Het recht van allen

Recht aan allen

Tussen ruimte en richting geven

 

N.a.v.

Paul Frissen

Gevaar verplicht.

Over de noodzaak van een aristocratische politiek

ISBN: 9789055154289

293 pagina’s

Uitgeverij Van Gennep

 

 

 

Door Rienk Janssens

 

Christenen tekenen steeds vaker protest aan tegen de zogeheten seculiere ‘meerderheidsdwang’. Uit angst voor toenemende islamisering (maar niet alleen daar vanuit) zouden ook christenen slachtoffer worden van groeiende intolerantie. Uit naam van de vrijheid worden publieke uitingen van godsdienst geweerd of in elk geval met argwaan bekeken. Gaan we naar een seculiere meerderheidsdictatuur? In zijn nieuwste boek Gevaar verplicht. Over de noodzaak van aristocratische politiek biedt bestuurskundige Paul Frissen een uitweg. Maar deze is niet vrijblijvend, ook niet voor de ChristenUnie.

 

Verschil binnen perken

Nederland is een land waarin verschil en variatie lange tijd een veilige plek konden hebben. Denk aan migratiebewegingen, aan de verzuiling en aan het particuliere initiatief als basis voor veel publiekmaatschappelijke organisaties. Veel van onze instellingen (omroepverenigingen, scholen, vakbonden en welzijnsinstellingen) zijn ten diepste nog steeds vanuit die levensbeschouwelijke oriëntatie georganiseerd.

Er is ook een andere kant, die van het normerend eenheidsdenken. Ook die is niet nieuw. Verschil en variatie zijn in Nederland altijd aan grenzen gebonden geweest. Katholieken bijvoorbeeld moesten lange tijd in schuilkerken hun geloof belijden. En tot 1984 was het hun zelfs verboden om processies te houden. De negentiende eeuw was sowieso niet alleen de kraamkamer van de verzuiling, maar tevens de eeuw van uniformering en centralisering. Hervormden, afgescheidenen, katholieken en joden: alle godsdiensten werden (zij het in verschillende mate) aan nieuwe, algemene wetten en regels onderworpen.

 

Samenleving in dubio

Deze dubbele oriëntatie van eenheid en variatie is op het moment uiterst actueel en levert diverse spanningen op. Met de mond belijden we variatie, maar de daad is gewoonlijk gericht op eenheid. Zo roemen we de eigen verantwoordelijkheid, maar zijn we huiverig als die leidt tot onwelgevallige uitkomsten (een lage opkomst voor de inenting tegen baarmoederhalskanker wordt geweten aan een gebrekkige communicatie en niet aan het feit dat mensen ook andere keuzes kunnen maken). We prijzen de democratie, maar voelen ons erg ongemakkelijk als daarbinnen opvattingen worden gehuldigd die ons niet zinnen (een politieke partij met een afwijkende visie op vrouwen dan wel op moslims). We stimuleren het particuliere initiatief vanuit de civil society, maar slaan het tegelijk dood met een keur aan voorwaarden, regels en verdachtmakingen (aan welzijnswerk op godsdienstige grondslag zit een naar luchtje en kunnen we beter niet doen). De samenleving lijkt in dubio. We willen een bloeiende civil society, maar hebben tegelijk grote moeite met het accepteren van het verschil dat daarbij automatisch, ook in het publieke leven, gepaard gaat.

 

De staat van verschil

Verschil en variatie zijn thema’s die bij Paul Frissen in goede handen zijn. Zijn vorige boek De staat van verschil was volledig hieraan gewijd. Zijn voornaamste observatie toen - en hij lardeerde dat met talloze voorbeelden - was: terwijl de werkelijkheid om ons heen één grote uiting is van variëteit en diversiteit, is het overheidsbeleid vooral gericht op uniformering teneinde die variëteit aan banden te leggen. Zijn oplossing: staat en politiek moeten zo veel mogelijk ‘leeg’ zijn en wars zijn van visies op het goede leven, omdat alleen dan verschil en variëteit gegarandeerd blijven. Zijn pleidooi was mij toen sympathiek, al had ik ook de nodige kritiek.[1] Zo ging zijn betoog voorbij aan het onderscheid tussen staat en politiek (de laatste is meer dan de eerste ook uitdrukking van maatschappelijk verschil, en daarmee tevens ‘vol’ van normatieve visies op het goede leven) en was zijn boek meer analyserend dan richtinggevend van aard.

