De 'Kingmaker'

De ‘kingmaker’

 

De actualiteit van het denken van Jan Velema 

 

Door Remco van Mulligen

 

Een kingmaker – zo hoorde ik iemand onlangs ds. Jan Velema (1917-2007) noemen. Treffender kan bijna niet. De christelijk-gereformeerde predikant heeft een rol van betekenis gespeeld in zijn kerk, in de mediawereld en in de politiek. Hij stond onder andere in 1975 aan de basis van een nieuwe partij: de Reformatorische Politieke Federatie. In die partij steunde hij de getuigende politiek van Meindert Leerling. In dit artikel staat de maatschappijkritiek van Velema centraal, met als centrale vraag: wat kan de ChristenUnie anno 2010 met het denken van deze predikant?

 

Politiek gezien was Velema een intelligent denker die zich niet zomaar in een hokje liet stoppen. Voor GPV-ideoloog A.J. Verbrugh was dat eind jaren zestig reden om hem een ‘zwevende figuur’ te noemen. Velema wortelde duidelijk in de traditie van de Antirevolutionaire Partij (ARP), maar had tevens sympathie voor het GPV en de SGP. Bij geen van die drie partijen voelde hij zich uiteindelijk écht thuis. Wat waren de hoofdlijnen in Velema’s denken over politiek en maatschappij?

 

‘Wat vleselijk!’

In essentie was politiek voor Velema een geestelijke zaak en heeft een christen de taak om een ‘profetisch geluid’ te laten horen. Een christelijk politicus moet afhankelijk zijn, nederig, vertrouwend en ‘gedragen door de wetenschap dat God het wil’. Velema had zich gestoord aan de houding van de RPF in 1977 (toen men hoopte op acht tot tien zetels) en van de ChristenUnie in 2002 (toen volop werd gespeculeerd over regeringsdeelname). Dat Tineke Huizinga tot tweemaal toe met voorkeursstemmen in de Kamer werd gekozen was volgens Velema een teken dat de ChristenUnie dreigde te vallen voor de verlokkingen van de wereld. ‘Wat vleselijk!’ riep de predikant uit.[1]

In het denken van Velema zat een mild theocratische trek, die goed vergelijkbaar is met het theocratisch genormeerde democratisch staatsbestel dat de RPF door de jaren heen heeft voorgestaan.[2] Hij vond dat de overheid ook de taak had om het christelijke in onze samenleving te versterken. Daarom was hij bijvoorbeeld tegenstander van het verlenen van overheidssubsidies aan niet-christelijke organisaties. Een neutrale overheid was volgens Velema automatisch een overheid die de secularisatie zou versnellen. Aan de andere kant vond hij dat er bij de SGP een te sterke nadruk lag op het idee dat de overheid de plicht had valse godsdienst te bestrijden.[3]

 

Links-rechts als bijzaak

Het belangrijkste onderscheid was voor Velema niet dat tussen links en rechts of progressief en conservatief, maar de antithese tussen christelijk en niet-christelijk. Toen de ARP in 1952 voor het eerst met de PvdA ging regeren behoorde hij dan ook niet tot degenen die hier ernstig tegen in verzet kwamen. Zowel de socialisten als de liberalen gingen uit van een niet-christelijke ideologie en daarom waren beide stromingen in Velema’s ogen eenzijdig. Begin jaren zestig, toen hij meende dat het christelijke profiel van de ARP ging verwateren, sloeg bij Velema de verontrusting toe. In de jaren zestig werd de partij verscheurd tussen ‘radicale’ en ‘verontruste’ minderheden. Velen uit de laatste groep, waaronder Velema, vertrokken.[4]

Velema’s Christelijke Gereformeerde Kerken waren een smeltkroes van bevindelijke, orthodoxe en later ook meer evangelische gelovigen. Velema stond qua visie midden tussen deze groepen in. Hij was zonder meer een rationeel en orthodox man, maar voelde zich ook aangetrokken tot het bijna mystieke van de bevindelijken en het getuigende élan van de evangelischen. Juist zijn centrale positie in een kerkgenootschap dat bijna van diversiteit uit elkaar barst, maakte Velema uitermate geschikt om een bindende figuur te zijn bij al even diverse organisaties in de politiek (ARP, RPF) en media (EO, Koers).

