Lokaal bestuur en de scheiding van kerk en staat

Lokaal bestuur en de scheiding van kerk en staat

 

Tweeluik religie en publiek domein. Handvatten voor gemeenten

VNG/MinBZK 2009

56 p.

 

Door Bas Hengstmengel

 

“De meeste gemeenten vinden het financieren van religie op zich geen overheidstaak”, zo valt te lezen in het Tweeluik religie en publiek domein dat in april 2009 werd gepresenteerd.[1] De geciteerde zin (p.34) is symptomatisch voor de nogal oppervlakkige en onbevredigende manier waarop de thematiek van het lokaal bestuur en de scheiding van kerk en staat behandeld wordt. Het tweeluik, uitgebracht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), is bedoeld om gemeenten praktische ‘handvatten’ te geven voor de omgang met religieuze organisaties. Het eerste deel schetst een juridisch kader. Het tweede deel, waarin wordt ingegaan op de gemeentelijke praktijk, is gebaseerd op interviews met bestuurders en ambtenaren, van wie de namen, functies en politieke voorkeuren helaas niet worden vermeld.

 

Pragmatisch

Kernwoord in het tweeluik is ‘pragmatisch’. Vanuit een common sense benadering wordt een kader geschetst waarbinnen discussie mogelijk is. Het quasi-neutrale karakter van het tweede deel verbloemt echter dat er een duidelijke, zij het niet geëxpliciteerde en dus onbeargumenteerde visie op de verhouding van overheid en religie wordt gegeven die ligt in de lijn van Job Cohen. De lijn-Cohen beschouwt religie als een – in beginsel positief – maatschappelijk feit, een maatschappelijk bindmiddel zelfs, zodat de overheid er goed aan doet om, ter realisering van haar doelstellingen, gebruik te maken van ‘religieuze infrastructuur’ waar en wanneer dat zo uitkomt. Zo kunnen taalcursussen aangeboden worden via de moskee en kan de overheid een ‘gematigde’ islamitische website subsidiëren, als middel in de strijd tegen radicalisering. Minister Ter Horst (BZK) staat in deze lijn, zo blijkt uit interviews.[2] Deze visie op religie als belangrijke maatschappelijke factor – wat daar verder ook van zij – wordt evenwel niet expliciet gemaakt. Daarom hangen de adviezen in de lucht.

Een voorbeeld van de pragmatische benadering is te lezen in een dubieuze paragraaf op p.37/38 waar het gaat over subsidiëren van religieuze organisaties door gemeenten: “Het verdient aanbeveling dat gemeenten de religieuze organisaties zien als ‘marktpartijen’, die op bepaalde momenten een opdracht gegund kunnen krijgen in het kader van specifiek gemeentelijk beleid. Daarbij kan een organisatie op levensbeschouwelijke gronden in sommige gevallen een meerwaarde hebben: zij komt eerder dan de gemeente achter de voordeur en kan dus problemen signaleren, en mensen helpen de juiste hulpkanalen te vinden. Dit is bijvoorbeeld het geval in gemeenten die een groot christelijk volksdeel hebben, dat via de religie beter bereikt kan worden.” Hoe ‘pragmatisch’ kan een gemeente met godsdienst omgaan? Ik denk dat religieuze organisaties niet blij moeten zijn met hun positie als ‘marktpartijen’ die min of meer namens de gemeente achter de voordeur ‘hulpkanalen’ aanreiken.

 

Spagaat

Een passage als de bovenstaande laat zien in welke spagaat de opstellers van een brochure als deze zich bevinden. Een algemeen juridisch kader is eenvoudig te geven, maar zodra er concretisering plaats moet vinden, spelen er onvermijdelijk politieke en levensbeschouwelijke opvattingen (in brede zin) mee. De in het tweede deel van de brochure gepresenteerde inzichten volgen dan ook niet als vanzelf uit het juridische kader, dat slechts heel algemene randvoorwaarden schetst. Omdat de politieke afweging voor een deel al voor de lezer wordt ingekleurd, zonder dat men dit verantwoordt, blijft de status van het tweede deel onduidelijk. Ik vrees dat in de brochure een praktische insteek (als analyseniveau) verward wordt met een pragmatische benadering van de maatschappelijke factor religie (een politieke opvatting).

