de nomadische context van toen betekende dat, dat je de weidegronden zo achterliet, zoals je ze zelf zou willen aantreffen. Deze betekenis verbond het sociale met het ecologische, iets wat in het huidige gebruik van het woord naaste, niet meer aanwezig lijkt te zijn.

 

Geen winners en losers

Buijs gaat in zijn bijdrage verder in op de waardenstrijd die zich in de zich verder globaliserende wereld aftekent. Hij merkt op dat in een wereld die een regisserend centrum ontbeert en die zich steeds meer ontwikkelt tot een nogal diffuus netwerk van lokale, nationale en transnationale actoren, ons handelen steeds meer is “ingeweven in tegengestelde krachtlijnen”. Het ‘fair trade’-product dat je vanuit het Zuiden voorstaat, kan tegelijkertijd de oorzaak zijn van veel CO2-uitstoot, nog los van de vraag of het biologisch is. Daarnaast: ben je nu solidair met je eigen bevolking, met de wereld, met diegenen die wereldwijd in absolute armoede leven? Buijs merkt op dat tegen de achtergrond van een diffuse wereld solidariteit steeds heel specifiek en concreet moet worden doordacht. Solidariteit vergt goede analyses, goedwerkende netwerken, gerichte inzet en een niet aflatende waardestrijd. Het vergt de kunst van het keuzes maken – een belangrijk punt van aandacht en onderwijs! Het betekent een je steeds wapenen tegen de gedachte dat de wereld valt in te delen in ‘winners’ en ‘losers’. De Christelijk-sociale traditie labelt niet in die termen.

 

Waardenstrijd

Buijs kent een belangrijke rol toe aan kerken en christelijke gemeenschappen in de internationale waardenstrijd. Allereerst om die strijd op zich gaande te houden in het publieke debat en verder om concreet inhoud te geven aan de zorgwaarden die zo verbonden zijn met de Westerse christelijke traditie. Wie de bijdragen van Buijs van de laatste jaren kent, weet dat hierachter het begrip ‘agapeïsche revolutie’ van de vroege Kerk schuilgaat, te weten: “de zeer verrassende ontdekking van een tot dan toe door allerlei hiërarchische verhoudingen en machtstrijd verborgen grondstructuur van menselijke relaties: dat mensen juist tot hun bestemming komen door elkáár erkenning te geven en zich in te zetten voor elkaars bloei. De christelijke kerk deed deze ontdekking door de ervaring dat de God van de Bijbel zelf zo met mensen omgaat. Daardoor blijken mensen ‘gered’ te worden, en zo worden geredde mensen zelf ook redders, worden geholpen mensen zelf helpers, worden genezen mensen zelf genezers, worden getrooste mensen zelf troosters.” Dat is gerechtigheid doen.[3]

 

Gerechtigheid doen

Ik schrijf dit artikel in het weekend van Micha Zondag (10.10.10), terwijl ik op bezoek ben bij lokale partnerorganisaties van Tear in Zimbabwe. Ik realiseer me hoe actueel en waar Buijs’ woorden zijn. Deze organisaties ondersteunen stuk voor stuk lokale kerken in wat de Micha Campagne ‘goed en recht doen’ noemt. Ik heb lokale kerkgemeenschappen bezocht die nog eens indringend uitlegden dat zij een God dienen die heeft gezegd: “Stop doing wrong and learn to live right. See that justice is done. Defend widows and orphans and help those in need.” (Jes 1: 16b, 17). In een land waar meer dan 10% wees is, ondersteunen vanuit kerken weeskinderen op praktische wijze andere weeskinderen uit de wijk waar de kerk gevestigd is.

 

Radicaal en concreet

Ik denk aan zulke concrete, lokale, radicale voorbeelden, wanneer ik reflecteer op een woord als internationale gerechtigheid. Ik besef verder dat wij een tijdperk zijn binnengegaan waarin wij op tal van manieren verbonden zijn met andere wereldburgers, waarvan wij vroeger geen weet hadden en dus geen mogelijkheid hadden om ons met hen daadwerkelijk te verbinden. Lotsverbondenheid moet opgeschaald tot een mondiaal niveau.

Om dit verder invulling te geven denk ik onder meer aan wat Prof. Dr. Bob Goudzwaard meermalen heeft aangegeven[4], namelijk dat in onze, inmiddels wijdverbreide, cultuur het geloof heeft postgevat dat welvaart (en het veiligheidsbeleid dat nodig is om deze welvaart te beschermen) tot vrede en gerechtigheid leidt. Goudzwaard zet daar overtuigend tegenover dat het in Bijbelse zin juist omgekeerd is. Er is een radicale omkering nodig in onze cultuur, misschien wel beginnend bij veel christengemeenschappen, geïnspireerd door christelijk-sociale waarden. Het is de hoogste tijd om als christenen in Nederland het woord ‘gerechtigheid’ serieus te nemen als wezenlijk onderdeel van het goede nieuws dat onze Heer Jezus Christus aan armen verkondigde door woord en daad. 

