Vrijheid in verbondenheid

Vrijheid in verbondenheid

Job Cohen en James Kennedy over burgerschap, religie en rechtsstaat

 

Job Cohen

Binden

2010

Amsterdam: Bert Bakker

253 p.

 

James C. Kennedy

Bezielende verbanden

Gedachten over religie, politiek en maatschappij in het moderne Nederland

2010

Amsterdam: Bert Bakker

300 p.

 

 

 

 

 

Door Geert Jan Spijker

 

Het zou zo maar kunnen dat na de komende verkiezingen de PvdA de grootste partij van Nederland is en Job Cohen premier van Nederland gaat worden. Wat is zijn visie? Met Binden legt hij zijn kaarten op tafel. Vrijheid is een kernthema, maar hij benadrukt dat die juist nu beperking behoeft. Cohen probeert uitwassen te bestrijden zonder de schijn te wekken de ‘verworvenheden’ uit de jaren ‘60 op het spel te zetten. Ook ten aanzien van religie manoeuvreert hij voorzichtig. Hij wijst op het nut van religie, maar stelt ook uitdrukkelijk: “Zelf heb ik niets met geloof.” Hoe wil hij de boel bij elkaar houden?  

 

De rechtsstaat bindt

Wat opvalt in deze bundel lezingen is dat Cohen voortdurend waarden van de Verlichting en de jaren zestig – autonomie, secularisering, individualisering – waardeert, maar tegelijkertijd constateert dat ze zijn doorgeslagen en vervelende neveneffecten vertonen. Voorbeeld: individualisering was bevrijdend, maar Nederland is nu wel “los zand” (14) en er is nauwelijks meer sociale controle. We moeten daarom opnieuw nadenken over gemeenschap, over waarden en normen. Cohen neemt daarbij de democratische rechtsstaat als uitgangspunt. Die bindt ons en biedt de ondergrens. Gedogen is daarbij verleden tijd; het gaat om handhaven en toezicht, duidelijke grenzen stellen. “Dan maak je het speelveld duidelijker.”(15)

Maar hoe duidelijk is Cohen? Over drugsbeleid zegt hij dat het veel heeft opgeleverd (namelijk minder slachtoffers), maar dat de industrie in criminele handen terecht is gekomen. “Dat heeft een verwoestend effect op het klimaat in stad en land. Dat is lang niet gezien, net zoals men niet gezien heeft dat legale prostitutie bepaald geen eind heeft gemaakt aan uitbuiting en vrouwenhandel.”(17) Vervolgens: “Het is niet de bedoeling dat het Red Light District om zeep geholpen wordt, maar het moet wel passen in onze samenleving.” Een beetje “naïef”, geeft hij toe: “Natuurlijk, het is een wensgedachte wanneer je denkt dat prostitutie voor iedereen ooit een vrije, individuele keuze zal zijn.”(18) Kortom, duidelijk is niet zo duidelijk. Er blijkt toch een schemerzone als grenzen gesteld moeten worden.

 

Ruimte voor verschil: Cohen vs. PvdA

Binnen het speelveld van de rechtsstaat krijgt iedereen de ruimte, aldus Cohen. Democratie moet worden ingeperkt door de rechtsstaat, die juist minderheden beschermt. Een belangrijke en terechte notie, lijkt mij. Meer gemeenschap dan deze rechtsstaat biedt, moeten we misschien niet verlangen. Zeker nu er voor het eerst in Nederland een heuse meerderheid is, namelijk een blanke, seculiere. Cohen: “Het is goed om in gedachten te houden dat het uiteindelijk (…) de meerderheid is die bepaalt hoe ver de integratie van minderheden in de samenleving gaat en niet andersom zoals vaak wordt gedacht.”(79) En verderop: “Het nieuwe, ongeschreven principe van integratie dat bovendien nogal eens trekjes wil krijgen van assimilatie, gaat niet boven de in onze Grondwet neergelegde vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs.”(196) Cohen wijst op het verlies (sinds de jaren zeventig) van het vermogen om met verschillen om te kunnen gaan. Lovenswaardig, maar helaas is het Cohen niet gelukt deze lijn van kritiek op gelijkheidsideologie door te zetten in het PvdA-verkiezingsprogramma (zie bijvoorbeeld de acceptatieplicht van scholen). Cohen benadrukt dus ruimte voor religieuze verscheidenheid. Als pragmaticus en realist ziet hij dat wereldwijd godsdiensten (met name het christendom) groeien, en dat dat ook in zijn stad kan gebeuren. Hij ziet dat religie een dynamische kracht is die ‘werkt’ voor haar gelovigen – iets wat Cohen op zichzelf niet “gelukkig” maakt.

 

Binding zonder bezieling

Bovendien: secularisatie leidde tot een “vacuüm op het gebied van het uitdragen en overbrengen van waarden en normen – traditioneel het domein van kerk en geloof. Tot nu toe is geen enkele andere instantie of autoriteit erin geslaagd om dit vacuüm op te vullen.”(38) Religie kan helpen de boel bij elkaar te houden. ‘Religare’ duidt niet voor niets op verbinding. Dat geldt vooral binnen een religie, maar ook daarbuiten, als bijvoorbeeld kerkleden actief zijn in hun wijk.

