Christelijke toekomstverwachting van de jeugdzorg

Christelijke toekomstverwachting van de jeugdzorg…

Door Bert Wienen

 

Wat is er aan de hand in ‘jeugdzorg Nederland’? Niemand kan zijn ontgaan dat er over jeugd en dan voornamelijk over ‘probleemjeugd’ veel wordt geschreven en gesproken. De ene keer zijn de loverboys in het nieuws, de andere keer is er discussie over de scheiding van civiel- en strafrechtelijk geplaatste jongeren in jeugdgevangenissen; dan weer gaat het over opvoedcampussen en dan weer is er discussie over preventie: iedereen een opvoedcursus. Ondertussen, zo is de gangbare constatering, blijven de wachtlijsten groeien. Op het moment van schrijven van dit essay was André Rouvoet (nog) Minister van Jeugd en Gezin. Het is niet duidelijk hoe een volgend kabinet eruit zal zien en dus ook niet of er dan nog sprake is van een Ministerie van Jeugd en Gezin.

Nu de regeerperiode van de ChristenUnie erop zit, is het wellicht goed om nog eens kritisch te kijken naar de inzet van christelijke politiek rond het thema Jeugd en Gezin. Wat zou vanuit christelijke optiek nu een goede inzet zijn rond dit belangrijke thema? Hierbij doel ik niet alleen op landelijke politiek, maar ook op de plaatselijke politiek. Mijn conclusie zal zijn dat we naar een bescheidener inzet zouden moeten streven.

Wanneer hulpverlening?

Moffitt et al[i] hebben meta-onderzoek gedaan naar probleemgedrag bij kinderen. Zij constateren drie soorten probleemgedrag, namelijk voorbijgaand-, voortdurend- en laatstartend probleemgedrag (figuur 1). Tien procent van de kinderen vertoont voortdurend probleemgedrag waarbij de stijging van de curve is op te merken op ongeveer éénjarige leeftijd. Van de kinderen vertoont 26% laatstartend probleemgedrag dat zich openbaart (curve gaat omhoog) rond de achtjarige leeftijd. Tenslotte onderscheiden Moffit et al het voorbijgaand probleemgedrag, waarbij een stijging van de curve is gelokaliseerd rond nuljarige leeftijd. Je zou aannemen dat, wanneer je probleemgedrag wilt voorkomen, je zo snel mogelijk ingrijpt wanneer de eerste symptomen zich voordoen. Bij hulpverleningsinterventies rond deze leeftijden (nul, één en acht) gaat het niet om  ‘heropvoedingskampen’, jeugdgevangenissen, loverboys, overlastgevende jongeren op straat of opvangplekken. In deze doelgroep gaat het om een hele andere aanpak. Hoe kan het toch zijn dat de discussies dan altijd nog gaan over heropvoedingskampen, jeugdgevangenissen en overlast op straat, terwijl uit onderzoek blijkt dat hulpverlening zou moeten starten in de vroege kinderleeftijd? En hoe kan het toch dat dit soort hulpverlening af wordt gedaan als preventie? Waarom discussiëren we niet over de kraan, maar over de dweil? Als we weten dat hulpverlening in de vroege kinderleeftijd én veel goedkoper is én veel effectiever én ook een veel groter beroep doet op de inzet van de ouders bij de opvoeding, waarom spreken we dan nog zoveel over hulpverlening die zich richt op puberende probleemjongeren? Waarom gaat nog steeds ongeveer de helft van het geld naar dit soort interventies (behandelplekken, jeugdgevangenissen)?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1, de ontwikkeling van lastig en misdadig gedrag

Wachtlijsten?

Als tweede voorbeeld zou ik graag de discussie over de wachtlijsten naar voren willen brengen. Grote woorden worden er gesproken over deze wachtlijsten. Ik herinner me krantenkoppen over een daadkrachtige Rouvoet in de aanpak van de wachtlijsten[ii]. Miljoenen worden geïnvesteerd om wachtlijsten weg te werken. Tenminste, zo lijkt het. Ik durf de stelling wel in te nemen dat hoe meer geld er te verdelen is in de jeugdzorg, hoe meer wachtlijsten er zullen ontstaan. Immers, om voor financiën in aanmerking te komen moet je als organisatie toch tenminste beschikken over een wachtlijst. Waarom wordt er niet gediscussieerd over het aantal behandelde kinderen en de effectiviteit van de behandeling? En waarom wordt het geld niet verdeeld onder effectief opererende organisaties die én veel kinderen behandelen én ook de cliënttevredenheid meten? Je zou zelfs kunnen nadenken over een financieringsdrempel: elk jaar krijgen de 10% best presterende jeugdzorgorganisaties er geld bij voor doorontwikkeling/innovatie en krijgen de 10% minst presterende organisaties minder geld. Organisaties met visie en innovatief vermogen en met middelen die de effectiviteit van de zorg meten, hoeven in Nederland (als we kijken naar het beschikbare budget) geen wachtlijst te hebben[1]. De snelheid waarmee er door politiek vaak gegrepen wordt naar het middel van ‘nog meer geld’ mag wat mij betreft wel wat minder. Meer geld om slecht te presteren in plaats van een opdracht om te leren van organisaties zonder wachtlijsten, om innovatief te zijn en om te meten welke hulpverlening werkt.