 

Een gevaarlijk ambt

In zijn nieuwste boek, Gevaar verplicht, lijkt hij zich deze kritiek te hebben aangetrokken. Als lezer moet je even doorbijten, maar dan krijg je er ook wel wat voor terug. De kern van Frissens betoog is voor wie hem kennen niet wezenlijk nieuw: vanwege zijn monopolie op belastingheffing en geweld, is de staat enerzijds een instantie die burgers bescherming kan bieden, maar  anderzijds ook of misschien wel juist een instantie waartegen burgers bescherming moeten ontvangen. Want we lijken het soms te vergeten, maar aan de staat als institutie kennen we bevoegdheden toe die we, als burgers ze zouden uitoefenen, direct als immoreel zouden kenmerken: geweld, vrijheidsbeneming, diefstal en beroving (pag. 69 en 86).

Het interessante van het boek is dat het zich op een bijzondere groep richt van wie we deze bescherming moeten ontvangen, namelijk de groep van de dienaars van de staat zelf: de politici, bestuurders en ambtenaren. In zekere zin betreedt Frissen hier het hol van de leeuw. Omdat deze staatsdienaars een dermate ‘gevaarlijk’ ambt bekleden, hebben ze ook de plicht dit ambt niet te misbruiken. Die verplichting is recht evenredig aan het ambt verbonden. Het ambt is niet iets dat je naar willekeur kunt uitoefenen of bezitten. Nee, omdat het letterlijk en figuurlijk de sleutel tot de macht is, behoor je er met wijsheid en voorzichtigheid mee om te gaan. In de woorden van Frissen: “In een democratische rechtstaat zijn de machthebbers ambtsdragers, hetgeen wil zeggen dat het ambt eerder de drager dan de drager het ambt bezit” (pag. 84). Deze simpele zin bevat eigenlijk de basis van de verdere uitwerking van het boek: het ambt van staatsdienaar is dermate gewichtig dat het per definitie begrensd moet zijn, niet alleen wettelijk maar ook in de manier waarop degenen die het (tijdelijk) mogen bekleden er in de praktijk mee omgaan. Het ambt vraagt om een aristocratische politiek van zelfbinding, terughoudendheid en bescheidenheid. 

 

Populistische bedreiging van de politiek

Die begrensde taakopvatting wordt momenteel volgens Frissen alom bedreigd. Staat en samenleving vallen in zijn ogen steeds meer samen, met als gevolg een soort interventiestaat waarin de overheid op allerlei wijzen ingrijpt in het maatschappelijk leven. Ingrijpen achter de voordeur, etnische registratie, preventieve risicoanalyses, we hebben soms geen besef hoe ver de staatsarm momenteel in het privédomein reikt. Frissen kapittelt in dit verband de traditionele partijen (ook die van het huidige kabinet die voor je het weet met de beste bedoelingen hun ideeën aan de samenleving proberen op te leggen) als ook en vooral de populistische. De hoge ambitie van de politiek krijgt met het opkomend populisme een dimensie die voor de stabiliteit van de samenleving immers gevaarlijk kan uitpakken. Zijn analyse is hier scherp en concreet. Hoewel de huidige populistische partijen nog steeds voor de parlementaire en democratische weg kiezen (alhoewel de ontoegankelijkheid om lid te worden een eerste bres is in de democratische oriëntatie), vertonen ze volgens Frissen kenmerken die, consequent toegepast, leiden naar een vorm van totalitarisme. Hun grootste probleem is immers dat ze pretenderen de wil van het volk zo eenduidig te kennen (dit naar hun zeggen in tegenstelling tot de traditionele politieke elite) dat ze die ook direct, ondubbelzinnig en daadkrachtig kunnen uitvoeren. Zíj weten wat het volk wil, of althans de meerderheid daarvan, en vanuit die wetenschap doen minderheidsopvattingen er eigenlijk niet meer toe. De dictatuur van de meerderheid is daarmee een feit.

