Van de marge naar de macht

Christelijke navolging in de politiek

Met vallen en opstaan

 

Kader:

Joop Hippe & Gerrit Voerman (redactie)

Van de marge naar de macht – de ChristenUnie 2000 – 2010

Amsterdam: Boom 2010

ISBN: 9789085069386

 

 

Door Gert-Jan Segers

 

Stel je voor dat Nederland het tot nu toe zonder een partij als de ChristenUnie had moeten stellen. En stel dat in die situatie de vraag zou worden gesteld wie zich zou willen inzetten voor de oprichting van een christelijk-sociale partij, een partij die met duizenden leden en honderden lokale en landelijke vertegenwoordigers invloed zou moeten uitoefenen op het bestuur van ons land. Hoeveel van de huidige leden, politici en bestuurders zouden dan hun vinger opgestoken hebben? Ik vermoed dat veel CU’ers hoofdschuddend zouden hebben gezegd dat zo’n onderneming, in een geseculariseerd land als het onze, eigenlijk onbegonnen werk was. Het feit dat er desondanks vandaag een ChristenUnie is zoals die er is, hebben we te danken aan voorgangers die het onbegonnen werk toch ooit zijn begonnen. Dat besef stemt mild bij het onder ogen zien van de geschiedenis van de ChristenUnie en haar voorgangers. Want aan hen hebben we veel te danken en op hun schouders staan we.

 

Bijzondere mensen, die gereformeerden

Mildheid is zeker nodig als je in de bundel ‘Van de marge naar de macht – de ChristenUnie 2000 – 2010’ leest via welke kronkelwegen we in de huidige situatie zijn aanbeland. De zeer lezenswaardige bundel trapt af met twee boeiende beschrijvingen van beide voorlopers, GPV en RPF, van de hand van respectievelijk Ewout Klei en Remco van Mulligen. In mijn eigen herinnering was het GPV een toonbeeld van stabiliteit en bezonkenheid, maar wie het hoofdstuk van Klei heeft gelezen weet wel beter. De geschiedenis van het Verbond is getekend door kerkelijke strijd (in 1944 en 1967), wisselend en vooral bescheiden electoraal succes en stevige discussies over samenwerking met niet-vrijgemaakte christenen en andere partijen. Het GPV was onlosmakelijk verbonden met de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt en haar belijdenis. Daarom bleven niet-vrijgemaakten buiten de partij en kwam de samenwerking met SGP en RPF slechts schoorvoetend tot stand. Lange tijd werd gesteld dat het getuigenis van een ‘interkerkelijke lijst’ onzuiver was en werden de avances van de RPF vanwege de binding aan de gereformeerde belijdenis niet beantwoord. De enorme inzet van een relatief kleine groep voor een bescheiden partij en de grote vasthoudendheid aan de grondslag typeert gereformeerden. Het is die ongeëvenaarde, gereformeerde inzet die heeft gezorgd voor de stichting en groei van menig christelijke organisatie. Maar het zijn ook alleen gereformeerden die zo snel en uiteindelijk ook zo soepel overstag kunnen gaan. Want in Klei’s hoofdstuk wordt duidelijk dat tot 1998 het GPV fier overeind stond en er nog steeds warme woorden klonken over de binding aan de gereformeerde belijdenis. Hoe is het dan mogelijk dat de ChristenUnie daarna zo snel zo vanzelfsprekend werd? Een verklaring daarvoor is dat gereformeerden niet alleen hartstochtelijk hun zaak kunnen bepleiten, maar na stemming over de zaak ook als geen ander de uitkomst daarvan kunnen aanvaarden. Waar in de hervormde kerkcultuur doorgaans gestreefd wordt naar consensus en daarom besluitvorming vaak traag en onduidelijk verloopt, daar kennen gereformeerden een stevige debatcultuur met formele en heldere besluitvorming als de finale. Daarna voeg je je naar het oordeel van de meerderheid, of splits je je af. Zo is de laatste voorman van het GPV, Gert Schutte, openlijk kritisch geweest over een mogelijke fusie met de RPF (“vrijwillige armoede”), maar heeft hij na het daartoe genomen besluit geen onvertogen woord over het bestaan van de ChristenUnie gezegd. Hij heeft zich als een gereformeerd man gevoegd.

Die bijzondere, gereformeerde loyaliteit blijkt ook uit het feit dat in de voor de ChristenUnie donkere jaren van 2002 en 2003 juist voormalige GPV’ers trouw bleven, terwijl vooral ex-RPF’ers op Balkenende stemden. Uitgerekend GPV’ers die zich zolang verzet hadden tegen een interkerkelijke partijformatie bleken de mensen van stavast. En uitgerekend veel aanhangers van de RPF, de voorvechter van eenheid, liepen weg toen het moeilijk werd. In de bundel valt hier en daar te lezen dat de ChristenUnie meer op de RPF dan op het GPV lijkt. Hoewel daar veel op af te dingen valt, moet in ieder geval gezegd worden dat het voor een belangrijk deel vrijgemaakten zijn die de organisatorische ruggengraat van de ChristenUnie vormen en de partij overeind hielden toen er in 2003 nog maar drie kamerzetels over bleven. De aanloop naar en het begin van de ChristenUnie laten zien dat gereformeerde gelovigen misschien soms lastige mensen zijn, maar dat je er uiteindelijk wel van op aan kunt. Bijzondere mensen, die gereformeerden.

