De ChristenUnie als christelijk-sociale partij

De ChristenUnie als christelijk-sociale partij

 

Niet links, niet rechts, maar midden in de samenleving

 

 

Door Gert-Jan Segers en Carola Schouten

 

 

Met het aantreden van een nieuw kabinet is de links-rechts-discussie terug op de politieke agenda. Een politieke partij is ofwel voorstander van zo min mogelijk beperkingen aan de markt ofwel pleitbezorger van veel overheidsinvloed. De ChristenUnie kan een eigen geluid laten horen in deze discussie, door niet alleen te denken in termen van markt en overheid, maar door de samenleving centraal te stellen. Dat is werkelijk christelijk-sociaal.

 

Onderscheiden positie

Steeds weer is er die onbedwingbare behoefte om de christelijk-sociale politiek van de ChristenUnie van het predicaat ‘links’ dan wel ‘rechts’ te voorzien. Moesten de ‘kleine christelijke partijen’ vroeger strijden tegen het beeld dat het bij hen om ‘klein rechts’ ging, nu wordt de ChristenUnie regelmatig ‘linksig beleid’ verweten. Misschien dat beide typeringen iets zeggen over de positie van de partij in een bepaald tijdperk, maar ze vertellen in ieder geval lang niet het hele verhaal. Als het ‘rechts’ is om voor het gezin op te komen en te knokken voor de vrijheid van Afghanen, dan is de ChristenUnie inderdaad rechts. Als het ‘links’ is om je in te zetten voor het behoud van Gods schepping en het creëren van kansen op economische zelfstandigheid, dan is de ChristenUnie zonder meer links. Maar voor een adequate duiding van christelijk-sociale politiek schieten beide predicaten ernstig tekort.

We moeten er vanaf en zullen steeds weer moeten protesteren als christelijk-sociale politiek op een banale manier gereduceerd wordt tot het etiket ‘links’ of ‘rechts’. Tegelijkertijd worden we door die etikettering wèl uitgedaagd om het eigene van christelijk-sociale politiek opnieuw te verwoorden. En we moeten ons ook eerlijk de vraag stellen of we misschien aanleiding hebben gegeven om ons dat ‘linkse’ etiket op te laten plakken. De vraag is hoe we onze onderscheiden positie opnieuw kunnen markeren. We gaan daarom graag de uitdaging aan om duidelijk te maken dat het hart van de christelijk-sociale politiek primair bij de samenleving klopt en niet bij de overheid of de markt.

 

Verantwoordelijke samenleving

Het is ontegenzeggelijk waar dat christenen in de politiek posities kiezen die sterk van elkaar verschillen. Meer dan ooit waaieren christenen uit over alle politieke partijen, van SP tot en met PVV. De ene christen doet met een beroep op Gods liefde voor de armen een vurig pleidooi voor het behoud van de sociale zekerheid. Maar een ander stelt de vrijheid en individuele verantwoordelijkheid centraal en ziet in de overheid eerder een vijand dan een bondgenoot. Een beroep op Romeinen 13 – ‘de overheid is geroepen het kwaad te straffen en het goede te belonen’ – kan zowel leiden tot een pleidooi voor een sterke, actieve overheid als tot een pleidooi voor een nachtwakersstaat die zich beperkt tot openbare orde en veiligheid. Maar ondanks die evidente verschillen heeft het christendom in Nederland een veel eenduidiger politieke en maatschappelijke bijdrage geleverd dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Die bijdrage kan onmogelijk rechts of links genoemd worden. Want waar rechts een bijna blind vertrouwen in het individu en de markt heeft en waar links het heil verwacht van een sturende overheid, daar heeft de brede christelijk-sociale traditie altijd een hogere weg gewezen. Het is de hogere weg van een verantwoordelijke samenleving, van verantwoordelijke burgers, naast de overheid en de markt.

 

Dienstbaarheid

De ontvangen liefde van God uitte zich bij christenen doorgaans niet in een verlangen naar staatsmacht of naar rijkdom, maar juist in naastenliefde en dienstbaarheid. Scholen, ziekenhuizen en armenzorg waren de eerste maatschappelijke zorg van christenen, niet het veroveren van de macht of het beheersen van de economie. Op traditionele zendingsposten in de derde wereld zie je het kerkgebouw, de school en het ziekenhuis gebroederlijk naast elkaar staan als monumenten van christelijke naastenliefde. In de christelijke doordenking van politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft dat geleid tot een christelijk-sociale traditie die begint bij de samen­leving en de eigen verantwoordelijkheid van burgers.