Mijn kritiek op het gekleurde karakter van de brochure is misschien nog als ‘academisch’ af te doen, het gegeven dat ook rondom praktische vragen een rookgordijn wordt getrokken, raakt toch de kern van de brochure. Voorafgaand aan de bovenstaande passage is te lezen: “[M]en probeert vaak in de eerste instantie te faciliteren. Financieel bijdragen is meestal de laatste optie. Een middenweg hierin zou kunnen zijn dat de gemeente wel bijdraagt aan kadertrainingen.” Wat is echter ‘faciliteren’ en wat zijn precies ‘kadertrainingen’? Wanneer dit niet wordt gespecificeerd, blijven concrete vragen onbeantwoord en beantwoordt de brochure ook wat dat betreft niet aan haar doel. Terecht wordt opgemerkt dat pasklare antwoorden niet altijd te geven zijn, maar het kan concreter.

 

Subsidies

In de brochure worden vooral veel punten aangestipt. Doordat discussie vervolgens ontbreekt, blijven ze in de lucht hangen. Een heikel punt betreft bijvoorbeeld (de)radicalisering. Wanneer komt radicalisering op het terrein van de overheid? Dat wordt niet duidelijk gemaakt. Was de vader van Jan Siebelink radicaal? In hoeverre treedt de overheid hier in de godsdienst? Al even heikel is het punt van subsidies. Zo mag een gemeente volgens de brochure lezingen van gematigde imams organiseren en subsidiëren, “mits de gemeente zich niet bemoeit met de inhoud van de lezingen.” (p.44) Is dat ‘gematigde’ echter niet onlosmakelijk met de inhoud verbonden? Volgens de brochure geldt dat het doel of resultaat van contacten tussen overheid en religieuze organisaties niet mag zijn “dat de overheden zich in feite bemoeien met aangelegenheden die het geloof zelf betreffen.” (p.10) Wordt hier niet over die grens heen gegaan? Tenslotte: “Een bijzonder aspect in deze discussie is dat velen van mening zijn dat de integratie van nieuwe Nederlanders bevorderd kan worden door hen via de religie te bereiken.” (p.31) Is dat zo? Waaruit blijkt dat? Wat is ‘via de religie’? Belangrijker: hoe verhoudt zich dat tot het juridische kader? Na lezing van de brochure tasten we in het duister.

 

Te simpel

In haar toespraak bij de aanbieding van de brochure stelde Ter Horst: ”De overheid heeft een principiële taak om belijdenis van godsdienst voor iedereen mogelijk te maken, of in ieder geval niet te belemmeren. We zorgen ervoor dat er een pluriform aanbod van godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen kan bestaan.”[3] Er zit echter nogal een verschil tussen ‘niet belemmeren’ en het mogelijk maken van een pluriform aanbod. Het is het gebrek aan dergelijke nuances dat in de brochure leidt tot bijvoorbeeld het te simpele onderscheid tussen het steunen van religieuze organisaties en het steunen van religie, alsof die twee haarfijn kunnen worden gescheiden door het enkele feit dat de overheid ‘expliciete maatschappelijke doelen’ beoogt te dienen. Het is juist de activistische overheid die een scheiding tussen maatschappelijke kringen in gevaar brengt.

 

Mr.drs. B.D. Hengstmengel is promovendus aan de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam en gastcolumnist voor Opunie.

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] De brochure is te vinden op www.vng.nl en www.minbzk.nl

[2] Zie bijvoorbeeld Pieter Jan Dijkman, ‘Ter Horst: Ik heb een pragmatische kijk op religie’, Reformatorisch Dagblad 25 september 2009.

[3] Zie www.minbzk.nl