ChristenUnie: voor onderwijs

ChristenUnie – voor wetenschap

 

Door Albert Joosse

 

 

 

 

 

Christelijke houdingen ten opzichte van de wetenschap zijn veelal minstens ongemakkelijk te noemen. Ze stempelen ook de terughoudendheid die de ChristenUnie toont in het nastreven van wetenschap als maatschappelijk doel. Dit heeft zowel historische als sociologische gronden, waarvan ik er enkele zal bespreken. Belangrijker is het echter om te zien dat de ChristenUnie uitmuntende redenen heeft om wetenschappelijk onderwijs en onderzoek als groot goed te zien, een top-drie-plaats op prioriteitenlijstjes waard.

 

 

Identiteit voor kwaliteit?

Ironisch genoeg heeft een voorvader van de ChristenUnie een universiteit gesticht. Geen centimeter die niet onder de beheersing van Christus valt, zei Abraham Kuyper, en daarom moet ook het wetenschappelijke veld gekerstend worden, waar het niet al christelijk is. De ironie droogt op zodra we ons realiseren dat zijn ‘Vrije’ Universiteit bedoeld was als – in wezen – een door een particuliere zuil gefinancierde particuliere club die particuliere visies nastreefde. Niets dan lof past de toewijding aan wetenschap die leden van die particuliere zuil toonden, wanneer de collectant de dubbeltjes van bakker en slager inzamelde om ‘onze studenten’ te kunnen laten studeren. Niettemin is een particuliere universiteit een contradictio in terminis. Al bestaat ze niet meer, de Kuyperiaanse Vrije Universiteit is illustratief voor het najagen van identiteit boven kwaliteit dat deel is van de erfenis van de ChristenUnie.

Leg ChristenUnie-stemmers aan een machine die emoties registreert, en confronteer hen vervolgens met de woorden ‘onderwijs’ en ‘wetenschap’; bij het eerste zal de machine rood uitslaan van passie, bij het tweede blijft zij onderkoeld, of wordt zij misschien geel van schrik. Het recht op religieus bepaald maar staatsbetaald onderwijs is het sjibbolet van de Nederlandse christelijke politiek; voor toponderwijs en -onderzoek is weinig aandacht. Een onverbloemende verkiezingsslogan van de ChristenUnie zou stellen: ‘Identiteit vóór kwaliteit’. (Dat ik over de ChristenUnie-stemmers spreek moet overigens duidelijk maken dat wat ik hier stel niet is bedoeld als kritiek op de fracties van de partij, maar als commentaar op de in de achterban heersende cultuur.)

 

Wantrouwen tegen wetenschap

De particuliere groep van Kuyper had echter niet alleen particuliere opvattingen, maar was ook veelal een lagere middenklasse met wat men noemt een gezonde dosis wantrouwen tegen de elitaire wetenschap. Tegenwoordig wordt dat in stand gehouden of versterkt door soortgelijke ideeën bij een deel van het rechtse christelijke publiek in de Verenigde Staten, ideeën die op een curieuze manier overwaaien naar een deel van christelijk Nederland: wetenschap en de media zijn het domein van links; of nee, een samenzwering zelfs, om de goede christelijke burger een rad voor ogen te draaien.

Voor wie meent te weten hoe de zaak in elkaar zit is het bedreigend als iemand gaat zoeken en uitpluizen. Argumenten van allerlei slag die aanvaard of zelfs maar geponeerd worden roepen onrust op. Resultaten van onderzoek dwingen ons anders te denken dan we gewoon waren. En al gauw meent men dat de universiteit wordt bevolkt door mensen van het andere levensbeschouwelijke slag; dat ons het geloof genoegt — buiten de kerk geen ware kennis.

 

Waarheid & de samenleving

En toch “noemde Christus zich de waarheid, niet de gewoonte”, schrijft Tertullianus.[i] Het christendom is wezenlijk wetenschapsvriendelijk. Het is christelijk een passie voor de waarheid te hebben. En de moeite die het kost om haar te vinden, en het geld, zijn die een christen teveel?

