Nederlandse democratie

Nederlandse democratie

 

Nederlandse democratie, historische en sociologische waarnemingen

J.A.A. van Doorn

576 pagina's

ISBN 978 90 5330 609 3.

Ramsj E 7,90

 

Door Herman Sietsma

 

 

In 2008 overleed de socioloog J.A.A. van Doorn. Geboren in 1925 moest hij na de Tweede Wereldoorlog als dienstplichtige naar Indonesië; hij promoveerde in 1956 op een organisatiesociologisch onderwerp en werd daarna een productief wetenschapper en publicist, onder andere met zijn klassieker Moderne sociologie (met C.J. Lammers). Een aantal van zijn essays is nu samengebracht onder de titel Nederlandse democratie, Historische en sociologische waarnemingen, door Jos de Beus en Piet de Rooy.

 

Grote breedte en diepte

De bundel is ingedeeld in een vijftal delen over respectievelijk de (internationale) rol van ons land, de periode van de Koude Oorlog, de crisis van de verzoringsstaat, de verhouding tussen kentering en continuïteit in de Nederlandse politiek en een afsluitend deel waarin een balans wordt opgemaakt van de twintigste eeuw.

Het werk van van Doorn is van een grote breedte èn diepte. Talloze onderwerpen uit de nationale en internationale samenleving heeft hij beoordeeld en geanalyseerd. Volgens eigen zeggen is zijn erfenis “een merkwaardig mengelwerk waarin geen vaste lijn te vinden en waarop geen peil te trekken is”. Maar een rode draad in zijn werk is wel te ontdekken: het gaat vooral om de relatie tussen (statelijke) organisatie en macht.

 

Tegen linkse massadwang

In politiek-maatschappelijke zin richtte hij zich aanvankelijk op het vrijzinnige personalisme in de Partij van de Arbeid, maar vanaf de jaren zeventig – over het kabinet Den Uyl was hij zeer negatief - nam hij hiervan afstand. De revolte van de jaren zestig had hij aan den lijve ervaren in het academische milieu en ze deed hem denken aan die andere revolte van de jaren dertig in Duitsland. Hij moest er niets van hebben en ervoer de linkse massadwang aan de universiteiten als onwaarachtig en gevaarlijk.Voor het socialisme behield hij overigens een bijzondere fascinatie, omdat deze stroming volgens hem de belangrijkste ideologie is geweest in de ontwikkeling en legitimering van de volksvertegenwoordiging en politieke instituties.

Hij werd conservatief; niet uit reactie op een onverwerkt links verleden -laat staan in de zin van de neo-conservatieven zoals die rond 2000 opkwamen- maar als authentiek antwoord op de kwetsbaarheid van de menselijke beschaving. Prudentie in plaats van revolutie, de nadruk op kwetsbaarheid van de democratie in plaats van de maakbaarheid, en respect voor traditie en instituties in plaats van minachting ervan. Dat deze invalshoek niet leidde tot conformisme aan de macht blijkt uit zijn vroegtijdige aandacht voor kwetsbare groepen zoals de Palestijnen en de zwarte jeugd van Zuid-Afrika.

 

Een drietal lijnen in zijn werk zijn nauw verbonden met zijn eigen geschiedenis:

*zijn ervaringen in Indonesië en de naweeën van de politionele acties, die hem gereserveerd deden staan tegenover internationale interventie in gewapende conflicten;

*de culturele revolutie van de jaren zestig, die hem uiteindelijk tot herwaardering van de staatsonthouding en het conservatisme bracht;

*zijn afkeer van de linkse greep op de samenleving die hij in de crisis van de verzorgingsstaat analyseerde.

De breedte van het werk van van Doorn dwingt in een bespreking tot beperking. Ik stip enkele thema’s uit zijn werk aan.

 

Conservatief

Nederland ontbeert, anders dan andere Europese landen, een herkenbare partijpolitieke conservatieve stroming. De kwalificatie ‘conservatief’ heeft bij ons ook nog steeds een negatieve connotatie; wie wil nu niet ‘vooruit’? Van Doorn durfde zich evenwel conservatief te noemen in een tijd dat deze negatieve uitstraling nog sterker gold dan vandaag.

Van Doorn noemt het conservatisme, waartoe hij zich rekende, een directe reactie op de geest van de Verlichting. De kern van het conservatisme, zo stelt hij, is zeker niet behoudzucht; dat is slechts een leeg begrip. Conservatisme stelt continuïteit boven discontinuïteit, realiteit boven idealen, het gegroeide boven de constructie, het concrete boven het abstracte en de levenservaring boven de school. Conservatisme wil uitgaan van de stelling dat mens en maatschappij imperfect zijn en niet maakbaar zijn door perfectionering.