 

Bescherming van elk minderheidsgeluid

Wat kan de ChristenUnie hier nu mee? Aan de ene kant is er de natuurlijke neiging om Frissen als bondgenoot te omarmen. Eindelijk iemand die oog heeft voor de huidige tendens om (religieuze) minderheidsopvattingen onder het vloerkleed te vegen. Eindelijk iemand – en dan ook nog niet uit de eigen kring - die zich verzet tegen de dwang naar een (seculiere) meerderheidscultuur. En deze herkenning is terecht. De auteur heeft immers inderdaad oog voor het recht van minderheidsopvattingen. Sterker nog, zo betoogt hij,“democratie gaat over minderheden, niet over meerderheden” (pag. 91). Dat is het wezenskenmerk van de democratie en dat is ook het gevaar van het huidige populisme, die immers alleen maar oog heeft voor (vermeende) meerderheidsopvattingen. Het is daarom ook dat er behoefte is aan een aristocratische politiek, die als voornaamste doel heeft het minderheidsgeluid te beschermen.

Maar wie denkt dat Frissen alleen het populisme aanpakt, heeft het mis. In feite kan immers elke politieke partij die onvoldoende oog heeft voor minderheidsopvattingen of, sterker nog, die vooral oog heeft voor zijn eigen normatieve idealen, gevaarlijke trekken vertonen. Verbindt die idealen immers met de weergaloze machtsmiddelen van de staat, en het gevaar van totalitarisme ligt op de loer. Dat geldt voor liberale idealen, socialistische maar ook voor christelijke. Een christelijke meerderheid kan, als de staatstaken onvoldoende begrensd zijn, immers evenveel schade aanrichten als een seculiere meerderheid, het ligt er maar aan vanuit wiens standpunt je het bekijkt.

 

Een terugtocht van de overheid

Mag je dan geen idealen of visies op het goede leven hebben? Jazeker wel, aldus Frissen, maar deze idealen liggen bij voorkeur buiten de sfeer van de politiek. Waar de auteur naar toe wil, is een veel duidelijker onderscheid tussen politiek, publiek en privaat. Privaat is het domein van de eigen vrijheid, van het recht om eigen keuzes te kunnen maken, los van de opvattingen van de omgeving (het recht bijvoorbeeld om niet te werken, om thuisonderwijs te volgen, om geen actief burger te zijn). Publiek noemt Frissen het domein van de meervoudigheid, van de verschillende waarden en opvattingen over hoe je publieke belangen zou kunnen vormgeven. In het publieke domein hoeft de politiek of de staat nog niet in beeld te zijn (en juist Nederland is daarvan met zijn oorspronkelijke particuliere welzijn- en onderwijsorganisaties een mooie illustratie). De meervoudigheid wordt pas politiek als er strijd ontstaat over hoe we die uiteenlopende waarden collectief willen maken, dat wil zeggen via de staat (bijvoorbeeld via de verdeling van belastinggeld) willen verwezenlijken en misschien zelfs wel aan anderen willen opleggen.

In de ogen van Frissen is het allesbehalve vanzelfsprekend om publieke doelen als wonen, welzijn, zorg en onderwijs via de band van de staat te realiseren. Sterker, het past uiterste terughoudendheid om de monopolies van de staat te verbinden aan allerlei normatieve idealen. Idealen prima, maar de staat moet ze niet hebben, behalve dan het ideaal om individuen en groepen individuen in staat te stellen om, binnen de wet, hun eigen idealen te kunnen verwezenlijken. Dat vergt in zijn ogen een veel kleinere overheid, en dus in zijn bewoordingen een ‘terugtocht’: “De terugtocht die ik voorsta is een constitutionele herordening, waarbij de staat zich veel meer terugtrekt op de monopolies en met het bezit en de terughoudende aanwending ervan een politiek van het verschil voert, waarin de idealen van het goede leven terug worden gegeven aan de burgers en hun private verbanden” (pag. 93).