Het hart van dat denken wordt gevormd door een dienstbare samenleving van verantwoordelijke burgers, met daarbij een zichzelf beperkende, dienstbare overheid. In de calvinistische traditie hebben Calvijn, de 17e eeuwse Duitse denker Johannes Althusius en de 19e eeuwse Nederlandse denker Groen van Prinsterer daar het intellectuele fundament voor gelegd. Kuyper heeft dat verder uitgewerkt en ‘de kleine luyden’ vochten in de maatschappelijke en politieke praktijk van rond de vorige eeuwwisseling voor de ‘soevereiniteit in eigen kring’. Niet de maakbare samenleving van de socialisten of de marktverheerlijking van de liberalen waren het uitgangspunt. Ook niet de collectieve samenleving waarin iedereen hetzelfde moet denken, doen en verdienen, of de verheerlijking van het vrije individu. Maar de verschillende levenskringen waarin vrije burgers verantwoordelijkheid dragen voor hun gezin, vereniging, school en kerk, en waar de macht van de staat dus beperkt is. In de vorige eeuw leidde deze visie tot een florerend maatschappelijk middenveld dat in aangepaste en vernieuwde vorm nog altijd overeind staat.

 

Toegenomen rol overheid

Na de Tweede Wereldoorlog hebben ingrijpende veranderingen de positie van dat middenveld aangetast. Eerst werd namelijk de verzorgingsstaat uitgebreid. Solidariteit en onderlinge zorg werden steeds meer collectief geregeld, wat leidde tot een verzwakking van onderlinge zorg en het kerkelijke diaconaat. In het licht van psalm 72, waarin bezongen wordt dat de overheid in dienst staat van sociale gerechtigheid (“Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft”), is een rol van de overheid op deze terreinen verdedigbaar. Tegelijk moeten we er oog voor hebben dat hiermee een verschuiving plaatsvond van onderlinge zorg naar collectieve, onpersoonlijke zorg. Dat werd des te ingrijpender toen vanaf de jaren zestig de overheid steeds meer in beeld kwam als ‘hoeder van de samenleving’. Het kabinet-Den Uyl wilde in 1973 met spreiding van kennis, inkomen en macht de samenleving verder naar zijn hand zetten. In de progressieve politiek werden maatschappelijke organisaties steeds meer gezien als exponent van de verfoeide verzuiling. Ze werden steeds meer beschouwd als residuen van een voorbij verleden en als hindernis voor de ontplooiing van het individu. Het individu moest geëmancipeerd worden en de overheid zou daar voor gaan zorgen. De staat trok steeds meer taken naar zich toe. In combinatie met een toenemende secularisering en ontzuiling, leidde dit tot een verdere aantasting van veel maatschappelijke verbanden.

 

Hoewel het maakbaarheidsgeloof sinds die tijd wat is getemperd, is de rol van de overheid nadien nauwelijks verkleind. Ook de ChristenUnie heeft de afgelopen jaren niet voorop gelopen in de kritische beschouwing en – waar mogelijk – begrenzing van de overheid. Vooral het liberale marktdenken werd – deels terecht – als boosdoener van veel kwaad gezien. Maar de gevaren van een grote overheid, die voorschrijft wat goed voor u is en het particulier initiatief de kop in drukt, zijn soms te weinig onderkend. Alleen wanneer het de vrijheid van religie en onderwijs raakt.

 

Tijd voor herbezinning

Dit overziende moet de ChristenUnie zich opnieuw bezinnen op de rollen van overheid, markt en samenleving. Dit raakt alle terreinen van onze samenleving. Ga maar na:

 

  • Zorg. Bij toenemende technische mogelijkheden voor betere zorg, bij krimpende overheidsbudgetten wordt de betaalbaarheid van die zorg een steeds groter probleem. Maar waar progressieve politici sterkere overheidssturing bepleiten en liberalen en zelfs christen-democraten het heil van marktwerking verwachten, is het voor ons de vraag hoe we onderlinge zorg kunnen stimuleren en faciliteren. Dan gaat het om mantelzorg, burenhulp, het werk van stichtingen als Present en HIP. Vanuit een christelijk-sociale visie is het de uitdaging om de verbinding te leggen tussen formele en informele zorg.

 

  • Onderwijs. Met het gezin, vormt de school een belangrijke peiler in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Scholen moeten ruimte hebben hier – met de ouders – zelf  invulling aan te geven. Dat vereist een terughoudende overheid, die niet via eindeloze doelsubsidies voorschrijft wat gewenst is. Maar een overheid die vertrouwen heeft in scholen en docenten en ruimte laat voor religieuze verschillen.