Er is in de traditie van de christelijke politiek een toe te juichen inclusivisme. De ChristenUnie en haar voorlopers hebben zich nooit als belangenpartijen gezien. Eén Nederland is er, en één publieke zaak, in hoeveel deelaspecten men die ook opdeelt. Geïmpliceerd is daarmee echter ook dat men voorbij identiteit alléén kijkt, naar de kwaliteit die deze ene publieke zaak uiteindelijk ten goede komt en verder brengt. Wetenschap is niet een neutrale factor die een samenleving naar believen wel of niet in haar totaalpakket kan opnemen, met daarbij nog een vrije keus uit graden van ontwikkeling die ze bereid is aan de wetenschap binnen haar grenzen toe te staan. De uitstraling van wetenschap op andere samenlevingsvelden is direct en significant. En al wijzen universiteiten over het algemeen de pretentie terug dat ze mensen een algemene ontwikkeling bieden die hen betere mensen, of tenminste burgers, maakt, niettemin zijn academische vaardigheden nog steeds van grote waarde in de burger van een moderne samenleving; analytisch vermogen, een kritische houding, een doelmatige bezinning op de voor elke materie geschikte methode zijn kernkwaliteiten van een academicus, die echter in het publieke leven niet minder essentieel zijn. Dit belang overstijgt de enkele vraag of een academie of school op de juiste levensbeschouwing is gegrondvest.

 

Levensbeschouwelijk darwinisme

Is er dan geen waarheid in het vermoeden van de provinciale ChristenUnie-stemmer dat de wetenschapper over het algemeen zijn eigen mening als wetenschap presenteert, op tv, in de krant, waar dan ook? Is Dawkins niet een bioloog? Toegegeven, velen gaan buiten de grenzen van hun discipline; maar daarvoor hoeft men geen levensbeschouwelijk darwinist te zijn. Juist echter wanneer de dominante toon in het publieke debat een afgeplat soort levensbeschouwelijk darwinisme is moet men de wetenschappen bevorderen. Een ruimhartige plaats voor reflectie geeft een samenleving namelijk de rust om op meer dan individuele basis zich vragen te stellen over wat nu als algemene waarheid wordt gepresenteerd. Meer wetenschap betekent meer variatie. Juist wie beducht is voor eenvormige seculiere wetenschap (wat men daaronder ook moge verstaan) zou zich geroepen moeten voelen om de diversiteit die vanuit rijkdom tot bloei komt na te streven.

 

Een publieke taak

Nu is er een lijn in het christelijk denken die nauw aansluit bij het ideaal van een kleine overheid. Wetenschap stimuleren, zou men kunnen betogen, hoort bij een staat die is opgeblazen en een teveel aan macht heeft. Macht corrumpeert, en mensen falen. Dit geloof in de feilbaarheid van de mens maakt christenen sceptisch over de maakbaarheid van de samenleving. Veeleer echter dan een verantwoordelijkheid voor het stimuleren van wetenschap van de overheid af te nemen dringt deze overweging deze haar juist op. Een beslissing die gestoeld is op een bredere kennis van haar omstandigheden heeft meer kans haar doel te treffen dan de beslissing die als enkel maar menselijke inschatting een flinke dosis goed geluk vereist.

Daarenboven is het wetenschappelijk opleiden van burgers en het wetenschappelijk doen van onderzoek een publiek goed van groot belang. Gezonde wetenschap is een doorlopende herbronning van de samenleving. Juist oorspronkelijk onderzoek betaalt zichzelf echter verre van direct terug. De financiering ervan aan het bedrijfsleven overlaten, of zelfs te verwachten dat particulieren zich, al dan niet georganiseerd, waarborg stellen voor het voortbestaan van het wetenschappelijke onderzoek is daarom reine fictie. Dat onze staat modern is betekent óók dat de toegenomen complexiteit van de samenleving zijn weerslag erin vindt dat de staat het coördinatiestelsel is geworden van gemeenschapstaken.