De discussie over wachtlijsten en de daaraan gekoppelde financiën heeft een effect op het functioneren van jeugdzorgorganisaties waarvan politici en bestuurders zich weinig bewust zijn. In het huidige politieke klimaat is het voordelig om een wachtlijst te hebben, omdat je dan verzekerd bent van politieke aandacht en dus van financiële middelen.

De inzet van christelijke politiek rondom het thema Jeugd en Gezin

De twee voorbeelden tonen aan dat er hier en daar nogal wat schort aan de beeldvorming rond Jeugd en Gezin. De praktijk laat vaak zien dat we met de huidige inzet van christelijke politiek in de knoei komen met goede bedoelingen enerzijds en het beginsel van de soevereiniteit van de (gezins)kring anderzijds. Dit laatste beginsel houdt in dat het gezin als een relatief zelfstandige vorm van gemeenschappelijk leven wordt gezien. Dit neocalvinistische standpunt vormt één van de vaak gehanteerde uitgangspunten van de benadering van het thema jeugd en gezin van de ChristenUnie. Maar dit is niet zonder problemen. De moeilijkheid bij het consequent hanteren van dit uitgangspunt komen we bijvoorbeeld tegen in de roep om meer verplichte opvoedingscursussen, vaak vanuit ChristenUnie-hoek. Hierbij wordt vaak gewezen op het Zweedse model waarbij alle ouders met opvoedingsondersteuning te maken krijgen. Met De Bruijne[iii] constateer ik dat dit zich maar moeilijk verhoudt tot de soevereiniteit in eigen kring. Immers, op het moment dat je dit doet grijp je in in de eigen verantwoordelijkheid van de kring van het gezin. Op zich is deze ingreep nog wel te verdedigen op basis van het beginsel van soevereiniteit in eigen (gezins)kring, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat elk individu ook een kring op zichzelf is. Echter, op het moment dat de overheid zich regulier gaat bemoeien met de opvoeding van kinderen, bijvoorbeeld door de verplichte opvoedingscursussen, wordt het gezin als samenlevingsvorm gedegradeerd. De overheid neemt dan immers de verantwoordelijkheid voor de opvoeding in de hand. De vraag is waardoor het ingrijpen in het gezin, door de verplichte cursus, dan nog gerechtvaardigd wordt. In ieder geval niet meer door het recht, maar door de gewoonte of de goede bedoeling (‘evenwichtig’ of ‘gezond’ opgroeien). Rouvoet[2] gaf m.i. bijvoorbeeld terecht aan dat ingrijpen in een kring alleen kan als de rechten van het kind worden overschreden. Paas[iv] wijst erop dat de overheid geen opvoeder kan zijn. Wanneer liefde en goede bedoelingen de rechtvaardiging gaan worden voor overheidsoptreden is het einde zoek.

De Bruijne[v] wijst op nog een ander probleem. De gezinsnota die onder regie van Minister Rouvoet is geschreven is getiteld ‘Alle kansen voor alle kinderen’. Dit soort titels komen vaker voor en worden niet alleen door christenpolitici gebezigd. In Assen is de titel van een notitie over het Centrum van Jeugd en Gezin ‘Geen gezin tussen wal en schip’[vi] en in meer gemeenten zullen dergelijke titels en loffelijke voornemens worden gehanteerd. De Bruijne: “hoe sympathiek dat doel ook is, de politiek springt ermee over haar eigen schaduw heen” [vii]. Dergelijke titels doen voorkomen dat dit perspectief, dat past bij het komende Koninkrijk, haalbaar is in deze wereld. Dat lijkt mij onterecht.

