Conservatieve vooruitgang: stapje voor stapje

Conservatieve vooruitgang

Door Geert Jan Spijker

Lange tijd was het in Nederland weinig modieus om conservatief te zijn. Sinds de jaren zestig moest je ‘vooruitstrevend’ zijn om er bij te horen. De laatste jaren is daar verandering in gekomen, onder meer door opiniemakers als Andreas Kinneging en Bart Jan Spruyt. Er kwam zelfs een conservatieve denktank: de Edmund Burke Stichting. Ook veel christenen voelen verwantschap met het conservatieve denken. Politiek gezien vinden die vaak hun thuis op de rechterflank van het CDA of bij de SGP. De bundel ‘Conservatieve vooruitgang’ laat zien dat ook de ChristenUnie wat kan met het conservatisme.

Wat is conservatisme? Als we een blik werpen op de grote verscheidenheid aan besproken denkers, van Wittgenstein tot Dooyeweerd en van C.S. Lewis tot Von Hayek, blijkt dat niet zo eenvoudig vast te stellen. Dat erkennen de redacteuren van de bundel, Thierry Baudet en Michiel Visser, in het inleidende hoofdstuk ook. Het conservatisme is een veelkleurige familie, die zich losjes verenigd weet door een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Het is geen vastomlijnde theorie, maar vooral een perspectief, dat gevolgd wordt door “gelijksoortige maatschappijanalyses”. Typerend is allereerst een visie op verandering. Conservatieven worden er wel van verdacht uit te zijn op behoud, maar dat is een misverstand. Verandering mag, voorwaarde is wel dat die stapje voor stapje plaatsvindt. Waar ze een broertje dood aan hebben zijn revolutionaire veranderingen.

Eeuwig menselijk tekort

Conservatieven wijzen vervolgens op het eeuwig menselijk tekort: mensen hebben een onuitroeibare geneigdheid tot het kwaad. Omstandigheden mogen veranderen, de mens blijft in wezen dezelfde. Het kwaad valt niet weg te organiseren. Gezien dit pessimistische mensbeeld kun je vraagtekens zetten bij het woord ‘vooruitgang’ uit de titel. Kan er werkelijk progressie worden geboekt als de mens onverbeterlijk slecht is? Hoe dan ook, vanwege het ingebakken kwaad leggen conservatieven de nadruk op vorming van het individu. Opvoeding, onderwijs en allerlei instituties spelen daar een centrale rol in. In gemeenschappen worden waarden en normen overgedragen, wordt moreel kapitaal geleerd en verantwoord burgerschap ontwikkeld. Dat is hoog nodig, ook vandaag de dag. Het vorige kabinet probeerde daar ook in te investeren (gezin, samenhang, etc).

Overheid

Dat laatste lijkt loffelijk, maar niet in de ogen van conservatieven. Conservatieven hebben namelijk een sterk wantrouwen jegens de overheid. Die is vooral potentieel gevaarlijk. Uiteraard is ze dat, want ook overheidspersonen zijn gevallen zondaars en een grote overheid kan zomaar een totalitair monster worden. Maar, om met Abraham Kuyper te spreken: de overheid is ook een genadegave, ze kan de ongebondenheid van mensen beteugelen en enige orde brengen in de samenleving. In die zin zijn politiek en overheid belangrijk. Niet elke conservatief erkent dat.

Ode aan de orde

Tegelijk is de conservatieve inzet op mens en samenleving te vergelijken met een christelijk-sociale benadering, in de lijn van Kuyper. Ook die traditie hekelt zowel links maakbaarheidsdenken, dat pretendeert met overheidsmiddelen mensen gelukkig te kunnen maken, als rechts liberalisme, dat individu en markt centraal zet. Ook in de christelijk-sociale traditie staan maatschappelijk ethos en menselijke verantwoordelijkheid voorop, tegen de achtergrond van een gegeven morele orde. Juist dat laatste punt komt in veel stukken uit de bundel terug. Want besef van een objectieve maatstaf voor goed en kwaad is verdwenen. Waarden en normen zijn persoonlijk geworden, afhankelijk van culturen.

Daar zit veel pijn bij conservatieven en daar rolt grondige en behartenswaardige cultuurkritiek uit voort. Het is zeer de moeite waarde daar kennis van te nemen. Tegelijk knaagt hier iets. Want hoe verhoudt die hang naar een teloorgegane door het christendom gestempelde cultuur zich met de toenemende ontkerstening? Men wil wel het water, maar niet de bron, zo lijkt het. Maar is de orde nog levensvatbaar nu onze cultuur nauwelijks nog contact heeft met die bron, het Evangelie? Besef is nodig dat onze werkelijkheid niet op zichzelf bestaat, maar verwijst naar en uitdrukking is van haar Oorsprong, om met Dooyeweerd te spreken (226).

Antirevolutionair

Blijft staan dat conservatisme en christelijk-sociaal denken verwantschap hebben. Dat blijkt niet alleen uit de lijst van auteurs en denkers, maar ook uit veel van de twintig, vaak uitstekend geschreven bijdragen. Beide tradities benadrukken dat het kwaad niet primair in structuren maar in de mens zelf zit, dat gemeenschappen van centraal belang zijn voor de vorming van mensen en dat de samenleving niet met behulp van politieke middelen te maken is. Ook erkennen beide de belangrijke vormende bijdrage van het christendom aan de westerse beschaving in het algemeen en aan onze rechtsstaat in het bijzonder.

Tot slot zal ook het antirevolutionaire karakter velen binnen de ChristenUnie aanspreken. Christenen zijn niet voor revoluties en radicale omwentelingen. Toch? Of soms wel? Is het niet zo dat we bij schrijnend onrecht haaks dienen te staan op de heersende orde? Is radicale hervorming niet nodig als het gaat om het opkomen voor de kwetsbaren op aarde en voor de aarde zelf? Uiteraard doen christenen dat zonder verwachtingen een hemel op aarde te kunnen bewerken en uiteraard doen ze dat stapje voor stapje. Maar dus wel met stapjes. Opvallend is dat veel Nederlandse conservatieven momenteel kiezen voor een regeringscoalitie waarvan men zich met recht af kan vragen in hoeverre die stapjes in de juiste richting wil zetten, juist ook gezien cruciale thema’s als (en ik volg de opsomming op de achterflap van het boek zelf): duurzaamheid; maatschappelijk verantwoord ondernemen; het probleem van het populisme; het belang van vorming, religie en cultuur.

 

Boekgegevens

  • Thierry Baudet en Michiel Visser (red.)
  • Conservatieve vooruitgang. De grootste denkers van de twintigste eeuw
  • Amsterdam: Bert Bakker 2010
  • 414p.
  • ISBN 978 90 351 3563 5