 

Mensenwerk

De wegen van de RPF tussen oprichting en totstandkoming van de ChristenUnie zijn zo mogelijk nog kronkeliger geweest dan bij het GPV. Lang heeft de Federatie een ongemakkelijke en aangevochten positie gehad tussen het nieuwe CDA en de oudere SGP en GPV. De RPF was de vluchtheuvel voor ontheemde ARP’ers, verweesde ex-vrijgemaakte GPV’ers en Hervormden die zich bij de theocratische SGP niet thuis voelden. Remco van Mulligen laat in zijn bijdrage zien dat zij eigenlijk vooral wisten wat ze niet wilden, maar er tegelijk lang niet altijd over eens waren waarvoor de RPF wel moest staan. Moest het een beweging of een echte partij worden? Moest de nadruk liggen op het getuigenis in de politiek of op een zakelijke aanpak? Na een mislukte poging in 1977 behaalde de RPF met Meindert Leerling in 1981 twee zetels. Dat succes was ook direct het begin van een grote crisis. De verschillende antwoorden op de genoemde vragen en de botsing van persoonlijkheden zorgden voor een pijnlijke breuk tussen de kamerleden Leerling en Wagenaar. Pas in de jaren negentig komt de RPF die weer echt te boven. De partij krijgt verder inhoudelijk profiel via het Wetenschappelijk Instituut onder leiding van André Rouvoet en Roel Kuiper en door de groei naar drie kamerzetels in 1994. Die ontwikkeling naar een zelfbewuste en soms eigenzinnige christelijk-sociale partij zette de verhoudingen met SGP en GPV ook wat meer op scherp. Hier was sprake van een partij die wilde groeien, het verschil wilde maken, nieuwe groepen wilde aanspreken, maar – zeker in de ogen van SGP en GPV – ook weleens een uitglijder maakte.

 

GPV, RPF, SGP

In het hoofdstuk van Joop Hippe en Gerrit Voerman over de samenwerking tussen SGP, GPV en RPF wordt inzichtelijk beschreven wat de partijen in elkaar aantrok en wat hen van elkaar afstootte tussen 1975 en 2000. De partijen herkenden elkaar in het streven naar politiek bij een open bijbel en die herkenning werd groter naarmate de omgeving seculierder werd. Ook al bleef de electorale positie van de drie partijen stabiel (in tegenstelling tot de partijen die opgingen in CDA en GroenLinks), de gevoelens van marginalisering namen met de ontkerkelijking sterk toe. Tegelijk waren er fundamentele verschillen tussen de partijen inzake de positie van de vrouw, de visie op de overheid en de rol van de belijdenis. Het zijn juist de verschillende posities bij deze onderwerpen die RPF en GPV uiteindelijk steeds meer naar elkaar toe dreven terwijl die ondertussen de afstand tot de SGP groter maakten. Aan beide zijden van de groeiende kloof werd het standpunt over de positie van de vrouw aangescherpt. Waar ik zelf heb meegemaakt dat in de jaren tachtig een lokale lijst van de drie partijen door een vrouwelijke GPV’ster mocht worden aangevoerd, daar werd daar later door de SGP geen toestemming meer voor gegeven. Aan deze zijde van de kloof werden steeds meer vrouwen actief en verdween de bereidheid om hen omwille van de SGP niet op een verkiesbare plaats op de lijst te zetten. Bovendien stond de theocratische SGP ook tegenover de RPF en het GPV wanneer het ging om de onderscheiden verantwoordelijkheden van kerk en staat. En tegelijk werd in vrijgemaakte kring steeds kritischer gekeken naar de kerkelijke binding van organisaties zoals het GPV. Ook die veranderingen leidden tot toenadering tussen GPV en RPF. Die kreeg vooral plaatselijk via gecombineerde lijsten steeds meer vorm.

 