 

Kingbreaker zonder heimwee

De tweehoofdige fractie waarmee de RPF tussen 1981 en 1985 in de Tweede Kamer debuteerde, was een goede afspiegeling van de interne diversiteit: fractievoorzitter Meindert Leerling, Gereformeerde Bonder, oud-EO-journalist, hanteerde in de Kamer een getuigende, evangelische stijl; Aad Wagenaar kwam van de VU en uit de rechterflank van de ARP en was in zijn uitingen veel zakelijker en ‘politieker’. Toen de twee het centrale punt werden van een conflict dat de hele RPF verscheurde, was het partijbestuur zo slim om Velema in te zetten als troef. De predikant bepleitte op een partijbijeenkomst eind 1984 in een twee uur durende filippica dat volgens het bestuur Wagenaar hoofdschuldige was aan de ontstane situatie. Dit bezegelde het lot van de parlementariër, die enkele maanden later de fractie en de partij verliet. Velema was niet alleen kingmaker, maar ook kingbreaker. Hij voelde goed aan hoe de verhoudingen lagen en kon een beslissing forceren.

Samenvattend kan Velema getypeerd worden als iemand die met overtuiging reformatorisch geloofde en in politiek opzicht antirevolutionair dacht. Andries Knevel zag Velema als iemand die enerzijds heimwee had naar lang vervlogen tijden, maar anderzijds middenin de postmoderne wereld stond.[5] Dat laatste is absoluut waar: Velema was overtuigd, maar niet verstard. Of hij heimwee had waag ik te betwijfelen. In een interview in 2007, enkele maanden voor zijn overlijden, verklaarde Velema naar geen enkel tijdperk terug te willen. Nederland was in de jaren vijftig misschien christelijker geweest, maar doordat orthodoxe protestanten sindsdien een minderheid waren geworden, waren ze ook meer naar elkaar toe gegroeid. In dat opzicht had hij absoluut geen heimwee naar het verleden.

 

Profetisch perspectief

In Velema’s beschouwingen over de stand van zaken aan het begin van de eenentwintigste eeuw overheerste altijd het geestelijke. De wereld sinds 11 september 2001, getekend door groeiende angst, veiligheidsmaatregelen en steeds verdere inperking van de privacy, bezag hij vooral door de bijbelse bril van de verwachting van de eindtijd. Ook bij specifiek Nederlandse aangelegenheden, zoals een congres naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de abortuswet in 2006, was hij meer predikant dan politicus: ‘de dood wordt getolereerd, moord gelegaliseerd. Het is de omkering van waarden, waarover de profeet Jesaja al sprak.’[6]

Velema was zich ook sterk bewust van een scheiding van geesten die zich in de samenleving – en ook in eigen, gereformeerde kring – had voltrokken. Met progressieve denkers in protestantse kring had hij moeite omdat ze het dynamische, het veranderen, tot ‘afgod’ hadden gemaakt. Wie meende dat socialisme en christendom in politiek opzicht te verenigen waren kon rekenen op zijn afkeuring: de PvdA putte uit een ideologische bron die Marx en Christus op gelijke voet zette als maatschappelijke hervormers.[7] Volgens Velema was die denkwijze ten diepste antichristelijk.

Naast het socialisme keurde Velema ook het opkomend populisme af. Dit populisme was in tegenstelling tot socialisme een stroming zonder ideologie, het was een vorm van ‘nihilisme’. Zowel de reactionaire Boerenpartij als het libertijnse D66 waren er uitingen van. Ook op deze partijen kon een christen zijn vertrouwen niet stellen. De partij van ‘boer’ Hendrik Koekoek kon op redelijk wat sympathie rekenen in christelijk-gereformeerde kringen. Velema vond de Boerenpartij echter ‘revolutionair’ en vond dat gereformeerden die deze partij steunden (eigen)belang voor beginsel lieten gaan.

 

Bondgenoot SGP?

Aan de andere kant zag hij een gevaar dat de RPF en de ChristenUnie zouden vergeten dat hun belangrijkste bondgenoten bij de SGP zaten. Al in de jaren vijftig betreurde Velema het dat ‘zijn’ ARP vooral samensprak met de (hervormde) CHU, terwijl ze de SGP en het GPV links liet liggen. In de jaren tachtig waren de banden tussen de RPF en de staatkundig-gereformeerden hecht. Velema betreurde het zeer toen de relatie tussen beide partijen in de jaren negentig steeds afstandelijker werd.

 Toen Kars Veling in de aanloop naar de verkiezingen van 2002 uitspraken deed over de toelaatbaarheid van het eten van een ijsje op zondag, waarschuwde Velema dat een deel van de kiezers zou weglopen naar de SGP. Dat de ChristenUnie in een debat over zondagsopening van winkels samenwerkte met de PvdA en niet met de SGP, vond de predikant ook geen goede zaak. In de ogen van Velema was de ChristenUnie los van haar anker, waardoor de partij geen stabiele positie meer innam tussen links en rechts, maar was gaan zwabberen.

