'Pessimistisch optimisme'

‘Pessimistisch optimisme’

 

Niebuhr en de ChristenUnie (2)

 

Willem Boerma

 

In mijn eerste artikel over de Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr (Denkwijzer 9: 2, 14-17) ben ik met name ingegaan op het neerzetten van enkele belangrijke gedachten van Niebuhr over politiek, macht en moraal. In dit artikel stip ik enkele zaken uit het gedachtengoed van Niebuhr aan die mijns inziens van belang kunnen zijn voor de ChristenUnie. Ik ga hierbij in op een drietal punten: in de eerste plaats de machtsbalans als morele waarde, vervolgens Niebuhrs mensvisie en tenslotte maak ik enkele opmerkingen betreffende zijn verdediging van de democratie.

 

Machtsbalans als morele waarde

In het eerste artikel over Niebuhr heb ik aangegeven dat hij het tot stand brengen van een machtsbalans als belangrijkste taak van de overheid ziet. Een balans tussen de verschillende soorten macht is een voorwaarde om tot een vorm van sociale rechtvaardigheid te komen. Het creëren van ‘machtsbalans’ klinkt wellicht niet erg inspirerend. Het begrip ‘machtsbalans’ roept associaties op met berekenend, compromis, ‘realpolitik’, morele neutraliteit; toch is het begrip ‘machtsbalans’ voor Niebuhr wel degelijk een morele waarde an sich.

Niebuhr onderscheidt echter sterk tussen kerk en staat. Waar het in de kerk vanzelfsprekend en bijna logisch noodzakelijk is dat er orthodoxe en fundamentalistische (absolute) opvattingen bestaan, daar is dat, volgens Niebuhr, in het publieke domein een groot kwaad. Fundamentalisme, of dat nu religieus of ideologisch geïnspireerd is, heeft in de geschiedenis veel kwaad gedaan. Niebuhr refereert hierbij onder meer aan de kruistochten en het communisme, maar ook het ‘fundamentalisme’ van het Rationalisme is in deze categorie te plaatsen. Binnen een publiek domein waar zulke uiteenlopende machten een rol spelen is het een morele prestatie van formaat om een evenwicht van de machten te creëren en in stand te houden. Een machtsbalans of ‘orde’ is dus in zichzelf al een waardevol begrip omdat het de macht van de door de zonde beheerste maatschappelijke werkelijkheid in toom houdt. Een hoger doel (een hoge vorm van rechtvaardigheid, een juiste verhouding tussen God en mensen en tussen mensen onderling) is niet haalbaar en kan een gevaar vormen indien dit wordt nagestreefd door fundamentalisten van welk karakter dan ook.

De nadruk die Niebuhr legt op ‘macht’ als allesbepalende factor in het publieke domein is een belangrijke waarschuwing tegen het maakbaarheidsdenken en ook tegen diegenen die de geschiedenis zien als een lineair proces waarbij door de overheersende positie van de ratio een steeds vreedzamere werkelijkheid zal ontstaan. Handelingen van mensen, of het nu gaat om politici, ‘gewone burgers’ of bestuurders, worden vaak bepaald door irrationele overwegingen. Macht, eerzucht en rijkdom spelen vaak een veel grotere rol dan rationele overwegingen. Dit onderschatten door uit te gaan van een ‘politiek van goede bedoelingen’[1] is een ontkenning van de belangrijkste drijfveren van zondige mensen in een gebroken werkelijkheid. Voor een partij als de ChristenUnie en haar achterban is het belangrijk om de machtsbalans als morele waarde te gaan zien en te waarderen. De politieke en sociale werkelijkheid wordt immers voor een belangrijk deel bepaald door macht. Interessant voorbeeld in dit verband is het debat rond de embryoselectie (2008): je zou kunnen stellen dat de politieke leiding van de ChristenUnie handelde volgens de Niebuhriaanse waardering van de machtsbalans, terwijl de achterban de morele waarde van die machtsbalans niet erkende of onderkende.

Tenslotte, voor het huidige kabinet, en dus ook voor de ChristenUnie, is deze expliciete erkenning van de morele waarde van de machtsbalans van belang, juist omdat ze door oppositie er wel van beschuldigd wordt ‘buiten de werkelijkheid’ te staan (zie bijvoorbeeld de 100-dagen tour bij de start van dit kabinet). Dit laat overigens onverlet dat het huidige kabinet wél (expliciet) aandacht heeft voor mens als relationeel en religieus wezen. Ik bedoel met religieus hier de overtuiging dat de mens intrinsiek behoefte heeft aan een transcendent idee. 