 

Gezonde scepsis

We herkennen hier de gezonde scepsis die ook de christelijke politiek kenmerkt. Anti-revolutionaire politiek is vanouds gericht geweest tegen de geest van de revolutie, zoals die uit de Verlichting was geboren en via staatsmacht een omkering in de maatschappij bewerkstelligde. Antirevolutionaire politiek was geen restauratieve of contrarevolutionaire politiek, in die zin dat slechts een terugkeer naar voor-revolutionaire tijden inclusief hun machts- en bezitsverhoudingen werd nagestreefd. (Toegegeven moet wel worden dat sommige antirevolutionairen daarin duidelijker en consequenter hadden kunnen zijn – ik denk hier aan bepaalde aspecten in het vroegere werk van de grote Groen van Prinsterer waarin de invloed van Von Haller zichtbaar was, aan de gevolgen van de organische visie van Abraham Kuyper en aan volgelingen zoals Fabius en anderen.) Maar met respect herinner ik me de manier waarop A.J. Verbrugh de organische visie van Kuyper hekelde die, naar zijn zeggen, het risico liep dat de overheid “belangstellend observeerde wat er aan het groeien was”, in plaats dat ze zelf haar verantwoordelijkheid nam. De kern van het antirevolutionaire denken is namelijk de strijd tegen wetteloosheid en materialisme, niet behoud van het bestaande.  

 

Christelijke politiek is niet conservatief

Vanuit de christelijke en antirevolutionaire politiek wordt de maakbaarheid van de samenleving in sociale en sociaal-economische zin evenzeer bestreden als door de conservatief. Ze erkent immers de eigen vrijheidssfeer van de burgers. Maar anti-revolutionaire politiek is geen conservatieve politiek, omdat ze naast de nadruk op het beproefde en gegroeide een krachtiger dynamische ambitie heeft. De maatschappelijke en economische orde zijn voor de christen-politicus niet maatgevend omdat ze bestaan, maar slechts voorzover ze ruimte geven aan de kernfunctie van de overheid, namelijk het beschermen van burgers, het in staat stellen van de burgers om aan hun roeping te beantwoorden en om zelf als dienares Gods ook in het publieke domein de Schepper te eren. En als het bijvoorbeeld gaat om het domein van de collectieve ethiek –zoals de staat die vastlegt in wetgeving- kan de christenpoliticus van vandaag bij uitstek progressief genoemd worden, omdat hoger gegrepen wordt dan de meetlat van de huidige ethische en wettelijke normen.

 

Liberaal

Naar eigen zeggen is van Doorn nimmer lid geweest van een politieke partij. Toch valt goed te begrijpen waarom hij, met zijn ervaringen met en visie op de revolte van de jaren zestig –hij noemt het de “ontaarding van het solide, burgerlijke socialisme van gisteren in een agressief utopisme van vandaag” - zich vooral thuis voelde in de liberale staatsopvatting.

Interessant in dit verband is het essay Schets van de Nederlandse politieke traditie (1996), dat hij schreef met de Beus en de Rooij. Hierin worden overeenkomsten tussen de drie grote politieke stromingen beschreven: het liberalisme, het socialisme en de confessionele stroming. Van Doorn hecht terecht grote betekenis aan de betekenis van de zuilen die het Nederlandse politieke systeem fundeerden, al is zijn Verzuiling: een eigentijds systeem van sociale controle (uit 1956) duidelijk over de (potentieel) verstarrende werking die van gebureaucratiseerde verzuilde instituties kan uitgaan. Een opmerkelijk scherpe en vroegtijdige waarneming van een verschijnsel dat pas enkele decennia later breed als probleem is geagendeerd!

Hij toont aan dat het Nederlandse liberalisme in het algemeen uitging van de idealen van de Verlichting en de Franse Revolutie, al was Thorbecke meer Duits dan Frans georiënteerd. Mede daardoor was hij, net zoals het Nederlandse negentiende-eeuwse liberalisme, meer gericht op het organische in de staat dan op het atomistische en radicaal-individuele van de Franse Verlichting, al houdt Thorbecke afstand tot de romantische gemeenschapsidee van de Duitse staatsfilosofie van de negentiende eeuw.  

 

Belast verleden

Indrukwekkend vind ik het essay Belast verleden, dat gaat over de verwerking van de nationale oorlogstrauma’s uit Duitse en Indonesische tijd. Het bevat een spannende benadering van de rol van de moraal in retroperspectief. In welke mate mag de rol van  betrokkenen in een crisis  beoordeeld worden met de kennis van vandaag? Kan geschiedbeschouwing samengaan met moraal? In welke mate kan de beleving van het verleden dienen als les voor de toekomst?

De vraag kan worden uitgebreid: naast het oorlogsverleden is er de nationale achttiende- en negentiende-eeuwse hypotheek van de slavernij, het kolonialisme en het imperialisme. Van Doorn wijst op het gevaar van morele arrogantie en –verrassend- ook op de bijbelse waarheid dat in ons allen een potentiële moordenaar schuilgaat omdat de mens een zwakke en zondige creatuur is, tot het kwade geneigd.