 

Omgang met ‘common goods’

Ik denk aan de agendering van wat eerder is aangeduid met de woorden ‘common goods’[5]: grondstoffengebruik, watergebruik, omgang met voedsel(gronden), milieu, klimaat, stabiele, open en faire financiële systemen. Ik vestig mijn hoop op christelijke gemeenschappen en politieke partijen wereldwijd, die zich verbinden en inzetten voor een rechtvaardige omgang met de common goods, met als doel een gedrag dat zich richt op zorg voor de schepping en leidt tot een menswaardig bestaan van meer mensen.

Met een kleine variatie op woorden van Van Luyn: voor de overheden betekent dit dat ze, in steeds meer internationale netwerken en verbanden, erop gericht zijn rechtvaardige verhoudingen te scheppen. Voor burgers en maatschappelijke groeperingen betekent dit het leveren van maatwerk in werken van barmhartigheid en gerechtigheid. In de huidige context betekent dit dat, ondanks de politieke tegenwind, met overtuiging en volharding visie en beleid wordt ontwikkeld op zowel selectieve, duurzame groei als consumptieve matiging.

Ik denk aan het onderwijs aan jongeren - wereldburgers van vandaag en morgen - op scholen en door christelijke gemeenschappen; een onderwijs dat gericht is op wereldburgerschap, waarin een verantwoorde omgang met de common goods een wezenlijke plaats inneemt.

 

Nog steeds slavenhandel

Tenslotte: onder onze Nederlandse ogen is nog steeds sprake van slavenhandel. Daarbij denk ik in de eerste plaats aan de vrouwenhandel die verbonden is met prostitutie, maar vervolgens ook aan alle keuzes die wij aan onze keukentafels maken of in de diverse winkels, wanneer we iets kopen en wanneer we op grond van de prijs alleen al kunnen vermoeden dat er sprake is van eigentijdse vormen van slavenarbeid. Dan komt de vraag op: met wie voelen wij ons verbonden en voor wie maken wij keuzes van barmhartigheid en gerechtigheid?

 

 

KADER

Marnix Niemeijer is directeur van ontwikkelingsorganisatie Tear.

 

Samenvatting

-         Internationale gerechtigheid is geen ver-van-ons-bed-show.

-         De christelijk-sociale traditie heeft veel te bieden in deze mondiale waardenstrijd.

-         Centraal staan concrete en radicale uitwerkingen van deze waarden.



[1] De christelijk-sociale beweging kent veel en gevarieerde denkkracht. Vanouds is er in politieke zin een informele verbondenheid tot het CDA, maar tegelijk is de beweging sterk verwant aan de ChristenUnie. Deze partij neemt immers een plek in de christelijk sociale beweging in Nederland. De bijdragen die ik gebruik zijn van Dr. Govert Buijs, Prof. Dr. Wim van de Donk en Mgr. A.H. van Luyn die op het genoemde Christelijk Sociaal Congres te beluisteren waren. Zie de congresbundel ‘Solidariteit in de global village – ons antwoord op diversiteit, Europeanisering en globalisering’, Stichting Christelijk-Sociaal Congres, 2008

[2] Zie Herman Wijffels, Jan Lock, Henk Jochemsen, Gert van Dijk, ‘Ontwikkelingssamenwerking Nieuwe stijl – naar een christelijke visie’, Prisma/Shaker Publisher, 2010. Het symposium werd in mei 2009 gehouden ter gelegenheid van het afscheid van haar toenmalige voorzitter prof. dr. ir. Gert van Dijk.

[3][3] ‘Gerechtigheid doen’ is – eenvoudig gezegd – een handelen dat de ander, in het licht van Gods bedoeling met al het geschapene, volledig tot zijn recht, tot zijn bestemming wil laten komen. Dat zal, zo gesteld, niet door mensen gebeuren. Maar volgelingen van Jezus Christus zullen in Zijn kracht wel gehoor geven aan het appel om ‘Gods medearbeiders’ te zijn.

[4]  Zie bijv. Bob Goudzwaard, Mark Vander Vennen en David van Heemst, ‘Hope in Troubled Times’, Baker Academic, Grand Rapids, 2007.

[5] Het recent verschenen WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie – ontwikkelingshulp die

verschil maakt’ (2010) noemt dit ‘publieke goederen’. Dit rapport geeft een helder overzicht over motieven en beleid van ontwikkelingsamenwerking (OS) in de afgelopen vijftig jaar. Inzake de aanbevelingen is de aandacht van het rapport  voor een verbreding van het ontwikkelingsveld, zowel qua thematiek (bijvoorbeeld een gerichtheid op de publieke goederen) als qua spelers (een gerichtheid om actoren buiten de traditionele OS-sector actief te betrekken bij het terugdringen van armoede) juist. Ook de aandacht voor economische ontwikkeling is begrijpelijk, al laat zich wel de vraag stellen in hoeverre daarbij voorkomen kan worden dat de problemen die het Westen met haar concepten van economische ontwikkeling heeft gecreëerd, niet worden vergroot. Bovendien gaat het rapport te gemakkelijk voorbij aan de waarde van sociale interventies en aan het opbouwen van sociaal, waardegedreven kapitaal in een samenleving.