Christelijke politiek leidt tot duurzame ontwikkeling

Christelijke politiek leidt tot duurzame ontwikkeling

 

Door Klaas van Egmond

 

Het duurzaamheidsvraagstuk is de grootste opgave waarvoor de wereldbevolking in deze eeuw zal worden gesteld. De groei van de wereldbevolking van 6.5 naar een onvermijdelijke 9 à 10 miljard mensen, in combinatie met een verveelvoudiging van de materiële consumptie, gaat de draagkracht van de fysieke aarde ruimschoots te boven. In lijn met de al 35 jaar geleden geschetste verwachtingen van de Club van Rome is de wereld nu al terechtgekomen in een ecologische crisis in de vorm van klimaatverandering en verlies van biodiversiteit, in een grondstoffencrisis waarin het gaat om energie- en voedselvoorziening en in een sociale crisis gekenmerkt door armoede, toenemende vluchtelingenstromen en integratieproblemen.

 

Technologie heeft het vraagstuk niet kunnen oplossen. Zo worden efficiëntieverbeteringen van auto’s (zuiniger motoren) ingehaald door de trend naar zwaardere auto’s. Daardoor blijft de druk op het milieu uiteindelijk toch meelopen met de economische groei. Die groei, met steeds meer materiële productie en consumptie is nodig om een groeiende bevolking aan het werk te houden bij voortgaande automatisering. Economen veronderstellen ten onrechte dat die groei alsmaar door kan gaan. Zij hebben de huidige financieel-economische crisis niet zien aankomen en weten niet waar we in dit land over twintig jaar van leven.

 

 

Natuurlijk zijn er in de geschiedenis voortdurend ‘duurzaamheidsproblemen’ geweest, of beter gezegd, continuïteitsproblemen in de vorm van godsdienstoorlogen, grondstoffenoorlogen en totalitaire regimes in de vorm van communisme en fascisme. Die zijn weliswaar overwonnen, maar de volgende generatie vergeet te gemakkelijk dat vorige generaties daarvoor een hoge prijs hebben betaald. Door de groei van de bevolking en de sterke ontwikkeling van de techniek is de schaal van de problemen inmiddels steeds groter geworden. Naarmate het schip groter wordt, is ook de catastrofe groter als uiteindelijk de wal het schip moet keren.

De aanvankelijke verwachting was dat een democratisch bestel en de wetenschappelijke fundering daarvan, dit soort crisissituaties zou kunnen voorkomen. De rampen van het verleden zouden zich dan niet meer herhalen en daarmee zou ‘het einde van de geschiedenis’ zijn bereikt. Maar democratie en rationaliteit zijn geen garantie voor duurzaamheid gebleken. Democratisch kan besloten worden het milieu te belasten, grondstoffen op te maken en speculanten hun gang te laten gaan. Voor een duurzame wereld is blijkbaar meer nodig, een ‘richting gevend kader’, een koers waarmee nieuwe ontsporingen kunnen worden vermeden. Maar tegelijkertijd is er weinig animo voor een nieuwe ideologie omdat de grote rampen uit het verleden juist uit uitgesproken ideologieën zijn voortgekomen.

 

De geschiedenis herhaalt zich

 

De geschiedenis blijkt heen en weer te slingeren tussen steeds weer dezelfde twee paren van tegenstellingen. In de eerste plaats gaat het om de ‘verticale’ tegenstelling tussen een materialistische en een meer immateriële, geestelijke oriëntatie. De tweede, steeds weer terugkerende ‘horizontale‘ tegenstelling is die tussen de oriëntatie op het collectieve geheel, tegenover de oriëntatie op het individuele deel (‘ik’ of ‘wij’). Die tegenstelling komt overeen met het idee dat er een objectieve, universele waarheid zou zijn, tegenover de opvatting dat ‘de waarheid’ niet kenbaar is, altijd subjectief is en er dus een diversiteit aan opvattingen mogelijk is.