 

Richtinggevende overheid

Een rol voor de overheid als tenminste richtinggevend is lange tijd in ChristenUnie-kringen algemeen aanvaard geweest. Een GPV-voorman betitelde de overheid bijvoorbeeld als hoofd van de openbare burgerlijke samenleving.[ii] Men dacht over de overheid als uitvoerder van de zogenaamde cultuuropdracht, de opdracht van God aan Adam in het paradijs om de aarde te onderwerpen en in cultuur te brengen. Onder het mom van een herbezinning op het theocratisch elan van christelijke politiek delen recentere stemmen de staat echter een zeer bescheiden rol toe in de samenleving; de morele waarden van bijbel en christendom behoren door de kerk te worden uitgedragen, terwijl de staat zich moet beperken tot wat noodzakelijk voortvloeit uit principes als het waarborgen van de vrijheid van burgers.[iii] Ook in deze ontwikkeling bespeurt men overigens de invloed van anglo-amerikaans denken.

Tegen deze achtergrond is het niet overbodig om te onderstrepen dat een samenleving geen werkbare, gezonde wetenschapsstructuur kan hebben zonder een aangestuurde gemeenschappelijke inspanning om deze te cultiveren. Een wetenschappelijk opgeleide klasse is van groot belang voor het functioneren van de samenleving als geheel. Aan dit belang doet men afbreuk als men het aantal studerende jongeren en het niveau dat zij kunnen behalen verlaagt door hen enerzijds alle kosten van hun studie zelf te laten dragen en anderzijds de kwaliteit van wetenschappelijke opleidingen direct afhankelijk te maken van de gelden die hun ‘klanten’ inbrengen. Over de toekomst van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek hoeft in een scenario van overheidsindolentie al helemaal niet te worden uitgewijd.

 

Kennis van mens & God

Het behoort tot de meest inzichtelijke momenten van de christelijke wereldbeschouwing dat de mens als onderkoning de beelddrager is van God; en niet alleen de mens: de hele werkelijkheid is van God vol. Het boek van de natuur, zoals de christelijke traditie het noemt, is er om gelezen te worden. De confessio Belgica beschrijft het zelfs als een bron van kennis over God.[iv] Voor een christelijke gemeenschap is het, met andere woorden, een kernfunctie dat ze observeert en minutieus nagaat hoe de stoffelijke werkelijkheid functioneert.

Het is nog belangrijker om de aandacht te richten op de menswetenschappen. Vanuit christelijk perspectief zijn zij van belang omdat de mens het beeld van God vormt. Kennis van God en kennis van onszelf zijn met allerlei banden met elkaar verbonden, betoogt Calvijn.[v] Zo leren inzichten over onszelf ons God kennen. En het is een piëtistische dwaling dat slechts het geweten de mens kennis van zichzelf verschaft. Introspectie is in sommige wetenschappelijke deelgebieden op sommige momenten een prima methode. Maar het reële inzicht dat wij, mensheid, in onszelf hebben verworven via het keur aan andere, verrassend recente, methoden moeten we niet veronachtzamen.

 

Kenniseconomie als banier

Dit punt verdient om twee redenen extra nadruk. In de eerste plaats is door het succes van de natuurwetenschappen de integriteit van de menswetenschappen in het gedrang gekomen. Zozeer werd de natuurwetenschap een voorbeeld voor menswetenschappers dat zij natuurwetenschappelijke methoden overnamen ten koste van de de menswetenschappen eigen methoden. Het resultaat is een verwrongen beeld op het menselijke. En ook in de receptie van wetenschappelijk onderzoek in de maatschappij heeft de natuurwetenschap een dominante stem gehad, zozeer dat vragen die andere disciplines aanbehoren op populaire wijze vaak in natuurwetenschappelijke termen worden beantwoord. Al gauw worden natuurwetenschappelijke theorieën zo het laatste antwoord op levensbeschouwelijke en religieuze vragen. Wie de christelijke wereldbeschouwing in haar volle rijkdom ontvouwd wil zien doet er goed aan om het eigen recht van de mensgerichte wetenschappen te verdedigen en te stimuleren.