 

  • Ondernemerschap. Bedrijven zijn van grote maatschappelijke waarde. Ze creëren innovatie, voegen waarde toe en bieden werkgelegenheid. Ondernemers moeten ruimte krijgen om te doen waar ze goed in zijn. Daar passen de wetten van de markt prima bij, waarbij overheidsinmenging via subsidies, tariefmuren en bureaucratie beperkt zou moeten worden[1]. Tegelijkertijd is de overheid de marktmeester, die verstoring van de markt moet tegengaan, bijvoorbeeld als kosten van milieuvervuiling worden afgewenteld op latere generaties. De overheid stimuleert dus het optimaal functioneren van markten. Voor al het overige dient juist de samenleving – in de vorm van de sociale partners – aan zet te zijn. Werkgevers en werknemers bepalen onderling hoe er gewerkt wordt en onder welke condities. De overheid geeft die partijen daartoe de ruimte.

 

  • Media. Betrokkenheid van burgers bij ledenomroepen is een mooi voorbeeld van een betrokken samenleving. Niet één staatsomroep bepaalt wat Nederland voorgeschoteld krijgt, maar een pluriform bestel, dat de meningen en opvattingen van de leden weerspiegelt.

 

Subsidiekaravaan

Een herbezinning op de rollen van overheid, markt en samenleving vraagt ook wat van maatschappelijke organisaties zelf. Te zeer zijn zij in een hoekje gekropen en houden ze af en toe hun hand op wanneer de subsidiekaravaan weer langs trekt. Men heeft zich afhankelijk gemaakt van de overheid, maar klaagt onderwijl over regels en voorschriften die hun worden opgelegd. Het is tijd voor een omslag in denken. Maatschappelijke verbanden moeten hun plek weer opeisen in de samenleving als organisaties niet alleen voor burgers, maar ook van burgers. Zo kunnen ze weer midden in de samenleving staan en daar hun taak vervullen. Christenpolitici op hun beurt moeten zich (be)dwingen niet voor elk probleem een overheidsoplossing te zoeken, maar allereerst zoeken naar een oplossing in de samenleving. Dit vergt ook gerichte actie, om maatschappelijke verbanden de ruimte te geven en privaat initiatief te stimuleren.

 

Eigen verantwoordelijkheid overheid

Betekent deze lijn altijd een inperking van de overheid en een versterking van de vrijheid van burgers en hun samenleving? Niet altijd. Er zijn terreinen waarbij de overheid juist veel te weinig verantwoordelijkheid toont en veel te veel ruimte laat aan burgers. Denk aan het onrecht van vrouwenhandel en prostitutie, waarbij een liberale politiek meer gericht is op het tegengaan van overlast dan op de bescherming van de allerzwaksten en het tegengaan van misbruik en mensenhandel. De vrijheid van de een wordt dan de onvrijheid van de ander.

Hier moet de ChristenUnie juist scherp durven aangeven waar overheidsinmenging zelfs noodzakelijk is.

De hernieuwde bezinning op de rol van de overheid, markt en samenleving gaat ter hand genomen worden door het Wetenschappelijk Instituut. Die bezinning zal via tafelgesprekken, expertmeetings en discussienotities vorm worden gegeven en zijn weerslag moeten krijgen in de breedte van de partij. Want uiteindelijk zullen de volksvertegenwoordigers van de ChristenUnie – lokaal en landelijk – die christelijk-sociale traditie steeds weer opnieuw handen en voeten moeten geven.

 

KADER

Drs. Gert-Jan Segers MIPP is directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie en drs. Carola Schouten is beleidsmedewerker van de Tweede Kamerfractie van de ChristenUnie. Ze stond nummer 6 op de lijst bij de afgelopen verkiezingen.

 

Samenvatting

-       Voor een adequate duiding van christelijk-sociale politiek schieten de predicaten links en rechts tekort.

-       Christelijk-sociaal betekent geen rechtse marktverheerlijking of links maakbaarheidsdenken…. 

-       … maar de hogere weg van een verantwoordelijke samenleving.  

-       De ChristenUnie moet zich opnieuw bezinnen op de rollen van overheid, markt en maatschappelijke organisaties.

 



[1]    Mulder, P., Crisistijd, naar een andere waardering van markt en overheid, Groen van Prinstererlezing 2010