De kern van het probleem is dat de grote maatschappelijke ‘discontinuïteiten’ zoals godsdienstoorlogen, communisme, fascisme, de ecologische en de financieel-economische crisis in de geschiedenis werden veroorzaakt doordat bepaalde waardeoriëntaties steeds eenzijdiger werden en gingen domineren. De samenleving werd steeds weer een karikatuur van zichzelf, met alle rampzalige gevolgen van dien. Zo wordt de huidige tijd beheerst door de confrontatie tussen fundamentalistische religie en een kapitalistisch systeem waarvan de financiële structuur fundamentalistische trekken heeft. Het is blijkbaar moeilijk om in het krachtenveld tussen ‘hemel en aarde’ en tussen het eigenbelang en ‘de anderen’ staande te blijven. Steeds weer gaat het evenwicht verloren en vervalt de maatschappij tot de eenzijdigheid van een te sterk geestelijke of juist een te sterk materialistische oriëntatie, of is aan de andere kant te collectivistisch of juist te individualistisch. Er zijn blijkbaar middelpuntvliedende krachten aan het werk die het wankele evenwicht steeds weer verstoren. Eenzijdigheid, het verloren evenwicht, is identiek met rampspoed, discontinuïteit en dus on-duurzaamheid.

 

                          

Wanneer de dominerende verticale en de horizontale tegenstellingen worden weergegeven door een (assen-)kruis, dan wordt de overgang naar de (te sterke) eenzijdigheid gemarkeerd door de omhullende cirkel. In de loop van de geschiedenis worden steeds andere waarden en daarmee andere kwadranten belicht, en uiteindelijk overbelicht, waardoor de samenhang met de andere menselijke ‘waarden’ die door de cirkel worden weergegeven, verloren gaat. Daarmee gaat uiteindelijk ook de ‘menselijke waardigheid’ verloren. Een te sterke eenzijdigheid is dan tot maatschappelijk ‘kwaad’ geworden; ‘de buitenste duisternis’. Tegenover het ‘kwaad’ van die eenzijdigheid staat niet het ‘goede’, maar een ander kwaad, een andere eenzijdigheid aan de andere kant van de cirkel. Tegenover communisme aan de linkerkant, staat fundamentalistisch kapitalisme aan de rechterkant. Tegenover de fundamentalistische religie linksboven staat rechtsonder de materialistische consumptiemaatschappij. Het goede ligt er halverwege tussen in, waar de beide tegenstellingen tussen ‘hemel en aarde’ in de verticaal en tussen ‘ik en de anderen’ in de horizontaal, in evenwicht worden gehouden.

 

Hoewel de meeste mensen in eenzijdigheid posities kiezen waarvan het zwaartepunt ergens op de rand van de cirkel ligt, leveren de waardeoriëntaties van alle mensen samen, als grote gemene deler, de gehele cirkel op. De ruimte binnen de cirkel komt dus zowel voort uit de loop der geschiedenis, als uit de actuele opvattingen van mensen over ‘wat van waarde is’. Omdat een maatschappelijke (en individuele) ontwikkeling die zich binnen de cirkel voltrekt de rampspoed vermijdt die eigen is aan de periferie, is dit aldus gevonden ‘wereldbeeld’ bij uitstek de maatschappelijke doelstelling voor een ‘duurzame’ ontwikkeling. Die doelstelling is letterlijk synoniem met het behoud van de menselijke waardigheid. Het is niet de zoveelste ideologie of utopie die voortkomt uit de eenzijdigheid van (delen van) de cirkel-periferie, maar een benadering die de ideologieën juist overstijgt door uit te gaan van het totaal aan waardeoriëntaties die als wezenlijk menselijk worden ervaren. Het gaat er om de ‘tussenruimte’ te vinden waar een democratisch gelegitimeerde doelstelling kan worden gevonden en waar tegelijkertijd de te sterke eenzijdigheden worden vermeden. Die doelstelling kan alleen worden vastgesteld in een ‘gemeenschappelijk zoeken’, wat de kern zou moeten zijn van het politieke proces.

 

Christelijke politiek

 

Dat roept natuurlijk de vraag op naar de rol van ‘christelijke politiek’. Als het om ‘duurzaamheid’ gaat heeft het kerkelijke christendom als bakermat van de westerse ontwikkeling een twijfelachtige reputatie. Zo schrijft de Amerikaanse hoogleraar in middeleeuwse geschiedenis, Lynn White, de uitbuiting van de natuur toe aan de interpretatie dat de mens bij de schepping door God boven de natuur is gesteld en de natuur geen ander doel dient dan de mens ten dienste te zijn. Hij zag het christendom daarmee als de meest mensgerichte godsdienst. De socioloog Max Weber had eerder al, aan het begin van de vorige eeuw, de opkomst van het kapitalisme toegeschreven aan het protestantisme. Protestanten gaven, meer dan katholieken, spirituele en morele betekenis aan wereldlijke activiteiten. Zo was werken een religieuze plicht (roeping) en kon door een ascetische leefstijl veel van de gemaakte winst weer worden geherinvesteerd. Daaruit zou het financieel-economische systeem zijn voortgekomen dat later door de Engelsen en Amerikanen is overgenomen en nu het hart vormt van de huidige financiële crisis.