Dit dient bovendien benadrukt vanwege het politiek spreken over de ‘kenniseconomie’. Het vormen van een hoogtechnologische economie die vruchtbaar maakt wat in de toegepaste wetenschappen wordt ontwikkeld is maatschappelijk en economisch hoogst nastrevenswaardig. Wanneer echter ‘kenniseconomie’ de banier wordt waaronder alle investeringen in wetenschappelijk onderwijs en onderzoek een plaats moeten vinden dan ontstaat een kwalijk zich blindstaren op de toepasbare producten van – alweer – de natuurwetenschap en een misleidend uitgaan van het nut van wetenschap. Wetenschap zoekt geen nut. Rond de opening van zijn katholieke universiteit in Dublin sprak John Henry Newman: “De menselijke geest zit zó in elkaar dat elke soort van kennis, als die dat werkelijk is, zijn eigen beloning vormt.”[vi] De huidige politieke omgang met wetenschap getuigt van een kleingeestige baatzucht die om inzicht niets geeft. Christelijke politiek, gedreven door een openheid richting het hogere, zou een dergelijke vlakke eenzijdigheid moeten kunnen ontstijgen.

 

Voor de ChristenUnie

Het is ironie van de geschiedenis dat de godsdienst die is gebaseerd op een onthulling dat God λόγος is zich in een tijd van ongedroomde wetenschappelijke mogelijkheden in het nauw gedrongen en bedreigd zou moeten voelen door een wereld die gericht is op de waarheid. Grote delen van de christelijke wereld voelen zich dan ook niet in het nauw gebracht. Een partij als de ChristenUnie is het aan zichzelf verplicht om eveneens een ontspannen en bijdragende houding aan te nemen jegens de wetenschap. Dat vraagt echter wel om politiek commitment. En waar van allerlei kanten erop wordt aangedrongen dat de ChristenUnie negentiende-eeuwse politieke doelen terzijde moet leggen en zich op een hernieuwd christelijke manier moet verhouden tegenover de ontwikkelingen van de moderne maatschappij, daar is nog eerder een toewijding nodig aan het zoeken en onderzoeken van kennis, waarheid en de λόγος-structuur van deze werkelijkheid.

 

 

Albert Joosse nam deel aan het fellowsprogramma van het Wetenschappelijk Instituut, in het kader waarvan dit essay werd geschreven. In het dagelijks leven is hij promovendus aan de Universiteit Utrecht. 

 

 

KADER:

Samenvatting

-       De ChristenUnie moet zich niet blindstaren op het behoud van identiteitsbepaald onderwijs...

-       …maar ook voluit gaan voor wetenschap van hoge kwaliteit.

-       Dat is namelijk een onontvreemdbaar deel van de christelijke traditie.

 

 

 

 



[i] ‘Dominus noster Christus veritatem se, non consuetudinem cognominavit.’ De virginibus velandis (over het dragen van hoofddoeken door maagden) I,1, gecit. in Einführung in das Christentum, J. Ratzinger (München 2000), p.128.

[ii] A.J. Verbrugh, Universeel en Antirevolutionair, (Groningen 1980) I p.86.

[iii] Het ‘theocratisch élan’ is een belangrijke aanwezigheid in het werk van Ad de Bruijne, Levend in Leviathan (Kampen 2006); een Neo-Lockeaans uitgaan van de vrijheid van individuen is ondanks alles de bottom line van Stefan Paas’ beschouwingen, Vrede stichten – politieke meditaties (Zoetermeer 2007).

[iv] in art. 2.

[v] ‘Nagenoeg de ganse hoofdinhoud van onze wijsheid … bestaat uit twee delen, de kennis van God en de kennis van onszelf. Maar hoewel deze twee door vele banden onderling verbonden zijn, is het toch niet gemakkelijk te onderscheiden, welke van beide aan de andere voorafgaat en haar uit zichzelf voortbrengt.’ Institutie,1.1 (vert. A. Sizoo, Delft 1949).

[vi]  ‘Such is the constitution of the human mind, that any kind of knowledge, if it be really such, is its own reward.’ Discourse V, p. 103 (97 Kerr), The Idea of a University, ed. I.T. Kerr (Oxford 1976).