 

Mensvisie: pessimistisch optimisme

In een tijd waarin de menselijke waardigheid onderhevig lijkt aan erosie is het goed om stil te staan bij de gedachten van Niebuhr op dit punt. Juist voor een partij als de ChristenUnie is het van belang om tegenwicht te bieden aan de manier waarop velen spreken over het wezen van de mens. Aan de ene kant van het spectrum spreekt men over de mens als een autonoom, rationeel individu dat het principiële recht heeft om over zichzelf te beschikken (vgl. D66), aan de andere kant bestaat er een beeld van de mens als gedreven door primaire behoeften, gericht op zichzelf en de bekende omgeving, met een afkeer, of in ieder geval een wantrouwen, richting alles dat anders is (vgl. PVV).

Niebuhr’s opvatting van de mens als ‘creature of time and creator of history in time’[2] biedt een volledig ander perspectief. De erkenning van de mens als wezen dat geschapen is, is fundamenteel voor een juiste waardering van de menselijke waardigheid. De mens is kroon op de schepping maar is niet de schepper van zichzelf. Hij heeft zich te verhouden tot zijn Oorsprong en die ligt buiten hemzelf; dit maakt nederig, dit geeft een juiste verhouding weer. Naast dit geschapen zijn is van belang de erkenning dat de mens zondig is. Deze twee zaken geven de belangrijkste beperking van de mens aan en waken voor hoogmoed, trots en ongefundeerde autonomie. Onjuist spreken over de menselijke waardigheid verwordt tot onrealistische zelfoverschatting en een ontkenning van de Oorsprong.

Naast het benadrukken van deze beperkingen, geeft Niebuhr in één adem hoog op van de mens: ‘creator of history in time’. De totale mens is middels zijn door God gegeven talenten tot veel in staat. Naast de rede zijn interdependentie, kennis van talen en culturen en de wetenschappen bijvoorbeeld wel degelijk in staat om de zondige impulsen van mensen in te dammen of te beperken. Niebuhr ziet hiervoor zelfs mogelijkheden op het niveau van interstatelijke betrekkingen. Individuen en staten zijn soms in staat hun eigen belang te ontstijgen. Mensen zijn in staat om het ‘andere’ te waarderen. Menselijke waardigheid bestaat in de principiële waardering van de dialoog, van vergeving, van de bereidheid om de ander (en de Ander) open tegemoet te treden. In een tijd waarin dit aspect ondersneeuwt in een simplistische visie op mens en wereld is het voor de ChristenUnie van belang om deze beide aspecten van Niebuhr’s gedachtengang op dit punt volop in het debat te brengen.

 

Verdediging van de democratie

Voorgaande alinea’s vormen de basis voor Niebuhr’s verdediging van de democratie als politiek systeem.[3] Uit de inleiding blijkt deze basis al heel duidelijk: “de zin van de mens voor gerechtigheid maakt de democratie mogelijk; de neiging van de mens tot onrecht maakt haar noodzakelijk.”[4] Niebuhr sluit zich in dit werk aan bij het streven naar een op democratie gebaseerde wereldgemeenschap. Tegelijk bekritiseert hij fel de gangbare rechtvaardigingsgronden die aan dit streven ten grondslag liggen. Organisaties als de Verenigde Naties en haar voorganger de Volkenbond, moeten het regelmatig ontgelden: ze zijn volgens Niebuhr gebaseerd op de aanname dat er überhaupt al sprake is van een wereldgemeenschap en op de aanname dat intra- en interstatelijke betrekkingen middels volkenrecht en toenemende interdependentie vreedzamer zullen worden. Tegelijkertijd keert hij zich, minstens even fel, tegen nationalistische tendensen vanuit met name de Realistische school binnen de Internationale Betrekkingen.[5]

Niebuhr ziet in de democratie (de Amerikaanse invulling hiervan) weerspiegeld de morele ambivalentie die eigen is en hoort te zijn aan deze werkelijkheid. Zowel morele en religieuze utopisten als realisten[6] ontkennen deze - vanwege de menselijke constitutie noodzakelijke - ambivalentie.

Ook hier ligt een taak voor de ChristenUnie om de waarde van de democratie voortdurend onder de aandacht te blijven brengen als systeem dat het beste past bij de onvermijdelijke morele ambivalentie. De democratie en de democratische rechtsstaat bieden door de ‘checks and balances’ een duidelijke rem op machtsconcentratie en verabsolutering van macht. Tegelijk biedt het veel mogelijkheden om morele argumenten een volwaardige plaats in het debat te geven, om de discussie over de (in)richting van de maatschappij te voeren vanuit ideologische of religieuze overtuigingen; en om op die manier uitdrukking te geven aan het streven naar rechtvaardigheid dat inherent is aan óók de zondige menselijke geest. Voor religieus geïnspireerde partijen (bijvoorbeeld de ChristenUnie) en sterk ideologisch geïnspireerde partijen (bijvoorbeeld SP) is het van belang om het kader en de doelstelling van een politiek-maatschappelijke ordening voor ogen te houden. Hierbij past geen verabsolutering van de eigen ideologie of religie; om met Elshtain te spreken, er blijft een onderscheid nodig tussen ‘sin and crime’.[7]