Maar naast deze bekritiseerde katholieke en protestantse interpretaties ligt in het (oorspronkelijke)  christendom ook de wezenlijk andere notie besloten, dat het streven naar het midden als ‘goed’, en de beweging naar de buitenkant van het mens- en wereldbeeld als ‘slecht’ kan worden gezien. Dat is overigens niet uniek, maar komt in veel culturen, religies en wereldbeschouwingen tot uiting. In het christendom komen de beide assen, die het mens- en wereldbeeld vormen, overeen met de twee belangrijkste geboden. Als Jezus door de Farizeeërs wordt gevraagd naar het belangrijkste gebod, zegt hij (Mattheüs 22 en Marcus 12): ‘Heb God lief met geheel Uw hart, geheel Uw ziel en geheel Uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. Het tweede, daaraan gelijk is; heb Uw naaste lief als U zelf’. Het eerste gebod geeft de essentie weer van de verticale relatie tussen ‘hemel en aarde’, en het tweede gebod, ‘daaraan gelijk’(!), geeft de horizontale relatie weer tussen de mens en zijn medemensen, tussen ‘ik’ en ‘de anderen’. De ‘liefde’ is de middelpuntzoekende kracht die de polariteiten bij elkaar houdt en die het mogelijk maakt om in de buurt van het midden te blijven. Die ‘liefde’, ofwel de empathie voor het tegenovergestelde, is de centrale opdracht van het christendom. Een werkelijk christelijke politiek die naar dat ‘midden’ en daarmee naar de menselijke waardigheid streeft, leidt daarom van nature tot een duurzame ontwikkeling.

 

Concrete agenda

 

Zo’n politiek, die op alle maatschappelijke terreinen naar het ‘midden’ van het mens- en wereldbeeld streeft, voorkomt eenzijdigheid en daarmee uiteindelijk fundamentalisme, op welk maatschappelijk gebied dan ook. Het streven naar het ‘midden’ kan vertaald worden in concrete maatschappelijke doelstellingen:

-  Uit de vereiste balans tussen individuele en collectieve, tussen private en publieke eigendom kan worden beredeneerd dat veel materiële (natuur, lucht, water) en immateriële kwaliteiten (kennis) helemaal niet particulier toe-eigenbaar zijn; zij behoren principieel tot de ‘commons’, en worden door de gemeenschap als geheel beheerd. Dat staat haaks op de jarenlange en ongemotiveerde trend naar privatisering die waarschijnlijk in de nieuwe coalitie zal worden gecontinueerd. Het is synoniem met de opgave van ‘rentmeesterschap’ en komt in de praktijk neer op landschapsbeheer en ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld in de vorm van de bepleite open ruimte heffing. De aanleg van een Ecologische Hoofdstructuur is daarom niet Oost-Europees, maar een wezenlijk element van een ‘duurzame’ samenleving.

-  De na te streven balans tussen regionale en globale ontwikkelingen zou inhouden dat in basale voorzieningen zoals voedsel en energie goeddeels op het regionale schaalniveau wordt voorzien. Landbouw zal zich daarom in de omgeving van de grotere stedelijke agglomeraties van Noordwest-Europa moeten kunnen handhaven. Om dit doel te bereiken zouden de belastingtarieven voor biologische en meer extensieve landbouw kunnen worden verlaagd. Door internalisatie van de werkelijke (milieu-)kosten komen milieubelastende landbouw en veehouderij juist in hogere tarieven terecht.

-  De omvang van de bevolking zou kleiner, niet groter moeten worden. Het financieel stimuleren van bevolkingstoename staat haaks op het streven naar duurzaamheid. Wanneer een deel van het huidige budget (3.4 miljard) besteed zou worden aan kinderopvang(toeslag) en aan belastingverlichting voor de laagste inkomens, dan kunnen nog steeds miljarden worden bespaard.