In een land waar hooguit nog enkele procenten van de bevolking orthodox-protestants is, moeten de klein-christelijke partijen samenwerken. ‘We zullen ons niet belachelijk moeten maken door onze verdeeldheid, het berijden van stokpaardjes’, zei hij in een redevoering op 26 oktober 1974, die als de grondslag van de RPF beschouwd kan worden.[8] Bijna dertig jaar later, toen de ChristenUnie zich steeds vaker verwijderde van de SGP, verzuchtte hij: ‘soms zou ik wensen dat er maar een kiesdrempel kwam’.[9]

 

De actuele waarde van Velema

Jan Hendrik Velema was een kind van de generatie die ‘aan de macht’ was toen in de jaren vijftig, zestig en zeventig ons land in levensbeschouwelijk opzicht onherkenbaar veranderde. In zijn antwoord daarop is ook duidelijk de antithetische houding zichtbaar die hij met veel van zijn orthodox-protestantse generatiegenoten deelde.[10] In de jaren tachtig eindigde echter de periode van polarisatie. Den Uyl en Wiegel maakten plaats voor Lubbers en Kok. Ook in reformatorisch-evangelische kringen drong een nieuwe generatie door tot de top, met mensen als Andries Knevel en (iets later) André Rouvoet. Deze generatie zag de wereld minder in termen van ‘wij’ en ‘zij’ en richtte zich op dialoog.[11]

Hoewel Velema dus duidelijk een kind was van zijn tijd, is het goed om zijn maatschappijvisie en zijn kritische houding jegens de ChristenUnie serieus te nemen. Velema voelde zich als christelijk-gereformeerde ‘tusschen de vuren’: tussen evangelisch, gereformeerd en bevindelijk. Dat is een gevoel waarin de ChristenUnie zich moet herkennen. Daardoor is het voor deze partij lastig om een duidelijk profiel te hebben, veel moeilijker dan voor de SGP.

Het eerste vlak waarop men anno 2010 inspiratie kan putten uit Velema’s denken is zijn behoefte om tot een ‘katholiek gereformeerde’ oecumene te komen. Op kerkelijk gebied was hij betrokken bij allerlei samensprekingen tussen kerkgenootschappen. In de politiek bepleitte hij eerst de eenheid van ARP en SGP, later die van GPV, RPF en SGP. De verwijdering tussen ChristenUnie en SGP deed hem pijn. Kijkend naar de botsingen over en weer die de laatste jaren plaatsvonden, met als anticlimax het uit elkaar gaan van beide partijen in het Europees Parlement in 2009, is er maar één conclusie mogelijk: de realisatie van Velema’s droom is steeds verder weg geraakt. De discussie over wel (SGP) of niet (ChristenUnie) regeren met de PVV heeft dat dit jaar nog eens benadrukt.

 

D66 en PVV: één pot nat

Egbert Schuurman en Gert-Jan Segers schreven in september 2010 in het Nederlands Dagblad een stuk waarin ze uitlegden waarom de ChristenUnie wél met D66 en niet met de PVV wil regeren.[12] Voor Velema was dat, zou je kunnen zeggen, één pot nat. Net als Maarten van Rossem in zijn dit jaar verschenen pamflet Waarom is de burger boos?, maakte ook Velema de verbinding tussen links (SP, D66) en rechts (Boerenpartij, LPF, PVV) populisme.[13] Voor veel generatiegenoten van Velema was het legaliseren van abortus een van de belangrijkste ‘tekenen des tijds’. Voor velen in de ChristenUnie is dat nog steeds zo en is D66 het symbool van de pro choice beweging. Het aannemen van de abortuswet, eind 1980, ervoer men als het einde van christelijk Nederland, het einde van de rechtsstaat. Voor Velema was D66, net als Provo en de Boerenpartij, het product van een oprukkend nihilisme.

De voorkeur van de ChristenUnie voor D66 boven de PVV kan te maken hebben met een verlinksing van de partij, die Velema in 2002 al meende te kunnen vaststellen. De verzorgingsstaat en een grotere rol van de overheid zijn na vele jaren van verzet nu geaccepteerd. Dat lijkt haaks te staan op de traditie van verontruste antirevolutionairen, die ontstond toen de kabinetten-Drees met hulp van onder andere de ARP de verzorgingsstaat steeds verder deed uitdijen. ‘Een christen leeft niet van Drees, maar uit de hand des Heeren’, schreef Velema destijds.[14]

 

Christelijk-sociaal: innerlijk tegenstrijdig  

Qua sociaal, cultureel en economisch beleid zat de RPF in de jaren tachtig op de lijn van de VVD. Sindsdien is overheidsinvloed en overheidsfinanciering steeds meer geaccepteerd geraakt. Op het gebied van subsidiepolitiek is de ChristenUnie hardhandig geconfronteerd met het gegeven dat Nederland niet alleen post-seculier maar ook post-christelijk is. Velema wilde geen subsidies verlenen aan niet-christelijke organisaties, maar tegenwoordig is het andersom: in de maatschappij klinkt steeds vaker verzet tegen subsidieverstrekking aan christelijke organisaties. Onder andere de SGP heeft dat ondervonden.