Dát een verdediging nodig is blijkt duidelijk uit de aanvallen op de democratie vanuit zowel het rechtse als het liberale spectrum van de politiek. Het verdedigen van de democratie en het streven naar geweldloze verspreiding van democratische waarden naar een ‘wereldgemeenschap’ vormen een belangrijk onderdeel van christelijke politiek. Bij dit laatste punt past enige bescheidenheid en realiteitszin. Messianisme in internationale relaties is uitermate ongeschikt als uitgangspunt. Niebuhr heeft dit zo verwoord: “de wereldgemeenschap (..) is de laatste mogelijkheid en onmogelijkheid waarvoor het mensdom zich ziet gesteld. De taak haar te bereiken moet worden bezien uit het oogpunt van een geloof, dat het fragmentarisch en gebroken karakter van alle historische handelingen beseft, maar desondanks vertrouwen heeft in de zin dezer verrichtingen, omdat het weet, dat hun voleinding in de handen ligt van een Goddelijke Macht, wier vermogen groter is dan dat der mensen en wier duldende liefde het bederf in alle menselijk werk kan overwinnen zonder de betekenis van ons streven teniet te doen.”[8]

 

Conclusie

Niebuhr benadrukt het belang van een heldere visie op mens en wereld(geschiedenis) als cruciaal voor een rechtvaardig en effectief optreden van ‘de politiek’. Het verdedigen van de menselijke waardigheid en de daaruit voortvloeiende (politieke) handelingen is ook in de huidige tijd noodzakelijk. Principiële waardering van de democratie en de verdediging daarvan is bij uitstek een taak voor een christelijke politieke partij. Kortom, Niebuhr’s ‘pessimistisch optimisme’ is voor de ChristenUnie uitermate bruikbaar als leidraad voor haar optreden in Raden, Staten, Staten-Generaal en Europees Parlement.

 

Drs. Willem Boerma werkt als statenadviseur bij de statengriffie van Provinciale Staten van Flevoland. Daarnaast werkt hij aan een proefschrift over de Augustinusreceptie bij Niebuhr en Elshtain.

 

Belangrijke werken van en over Niebuhr

 

(1932/47) Moral man and immoral society;  (1941) The nature and destiny of man. A christian interpretation. Vol. I: Human nature; (1943) The nature and destiny of man. A christian interpretation. Vol. II: Human destiny;  (1945) The children of light and the children of darkness;  (1949) Faith and history; (1955) The Self and the dramas of history

 

Als introductie op Niebuhr is George Mac Afee Brown ed. (1986), The essential Reinhold Niebuhr. Selected essays and addresses aan te raden.

Over de invloed van Niebuhr op de leer van de Internationale Betrekkingen zijn meerdere werken geschreven. Robert Lovin’s  artikel uit 2003, . ‘Reinhold Niebuhr in contemporary scholarship. A review essay’, in: Journal of Religious Ethics 31:3, 489-505;  William R. Stevenson’s boek uit 1987. Christian Love and just war. Moral paradox and political life in St. Augustine and his modern interpreters, Macon; Mercer University Press en Alisdair Murray’s Reconstructing Realism. Between power politics and cosmopolitan ethics zijn bijzonder instructief in dit verband. 



[1] Terminologie afkomstig van filosoof Hans Achterhuis

[2] Reinhold Niebuhr (1949) Faith and history, 55

[3] Niebuhr geeft zijn werk Children of light and children of darkness uit 1947 ( vertaald door G. van Overbeek (1948) De kinderen des lichts en de kinderen der duisternis, Amsterdam; Ten Have) als ondertitel mee (in de vertaling van Van Overbeek) ‘een pleidooi voor de democratie en een critiek op haar traditionele rechtvaardiging’

[4] Niebuhr, kinderen des lichts, 6

[5] Zowel Idealisten als Realisten baseren zich, volgens Niebuhr, op een niet-realistische mens- en wereldvisie. Dit leidt in het geval van de Idealisten tot een gevaarijke utopie, in het geval van de Realisten tot een oorlog van iedereen tegen iedereen.

[6] ik doel hier op de realistische school binnen de wetenschap van de Internationale Betrekkingen. Deze realistische school is gestoeld op het gedachtengoed van onder anderen Hobbes en Machiavelli.

[7] Jean Bethke Elshtain, (2003) Just war against terror. The burden of American power in a violent world.,New York; Basic Books,  41

[8] ibid., 160