-  Op het gebied van bestuur, regelgeving en geleverde diensten (producten) wordt de complexiteit sterk teruggebracht. De huidige regelgeving is al veel te gecompliceerd om effectief te zijn, veelal als gevolg van de omkering van maatschappelijke doelen en middelen. Sterke vereenvoudiging kan worden bereikt door het maken van politieke keuzen, met name op het gebied van milieu en economie.

-  Externe kosten van schaarse kwaliteiten zoals milieu, energie en grondstoffen worden geïnternaliseerd. Tegelijkertijd wordt de belasting van niet schaarse kwaliteiten zoals arbeid verlaagd. Bij zo’n ‘vergroening’ wordt in beginsel uitgegaan van één uniform CO2-tarief voor het gebruik van fossiele brandstoffen. De hoge en uniforme CO2 –prijs zal een economische stimulans geven aan de omschakeling naar niet-fossiele, duurzame energie; jonge ondernemers kunnen eindelijk met duurzaamheid aan de gang.

-  Het financiële systeem zal weer als middel ondergeschikt moeten worden aan de maatschappelijke doelstellingen. Veel financiële ‘innovaties’ zijn doelbewust gecompliceerd en maatschappelijk meer risicovol dan nuttig. Beurstransacties, voor zover al maatschappelijk relevant, kunnen worden belast omdat het hier gaat om de transactie van eigendom (aandelen). Dat wordt gerechtvaardigd door de enorme rekeningen die nu door het financiële systeem bij de gemeenschap zijn neergelegd en nu mede aanleiding geven tot drastische bezuinigingen.

- De principiële noodzaak om de financiële en de werkelijke wereld weer bij elkaar te brengen, legitimeert op het gebied van wonen de bepleite (geleidelijke) afschaffing van de hypotheekrenteaftrek, tegelijk met het eigen woning forfait. Door herstructurering van de Waarde Onroerende Zaak (WOZ) en de overdrachtbelasting kan de verhuismobiliteit worden verhoogd en de verkeersmobiliteit worden verlaagd.

 

Het is de ultieme rol van de democratie om vanuit verschillende opvattingen tot ’een min of meer gedeeld wereldbeeld te komen. In plaats van het polariseren en het uitvergroten van de verschillen, gaat het daarbij juist om het vinden van de samenhang. Vanuit alle waardeoriëntaties moet aan die samenhang worden bijgedragen. Door geen bijdrage te leveren wordt de ontwikkeling opnieuw eenzijdig en zijn de eerste stappen naar de volgende ontsporing alweer gezet. Een uitgesproken doelstelling maakt een betere en tijdige sturing mogelijk, waardoor het makkelijker wordt om te midden van de destabiliserende krachten het evenwicht te bewaren.

 

Vanuit dit inzicht kunnen overigens bij de huidige kabinetformatie de nodige vraagtekens worden gezet. Meerderheidscoalities en zeker minderheidscoalities zijn niet meer tegen de huidige maatschappelijke situatie opgewassen. Zij zoeken niet naar het midden maar belichamen een uitgesproken eenzijdigheid en bedrijven noodzakelijkerwijze machtspolitiek. Terwijl juist het vertrekpunt voor regeringsbeleid het min of meer gedeelde mens- en wereldbeeld zou moeten zijn, waarin bijna elke wereldbeschouwing en levensstijl zich gezien en erkend kan weten.

De tegenstellingen in waardeopvattingen die onder de bevolking leven moeten links- of rechtsom overbrugd worden. Dat kan op straat, dat kan in de daartoe in het leven geroepen volksvertegenwoordiging of in het kabinet. Dat laatste verdient sterk de voorkeur en daarom zou zo’n kabinet een evenredige afspiegeling behoren te zijn van de Tweede Kamer zelf. Zo’n ‘kamerbreed’, kabinet zou een eind kunnen maken aan de slingerkoers die al eeuwenlang van de ene rampspoed tot de volgende leidt, en een ontwikkeling in gang kunnen zetten die eindelijk ‘duurzaam' mag heten.

 

 

 

KADER

Klaas van Egmond is faculteitshoogleraar Geowetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Hij was voorheen directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau. De tekst van dit artikel is goeddeels gebaseerd op zijn boek ‘Een Vorm van Beschaving’ (Christofoor, Zeist 2010).