Kortom, de huidige inzet van politiek richt zich ten eerste te vaak op het overnemen van verantwoordelijkheden van ouders door de overheid (op basis van goede bedoelingen) en ten tweede jaagt christelijke politiek vaak hogere doelen na dan de doelen die haalbaar zijn in deze wereld.

Uitgangspunten van inzet van christelijke politiek

Wat zou dan wel de inzet van christelijke politiek moeten zijn? Hierbij raken we de vraag wat het doel is van de christelijke politiek. Laten we hiervoor teruggaan naar het volk Israël in 1 Samuël 8. Het volk wilde een koning. God stemt hiermee maar schoorvoetend in, vers 7: ‘ze verwerpen juist mij als hun koning’. De Britse politiek theoloog O’Donovan[viii] stelt mede aan de hand van deze passage dat alle aardse politiek ondergeschikt is aan -en op gespannen voet staat met- de Hemelse Koning. De politiek hoort bij de geschiedenis van de gevallen wereld en niet bij het Koninkrijk dat komt. Dan zal Christus namelijk zichtbaar regeren. O’Donovan[ix] meent dan ook dat (de aardse vorm van) politiek tijdelijk is. Christus gebruikt de aardse politiek als instrument totdat Hij met Zijn rechtzettend oordeel alles goed zal maken. “Via aardse politiek toomt Hij op weg naar dat moment het kwaad nog in en bewaart Hij steeds weer een voorlopige gerechtigheid. Hogere idealen moet de aardse politiek niet koesteren.” [x]

De gerechtigheid waarover hier wordt gesproken wijkt af van de publieke gerechtigheid die binnen de ChristenUnie centraal staat. Augustinus zegt hierover dat de volle reikwijdte van het Bijbelse begrip gerechtigheid niet met politieke middelen kan worden gerealiseerd en dat christenen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verwachten waarop gerechtigheid woont[3]. Aan de hand van dit uitgangspunt redeneert Paas[xi] voort op basis van Augustinus: “de beste aardse staten kunnen hoogstens een analogie of spiegeling van de ware gerechtigheid bewerken”[xii]. Christelijke politiek zou hierop dan ook continue moeten wijzen. De ware gerechtigheid ligt buiten het bereik van de aardse politiek. ‘Alle kansen voor alle kinderen’ is Koninkrijkspraat, hoe nobel dit streven op zich ook is.

Overheidsactie kan niet gebaseerd worden op basis van alleen ‘goede dingen doen’ of ‘goede bedoelingen’. Overheidsactie moet worden gelegitimeerd door rechtshandelingen[xiii] en het ‘rechtzettend oordelen’[xiv] om zo aardse gerechtigheid te kunnen nastreven. Augustinus definieerde twee aspecten van deze gerechtigheid, namelijk de toekennende (attributieve) gerechtigheid en de herstellende (correctieve) gerechtigheid. Beide zijn er op uit om onrecht te bestrijden. Ik pleit bij de inzet vanuit de huidige christelijke politiek voor meer aandacht voor de correctieve gerechtigheid. Correctieve gerechtigheid in de uitleg van O’Donovan, namelijk met het doel om de samenleving ‘in het lood te houden’, een continue proces van rechtzettend oordelen.

Uitwerking

We hebben nu twee richtingen voor de inzet van christelijke politiek te pakken. Enerzijds betreft dit het wijzen naar de ‘ware gerechtigheid die nog komt’ en anderzijds betreft dit het ‘in het lood houden’ van de samenleving. Vanuit dit kader kan een andere inzet vanuit de ChristenUnie worden nagestreefd. Heb bijvoorbeeld continue aandacht voor het zuiver voeren van de discussies rond jeugd en gezin. Houd de discussies over wachtlijsten zuiver door te wijzen op het aantal behandelde cliënten, in plaats van de niet behandelde cliënten op de wachtlijst. Zet vanuit de correctieve gerechtigheid in op het verstrekken van financiën aan goed georganiseerde en goed presterende organisaties in plaats van het geven van financiën aan organisaties met wachtlijsten. In plaats van geld beschikbaar stellen voor allerlei dure hulpverleningsvormen (jeugdgevangenissen, opvoedkampen enz.), de jeugdzorg in het lood houden door absoluut te kiezen voor het ontwikkelen van interventies voor kinderen die tussen de nul en acht jaar oud zijn.