Eerste geboortewee

Maar dat de toenadering tussen RPF en GPV heel wat meer was dan alleen maar een ideologische toenadering, wordt duidelijk in de daarop volgende bijdrage van Joop Hippe. Christelijke politiek mag dan veel waarde hechten aan grondslagformuleringen, het blijkt uiteindelijk toch echt mensenwerk te zijn. Het hoofdstuk van Hippe is voor mij als wandelen in mijn eigen geschiedenis, omdat ik in de jaren voorafgaand aan de totstandkoming van de ChristenUnie beleidsmedewerker bij de RPF-fractie was. Als ooggetuige heb ik gezien wat Hippe adequaat beschrijft: een aanvallende RPF en een verdedigende GPV op weg naar nauwere samenwerking. Vooral RPF-voorman Leen van Dijke bleef hameren op de noodzaak van een nieuwe partijformatie, terwijl het de politieke stijl van diezelfde Van Dijke was die de GPV’ers soms deed aarzelen. De soms moeizame besprekingen tussen de beide partijen en het debat binnen het GPV leidden uiteindelijk in 1996 tot het cruciale ‘dubbelbesluit’. De partijen zouden in 1998 nog apart de verkiezingen ingaan, maar daarna zouden de officiële besprekingen met de RPF beginnen. Dat besluit is te typeren als de echte eerste geboortewee van de ChristenUnie. Via een verloving in 1997, een gezamenlijk manifest van Schutte en Van Dijke in 1998, het rapport van de Commissie Samenspreking in datzelfde jaar en interne partijdebatten in 1999 werd in 2000 de ChristenUnie geboren. Het taaie proces laat zien dat christelijke partijvorming mensenwerk is.

 

Loutering

Ook de periode erna blijft de onderneming van de ChristenUnie er een van vallen en opstaan. In de elders al uitgebreid besproken eerste periode wordt het leiderschap van Kars Veling geen succes en verliest de ChristenUnie ook in 2003 een zetel. De partij bevindt zich dan – electoraal en financieel – op de bodem van haar bestaan. Het is een periode van loutering die – achteraf gezien – nodig was om van een fusiepartij een partij met een eigen gezicht te worden. We zijn aanbeland in een periode waarin kerklidmaatschap en politieke afkomst nauwelijks nog een rol spelen binnen de ChristenUnie. Het pijnlijke en soms ruwe proces was de nawee van de eenwording, het definitieve afscheid van de twee oude partijen en het echte begin van de ChristenUnie. Het is goed dat er recent excuses zijn uitgesproken richting mensen die in die periode beschadigd zijn en het is heilzaam om zo om te kijken en ons te blijven realiseren dat christen-politici net mensen zijn. Maar dat de ChristenUnie uiteindelijk een effectief middel is geworden waardoor veel christenen medeverantwoordelijkheid voor het bestuur van dit land kunnen dragen, tot in de Trêveszaal aan toe, laat zien dat God ook taaie politieke samensprekingen en een lastige start van de nieuwe partij laat meewerken ten goede.

 

Waarheen gaat gij, ChristenUnie?

De laatste vraag die in de bundel op verschillende plaatsen wordt gesteld betreft de koers van de partij. In de prikkelende bijdrage van George Harinck en Hugo Scherff plaatsen zij vraagtekens bij de basisdocumenten van de partij die zeggen te streven naar een “christelijke overheid.” Dit is “oude wijn in nieuwe zakken.” De vernieuwing waar de ChristenUnie voor staat, zou ook moeten betekenen dat ze haar uitgangspunten herziet, want wat de ChristenUnie wil, ligt wel heel ver af van de “huidige toestand in Nederland” met een “seculiere overheid.” Hier is volgens de auteurs sprake van achterstallig onderhoud. Roel Kuiper en ondergetekende hebben in het Reformatorisch Dagblad (4 en 12 februari jl.) al gereageerd op deze uitdaging. Kortheidshalve vermeld ik hier dat het spreken over de ‘christelijke staat’, zoals vooral gebezigd binnen het GPV, al voor de start van de ChristenUnie kritisch is heroverwogen in publicaties van onder meer Arnold Poelman en Rienk Janssens. Wanneer de ChristenUnie spreekt van een christelijke overheidsidee doelt ze niet op een ”christelijke staat”, zoals Harinck en Scherff willen lezen, maar een overheid die zich in haar beleid laat normeren door Bijbelse inzichten over mens en samenleving. Politiek is altijd de strijd van visies en levens- en wereldbeschouwingen om de inrichting van de samenleving. Het democratisch proces ordent die strijd. Maar het komt er wel op aan die strijd in te gaan met een heldere inzet. Die inzet beschrijft de ChristenUnie in haar Kernprogramma en wil een voluit christelijke zijn. Dat neemt niet weg dat als de huidige formulering van het Kernprogramma voor verheldering vatbaar is, de ChristenUnie dat zeker niet moet nalaten.

 

Ook Hans Vollaard behandelt de vraag hoe de ChristenUnie zich staande houdt in een tijd waarin de getalsmatige relevantie van het christendom voor politiek en bestuur afneemt. Hij concludeert terecht dat een cultuurchristendom geen basis biedt voor een  verbreding van de ChristenUnie. Dat heeft alles te maken met het feit dat de ChristenUnie staat of valt met de mogelijkheid om politiek bij een open bijbel te bedrijven. Daar klopt het hart van de partij en haar leden. En daarmee staan de huidige vertegenwoordigers inderdaad op de schouders van al die voorgangers die over al die kronkelwegen hetzelfde doel nastreefden. Want dat is waar de ChristenUnie en haar voorgangers voor stonden en staan: politiek van navolgers van Christus. Met vallen en opstaan.

 

 

KADER:

Gert-Jan Segers is directeur van het WI.