Waar staat de PvdA zelf? Het Beginselmanifest houdt het op een ‘vrijzinnige moraal’, maar wat die precies inhoudt wordt niet verder uitgewerkt. Loze woorden, vreest Cohen daarom. Uitwerking is echter wel nodig, want juist bij de grote vraagstukken – zoals milieu, armoede, en vrijheid – hebben we een moreel kompas nodig. En dat mist nu juist bij de PvdA, zegt hij zelf. Begrippen als gerechtigheid en solidariteit, afhankelijkheid en dankbaarheid hebben alle “religieuze connotaties”, niet vreemd dus om die weer eens te bestuderen. (202)

Cohen vindt dat tegelijk maar moeilijk. Hij gaat uit van de Verlichting – benadrukt hij keer op keer - en de seculiere staat. Maar dat is te mager, vindt hij zelf ook. “Intellectuelen verwijzen (…) graag naar de Verlichting, (…) maar in de praktijk komt dat eerder neer op een opsomming van vrijheden, dan op enige verantwoordelijkheid, grondplichten of gedragsregels, waar ook anderen houvast aan zouden kunnen hebben.”(41) Binding zonder bezieling.  

 

Overheid en burgerschap

Naar goedlinkse gewoonte kijkt Cohen voor oplossingen vooral naar de overheid. Die moet concepten van burgerschap ontwikkelen. Burger is niets anders dan “vertrouwen in elkaar als burgers van dezelfde gemeenschap: dorp, stad of land.” Centraal daarbij staat dat we ons houden aan de wet, betrokkenheid tonen bij de publieke zaak, actief zijn in de civil society, ons houden aan fatsoensnormen.

Iemand die minder van de overheid verwacht en juist meer van de burger is James Kennedy. Als echte Amerikaan benadrukt hij de kracht van individu en samenleving. Bij burgerschap gaat het niet alleen over plichten, maar ook over rechten. In Bezielende verbanden toont hij zich een relatieve buitenstaander die met een verfrissende blik heden en verleden weet te verbinden. Hij heeft veel waardering en aandacht voor christendom en kerk, maar combineert dat met sympathie voor het recente ‘progressieve’ verleden. Tegelijk beklemtoont hij dat in Nederland de elite wel heel makkelijk meeging met de ontwikkelingen vanaf de jaren ‘60. Met een retoriek van vernieuwing werden veel culturele ontwikkelingen toegestaan of bevorderd. Men sprak van ‘onvermijdelijke ontwikkelingen’, ‘de tijdgeest’ en ‘de eisen van de tijd’. Kortom, een onpersoonlijke macht die vooruitgang nodig maakte en ervoor zorgde dat niemand verantwoordelijk was.

 

Vrijheid als worsteling

Net als Cohen bepleit Kennedy veel ruimte voor religie. Hij heeft een voorliefde voor diversiteit. “Niet alleen pragmatische overtuigingen, maar ook godsdienstige motieven dreven veel Nederlanders ertoe om andersdenkenden te herkennen als schepselen Gods. Ondanks de belangrijke verschillen van inzicht en geloof, waren zij ervan overtuigd dat zij anderen vriendelijk moesten bejegenen.”(38) Die ruimte voor verscheidenheid staat nu op het spel. Kennedy vreest een progressieve meerderheidscultuur die haar waarden oplegt aan de rest en zelf tolerantie gaat definiëren (227). Hij hoopt dat Nederland zich zal laten inspireren door het eigen erfgoed. En, enigszins geheimzinnig: “Nieuwe inspiratie voor tolerantie is niet te vinden in het centrum van de Nederlandse samenleving, maar in de marges.”(235) Vrijheid is een voortdurende worsteling, iets dat je samen maakt (243).

 

Orde en eenstemmigheid

Nederland lijkt vrijheidslievend en libertijns, maar er is veel behoefte aan orde en begrenzing, valt hem als Amerikaan op. De politieke elite wil graag vooruitgang, maar weet zich daarbij geen raad met de burger. Goed bestuur is het belangrijkst, men wil geen gekrakeel. Een goed politiek systeem is belangrijker dan het uitvoeren van de wil van de burger (183). Politici moeten echter leren een kritische en opbouwende dialoog aan te gaan met het volk (19). Dat vindt Nederland echter moeilijk: zelfs bij de WMO hinkt de overheid op twee gedachten en durft de overheid niet echt verantwoordelijkheden over te dragen aan burgers (272). De overheid vertrouwt de gewone man niet helemaal en dit houdt de kloof tussen elite en burger in stand. “Het Nederlandse politieke systeem is gebaseerd op een hoog niveau van vertrouwen, met één uitzondering: het predemocratische principe dat het volk niet teveel macht moet krijgen.”(205) Kennedy vindt dat de politicus zich meer moet beschouwen als burger, iemand die in dienst van de samenleving staat. Maar hij moet tegelijk wel iemand zijn met duidelijke principes en ideologische herkenbaarheid alsmede een optimistischer zelfbeeld (195). Dat is belangrijker dan allerlei overhaaste institutionele vernieuwingen.

 

Tussen vrees en hoop

Kennedy vult Cohen mooi aan. Allereerst met zijn nadruk op een sterke burger en een vrije samenleving, maar ook met zijn positievere kijk op het christelijke verleden (en heden!) van Nederland. Waar Cohen sterk inzet op Verlichting en seculiere vrijzinnigheid, steekt Kennedy een spade dieper als het gaat om de verworteling van onze rechtsstaat.

Nederland bevindt zich in “beslissende jaren”, aldus Kennedy (22). In deze fase heeft Nederland meer behoefte aan verstandige opiniemakers dan aan populistisch gekrakeel. En in tijden van vervreemding en crisis is goed bestuur, met oog voor principiële verscheidenheid, geen overbodige luxe om de boel bij elkaar te houden.