Na drie jaar geregeerd te hebben met de PvdA, waarna de ChristenUnie ook nog eens afstand nam van de centrum-rechtse coalitie die deze herfst is gevormd, lijkt zij als christelijk-sociale partij definitief een plek te hebben gevonden links van het politieke centrum. Het betoog dat Roel Kuiper een maand na de Kamerverkiezingen hield[15], om de ChristenUnie voortaan alleen nog maar ‘christelijk’ te noemen, is in lijn met de visie van Velema, dat christelijke politiek moet uitstijgen boven ‘sociaal’ en ‘liberaal’. Die laatste twee begrippen zijn beide beperkter dan het begrip ‘christelijk’. Christelijk-sociaal is daarmee niet zozeer een pleonasme, als wel een term die een innerlijke strijdigheid in zich heeft.

 

Optimisme

Geïnspireerd door de kritische houding van Jan Hendrik Velema kan je met enig optimisme vooruitkijken: de teleurstellende verkiezingsuitslag van 9 juni 2010, met slechts vijf zetels voor de ChristenUnie, dwingt de partij precies tot wat deze dominee altijd zo vurig heeft bepleit: nederigheid, afhankelijkheid en de ‘vreze des Heeren’. Dat de PvdA geen vriend is van de ChristenUnie, is de laatste drie jaar meermalen goed duidelijk geworden. Het einde van deelname aan een coalitie is een goed moment om te evalueren of de ChristenUnie nog voldoende in contact staat met haar roots.

 

 

 

KADER

Remco van Mulligen is historicus. Hij schrijft momenteel een proefschrift over het ontstaan van een ‘reformatorisch evangelische beweging’.

 

 

 



[1] ‘Christelijke politiek vraagt meer geestelijk gehalte’, Nederlands Dagblad (30 mei 2002).

[2] Onder andere uitgewerkt in: A. Rouvoet, Reformatorische staatsvisie: de RPF en het ambt van de overheid (Nunspeet 1992).

[3] ‘Subsidiepolitiek’, De Wekker 70 (24 februari 1961). De discussie over art. 36 NGB wordt geanalyseerd in: K. van der Zwaag, Onverkort of gekortwiekt? Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de spanning tussen overheid en religie (Heerenveen 1999).

[4] J.J. van den Berg, Deining: koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970 (Kampen 1999).

[5] ‘In memoriam ds. J.H. Velema’, CV-Koers 1-9-2007.

[6] ‘Jubileum met een rouwrand’, Nederlands Dagblad 29 april 2006.

[7] ‘De Geref. Synode en de P.V.D.A.’, De Wekker 73 (14 februari 1963).

[8] ‘Waarom is heroriëntatie en hergroepering in de politiek nodig?’, Bezinning (november 1974).

[9] ‘Christelijke politiek vraagt meer geestelijk gehalte’, Nederlands Dagblad 30 mei 2002.

[10] Veel orthodoxe protestanten vonden dat de politieke en sociaal-culturele elites teveel meebogen met de veranderingen, waardoor ze deze veranderingen in feite institutionaliseerden. Je zou kunnen zeggen dat zij daarmee vooruit liepen op de these van James Kennedy in Nieuw Babylon in aanbouw (Amsterdam 1995).

[11] Generatiewisseling als verklarende factor speelt een grote rol in Hans Righarts De eindeloze jaren zestig (Amsterdam 1995). Dat boek laat ook meteen de beperkingen zien van de wisselende-generatiethese.

[12] Egbert Schuurman en Gert-Jan Segers, ‘PVV of D66: het maakt echt uit’, Nederlands Dagblad (18 september 2010).

[13] Maarten van Rossem, Waarom is de burger boos? Over hedendaags populisme (Amsterdam 2010) 26-27.

[14] ‘Noodwet Ouderdomsvoorziening’, De Wekker 61 (15 februari 1952).

[15] Roel Kuiper, ‘Alleen “christelijk” is een betere CU-vlag’, Nederlands Dagblad (9 juli 2010).