Door in plaats van te stellen dat ‘Eigen Kracht-Conferenties’[4] per definitie goed zouden zijn voor het gezin, de jeugdzorg zo in te richten dat de jeugdzorg als logische partner al in beeld is voordat er sprake is van problematiek. Dit laatste kan bijvoorbeeld door de inrichting van het Centrum voor Jeugd en Gezin wettelijke kaders mee te geven die ervoor zorgen dat de gemeente, vanuit haar betrokkenheid bij de lokale samenleving en kennis van de samenlevingsopbouw, de langdurig laag frequente zorg kan uitvoeren en de kortdurende intensieve zorg erbij kan halen op het moment dat dit nodig is. Door in plaats van algemene discussies te voeren over het centrum voor Jeugd en Gezin of opvoedtips te geven[5] uitspraken te doen over de hervorming van de jeugdzorg zodat ze meer aansluit bij de plekken waar kinderen toch al zijn, zoals bijvoorbeeld in het onderwijs. Wat dat betreft ben ik erg blij met de inzet van de parlementaire commissie Toekomstverkenning Jeugdzorg die deze lijn als de hare heeft gemaakt. Blijf als ChristenUnie-politici inzetten op het versterken van deelgemeenschappen of netwerken die gezinnen kunnen ondersteunen in plaats van het initiëren van allerlei nieuwe structuren of cursussen. Laten bijvoorbeeld kerken en scholen meer vrijmoedigheid nemen om te spreken over opvoeding. Laat de Nederlandse overheid zich niet inhoudelijk bemoeien met de jeugdzorg, maar zorg dat hiervoor lokaal mogelijkheden zijn die passen bij de lokale samenlevingsopbouw. Dit zouden prima inzetten vanuit Christelijke politiek en streven naar correctieve gerechtigheid kunnen zijn.

Redden we daarmee alle kinderen? Natuurlijk niet. Dat kunnen we niet en de overheid al helemaal niet. Dat komt pas later. Als het gebed ‘laat uw Koninkrijk komen’ volkomen werkelijkheid wordt. Laten we daarop als christenpolitici dan ook steeds wijzen.

 

 

 

 

KADER:

Bert Wienen is werkzaam als projectleider binnen Yorneo Jeugd en Opvoedhulp in Drenthe en is vanuit die hoedanigheid betrokken bij het ontwikkelen van nieuwe vormen van hulpverlening, verantwoordelijk voor projecten die samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg vergroten en betrokken bij de totstandkoming van verschillende centra voor jeugd en gezin in Drenthe. Hij is bedrijfskundige, onderwijswetenschapper en studeert psychologie. Tevens is hij raadslid voor de ChristenUnie in Assen. Dit essay schreef hij in het kader van het Fellowsprogramma 2009.

 

Literatuur



[1] http://www.trouw.nl/nieuws/zorg/article2782484.ece/_rsquo_Jeugdzorg_is_onnodig_duur_rsquo__.html

[2] Denkwijzer, juni 2008 ‘Gezinsbeleid: een gedeelde verantwoordelijkheid’ pag. 7

[3] Augustinus, De civitate Dei, 20.18

[4] http://www.jeugdenveiligheid.nl/site/nieuws_agenda/archief/2008_08_22_motie_eigen_kracht_conferentie_aangenomen

[5] http://www.christenunie.eu/nl/k/8447/news/view/318990/347467/Tienertop-Geen-dubbele-boodschappen-van-overheid-graag.html



[i] Moffitt, T.E. (1993). Adolescence-limited and life-course-persistent antisocial behavior

– a developmental taxonomy. Psychological Review, 100, 674-701.

[ii] NRC, 14 augustus 2009 ‘Rouvoet dreigt om wachtlijst jeugdzorg’

[iii] De Bruijne            2008,  119 - 120

[iv] Paas, S. (2007). Vrede stichten. Politieke meditaties. Zoetermeer: uitgeverij boekencentrum

[v]De Bruijne              2008,120

[vi] Voorbereidingsnotitie Centrum voor Jeugd en Gezin Assen ‘geen gezin tussen wal en schip’

[vii] De Bruijne            2008, 120

[viii] O.Donovan, O. (1996). The Desire of the Nations. Rediscovering the roots of political

theology. Cambridge: Cambridge University Press. (pag. 52)

[ix]  O’Donovan          1996, 54v

[x] De Bruijne, A. (2007). Christelijke politiek in een niet-christelijke samenleving. In: Huttinga, W. & Spijker, G.J. (2007) Macht en overtuiging. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn (pag. 31)

[xi] Paas                     2007, 423

[xii] Paas                    2007,  424

[xiii] Veling, K. (1987). De dienst van de overheid. Barneveld: Groen van Prinsterer stichting (pag, 65)

[xiv] O’Donovan,         1996, 286