 

Sympathiek pleidooi

Het boek lezend komt mij zijn pleidooi opnieuw sympathiek over. Vooral de deugden die hij politieke ambtsdagers toe wil dichten (bescheidenheid, zelfbinding, tolerantie) zijn een welkome aansporing voor politici om maat te houden en zich rekenschap te geven dat ze hun macht niet moeten misbruiken. Daarnaast is zijn pleidooi ook een terugkeer naar de wortels van de (zeker ook christelijke) politieke bewegingen. Politieke partijen in Nederland kwamen voort uit maatschappelijke verontwaardiging en maatschappelijke organisatievorming, en niet andersom. De politiek, laat staan de staat, ‘dicteerde’ niet de samenleving, maar de samenleving roerde zich en ging zich politiek organiseren. In dit opzicht kan de ChristenUnie zich zeker spiegelen aan wat Frissen in zijn boek te zeggen heeft.

 

Neutraliteit van organisaties?

Maar om Frissen en de ChristenUnie echt dichter bij elkaar te krijgen is mijns inziens toch meer nodig. Allereerst van Frissen zelf. Ook in dit boek blijft het onduidelijk waar hij in de praktijk precies gaat uitkomen. Hij mag dan een warm pleitbezorger zijn van minderheidsopvattingen, over het borgen daarvan spreekt hij zich vooral in negatieve zin uit: de meerderheidsopvatting mag nooit de overhand krijgen. Maar hoe kunnen die minderheidsgeluiden dan blijven worden gehoord? En wat betekent die terugtocht van staat naar publiek en privaat precies? Elk onderwijs bijzonder onderwijs en dan ook daadwerkelijk vanuit particuliere verbanden bekostigd? Het zou in lijn liggen van zijn gedachtegang, maar komt niet aan bod. Het welzijnswerk weer volledig, ook financieel, naar de maatschappelijke organisaties, maar dan ook geen gemeentelijk welzijnswerk meer? Opnieuw een logische gevolgtrekking, waaraan de auteur zich echter niet waagt. Wijkprofessionals niet meer aangestuurd en betaald vanuit de gemeente, maar vanuit de bewoners, de kerken en de vrijetijdsverenigingen? Ik zou Frissen er graag over horen.

 

In elk geval lijkt me de andere route die momenteel boven de markt zweeft - alleen ‘neutrale’ organisaties komen in aanmerking voor overheidsubsidie – niet sporen met Frissens redeneerlijn. De arm van de staat reikt immers in deze ordening zo ver dat er tussen staat en individu nauwelijks meer sprake is van maatschappelijke verbanden. Het Franse samenlevingsmodel, waar onder het mom van de laïcité, vrijwel alles via de weg van de staat gaat, is hiervan min of voorbeeld. Of zou Frissen in the end misschien wel sympathie hebben voor dit Franse ‘neutraliteitsdenken’? Hij is het aan zijn lezers verplicht er helderheid over te scheppen. En uiteindelijk ook de vraag te beantwoorden hoe hij publieke financiering van gemeenschappelijke doelen mogelijk acht buiten de weg van de staat om.

 

‘Regt aan allen’

Maar niet alleen Frissen zou moeten ‘bewegen’, ook de ChristenUnie zou een aantal stappen moeten zetten. Allereerst zou zij, zo die neiging er nog zou zijn, het theocratische ideaal in de vorm van het streven naar een christelijke overheid, definitief moeten afzweren. Theocratie is alleen mogelijk als je het Oude Testament, met zijn samenvallen van staat en godsdienst, als norm voor een samenlevingsmodel anno vandaag zou zien. En dat is niet alleen onwenselijk, maar gaat ook voorbij aan het feit dat met het Nieuwe Testament de verspreiding van het Evangelie vooral een zaak van het individu en de kerk is geworden. Een politieke ordening waarin de overheid de christelijke overtuiging uitdroeg, is daarnaast ook nooit de bedoeling geweest van de vroege antirevolutionairen. Sterker nog, het werd expliciet uit angst voor te veel staatsinvloed afgewezen. De antirevolutionaire kiesvereniging in Groningen, via familie nauw aan Groen van Prinsterer verbonden, begon haar program in 1864 illustratief met een warm pleidooi voor vrijheid, juist ten opzichte van de staat. De vereniging, aldus het eerste artikel, “verlangt dus niet, dat de staat regtstreeks, of zijdelings tot ondersteuning of uitbreiding harer Christelijke overtuiging bijdrage. Zij vraagt slechts regt, regt ook voor hare beginselen, even als zij datzelfde regt gaarne aan anderen toekent; zij verlangt in één woord: regt voor allen”. Niets van een streven naar een samenleving waarin staat en maatschappij samenvallen. Normatieve idealen en visies op het goede leven, dat wel. Maar verbindt die alsjeblieft niet aan de staat, was hun hartstochtelijk pleidooi. Frissen zou het haast niet mooier kunnen formuleren.