Deze waarheid geldt alle mensen. Want hoeveel goeds er te zeggen is van de inspiratie die christenen hebben ontleend aan hun geloof in de strijd tegen onrecht en geweld, velen zijn er ook onder hen geweest die geen weerstand hebben geboden aan de verleiding tot illegitieme  machtsuitoefening tijdens het kolonialisme, bij de militaire excessen in Indië, in de apartheidspolitiek.

De waarschuwing die uit dit essay oprijst is dat nationale ambities om rechtvaardigheid te planten door middel van interventies getemperd moeten worden.

 

Verdraagzaamheid als tactisch instrument

Bij beoordeling van de vreedzame veelkleurigheid in De Nederlandse samenleving (1996) bespreken van Doorn c.s. het begrip ‘verdraagzaamheid’, een begrip dat na de politieke moorden van de jaren erna in betekenis alleen maar is toegenomen. De stelling is dat verdraagzaamheid geen innerlijke deugd is maar een omgangsregel. Verdraagzaamheid, tolerantie, impliceert immers dat er een dominante opvatting of cultuur is van waaruit een afwijkende opvatting of cultuur wordt toegelaten, ‘verdragen’. Verdraagzaamheid is zo een tactisch instrument ter verzekering van de vrede.

In feite is de verzuiling van deze tolerantie een voorbeeld; men accepteert niet per definitie de gelijkwaardigheid van de ambitie van de ander, maar is bereid via de zuilen tot pacificatie te komen. Aangegeven wordt dat de verdraagzaamheid pas eindigen mag waar politieke partijen de democratie, de verdraagzaamheid, zouden willen gebruiken om de democatie zelf te vernietigen. Het is een interessante observatie in een tijd dat onverdraagzaamheid jegens een kleine christelijke partij wordt gedemonstreerd, ook waar die zich in alle opzichten voegt in bestaande democratische instituties en praktijken. 

 

Toekomst der democratie

In Het democratisch tekort (2002) wijst Van Doorn op de paradox van het onbehagen bij burgers over politiek en bestuur enerzijds en het gebrek aan politieke betrokkenheid anderzijds. Ontzuiling, ontkerkelijking, ont-ideologisering hebben geleid tot de situatie waarin de burger  toeschouwer is geworden, waarbij hij tegelijkertijd wel kwaliteit eist van het politieke bestuur. Verzelfstandiging van overheidstaken en onafhankelijke toezichthouders leiden tot verspreiding van de staatsmacht. Minder dan representatie krijgt de verantwoording de volle nadruk; personalisering en mediagebruik completeren de transitie.

Van Doorn betoogt dat deze ontwikkeling niet zozeer een legitimiteits- als wel een effectiviteitsvraag raakt. Het huidige postmoderne klimaat vraagt niet om grote verhalen, bijvoorbeeld over meer marktwerking, maar wil simpelweg dat er effectieve en efficiënte oplossingen komen.

Die stelling kan echter betwijfeld worden; de nadruk op effectiviteit kan het vacuüm van politieke articulatie mijns inziens niet compenseren. Politiek is slechts ten dele een dienstverlenend bedrijf, maar ook en vooral  positionering ten opzichte van waarden.

De Raad voor het Openbaar bestuur concludeert in zijn recente advies Vertrouwen op democratie niet voor niets dat er krachtig geïnvesteerd moet worden in vernieuwing van ons politieke systeem.

 

Schraal

Na lezing van deze bloemlezing uit het oeuvre van van Doorn resteert respect voor zijn  veelzijdigheid en vooruitziende blik. Hij toont zich een volbloed democraat en een gepassioneerd beschermer van rechten van minderheden. Maar zijn stelling dat de verzakelijking van het politieke bedrijf zal doorgaan en dat een eventuele reconstructie van partijideologieën altijd een zekere kunstmatigheid zal afstralen hoeft niet te worden gedeeld. Illustratief hiervoor is de hedendaagse kritiek op de verschillende partijprogramma’s, namelijk dat een hoofdstuk met het partijpolitieke kompas ontbreekt. De boodschappenlijstjes zijn er, maar waarheen moet het met de Nederlandse samenleving?

De oude ARP-senator Anema vertelt in Bezinning en bezieling (1946) dat hij in Weimar de erfenis van de door hem zeer bewonderde Goethe herdacht. Goethe had alles bereikt wat in menselijke zin bereikt kan worden, maar Anema realiseerde zich ineens dat hij uitsluitend in het seculiere had geëxcelleerd.

Zo is de erfenis van het liberaal-conservatisme, hoe bruikbaar veelal in praktisch opzicht, niet specifiek inspirerend voor wie een vast richtsnoer zoekt voor de democratie van morgen. Politici en overheden doen zichzelf tekort als ze in het publieke domein het doel van de wereldgeschiedenis, dat in handen is van de Schepper van hemel en aarde, geen plaats geven. In die zin is de conclusie van Van Doorn dat de overheid slechts de “aard en ontwikkeling van het maatschappelijk bestel weerspiegelt” te schraal voor een werkelijk inspirerende democratie.

 

 

KADER: Herman Sietsma is hoofdredacteur van DenkWijzer.