 

Borgen van verschil

Op basis van deze erkenning zou ook de ChristenUnie zich vervolgens, vanuit haar christelijke overtuiging, kunnen oriënteren op het borgen van variëteit als voornaamste overheidstaak. Niet alleen voor de eigen kring, maar voor iedereen, religieus en niet-religieus. Dat biedt tevens de mogelijkheid van een offensief en geen defensief geluid. Geen verdediging van artikel 23 omdat christenen zich bedreigd voelen, maar een schets van een toekomstgericht onderwijsmodel (wellicht via de vereniging- of stichtingvorm) dat een goede juridische en financiële basis biedt voor onderwijs dat overeenkomt met de wensen en overtuigingen van ouders en dat niet, zoals vandaag de dag, gericht is op het realiseren van allerlei overheidsdoelen (integratie, burgerschap, etc.) Eenzelfde gedachte zou ook voor het welzijnswerk kunnen gelden, dat zich als taak sowieso eerder leent voor de civil society dan voor de overheid. Maar ook de discussie over het homohuwelijk biedt zo nieuwe perspectieven. Een dergelijk verworven recht zou je niet moeten willen inperken, voor jezelf niet en al helemaal niet voor die mensen die elkaar oprecht trouw willen beloven. Je mag er als individuele christen moeite mee hebben, maar anderen in hun overtuiging dat niet onthouden. In de redeneerlijn van Frissen: het is niet aan de staat om particularistische overtuigingen tegen te houden of te bevorderen.

 

Echte vrijheid

Natuurlijk zitten daar ergens grenzen aan en is de overheid genoodzaakt om inhoudelijk beleid te maken dat ook raakt aan persoonlijke keuzes van mensen. Maar echte vrijheid – en de antirevolutionairen in de negentiende eeuw hadden dat goed door – houdt in dat je, binnen de grenzen van de wet, je leven kunt inrichten volgens je eigen overtuiging. Dat waarborgen is een van de belangrijkste overheidstaken en de ChristenUnie kan daaraan, juist vanuit haar christelijke overtuiging dat de overheid er is om ‘recht te doen’, een essentiële bijdrage leveren. Niet minder, niet meer. Dat wil niet zeggen dat christenen hun mond moeten houden als het gaat om hun eigen overtuiging. Integendeel zelfs. Maar, en daar kan het boek van Frissen een welkome inspiratie voor bieden, er is nu eenmaal verschil in je optreden als politicus met een verantwoordelijkheid voor de ordening van de samenleving, en je optreden als persoon of binnen een gemeenschap. In dat opzicht kan de ChristenUnie (maar eigenlijk elke politieke partij) zich meer bewust zijn van de twee componenten die zij in zich draagt: enerzijds het zuiver politieke, gericht op wetgeving voor elke burger, en anderzijds het publiekmaatschappelijke, gericht op organisatie en beweging rondom de eigen overtuiging.

 

KADER

Rienk Janssens is algemeen secretaris van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Van 1997 tot 2001 was hij directeur van de Groen van Prinsterer Stichting, het wetenschappelijk bureau van het GPV. Hij is gepromoveerd op ‘De opbouw van de Antirevolutionaire Partij (1850-1888)’. 

 

 



[1] Zie Denkwijzer 2007, nr.5.