Overheid en godsdienst

Overheid en godsdienst: distantie en betrokkenheid  

 

Sophie van Bijsterveld

Overheid en godsdienst – Herijking van een onderlinge relatie

195 p.

Nijmegen: Wolf legal publishers

2008

978-90-5850-407-4

 

Door Geert Jan Spijker

 

Het beginsel van de scheiding van kerk en staat wordt te snel van stal gehaald in het publieke debat. Zodra het over de relatie tussen godsdienst en overheid gaat, staan liberalen klaar om met het ‘scheidings-argument’ de ander de mond te snoeren. Ten onrechte, betoogt dr. Sophie van Bijsterveld met haar genuanceerde en nuchtere boek ‘Overheid en godsdienst’.

 

Van Bijsterveld benoemt drie klassieke principes omtrent de verhouding overheid en godsdienst: de vrijheid van godsdienst, de idee van een neutrale (onpartijdige) overheid en de scheiding van kerk en staat. Dat laatste beginsel beduidt dat de overheid geen zeggenschap heeft over kerkelijke zaken en dat kerken geen zeggenschap in overheidsbesluitvorming hebben. Deze drie nogal negatieve beginselen behoeven in onze tijd actualisering. In haar poging daartoe neemt van Bijsterveld nadrukkelijk afstand van zowel de rechtse nadruk op het individu als van linkse nadruk op gelijkheidsdenken.

 

Tegen rechts: Godsdienst is niet privé

Volgens Van Bijsterveld is de kijk op de verhouding tussen overheid en godsdienst vooral in de sleutel van de verhouding overheid-individu komen te staan. Dat is te beperkt, want godsdienst is ook een maatschappelijk fenomeen. Godsdienst heeft in de maatschappij een zelfstandige betekenis en werking, die het individuele, private niveau overstijgt. Het onderscheid tussen publiek-privé is verwarrend, want het zet simplistisch de samenleving buiten beeld en miskent de aard van een godsdienst. Godsdienst is een maatschappelijk verschijnsel en daar moet de overheid wat mee.  

 

Tegen links: godsdiensten zijn niet gelijk

Ook benadrukt de auteur dat godsdiensten niet gelijk zijn. De islam is inhoudelijk totaal anders dan het christendom en heeft ook een volledig ander relatie tot de Nederlandse geschiedenis. Dit moet de overheid eerlijk verdisconteren in haar omgang met vertegenwoordigers van godsdiensten. Maatwerk met oog voor de specifieke context moet centraal staan in plaats van een formele gelijkheidsbenadering die is gevoed door een allergie voor partijdigheid. De Nederlandse overheid kan bijvoorbeeld gerust opkomen voor de zondag als rustdag. Van Bijsterveld benadrukt ook dat – zeker ook op lokaal niveau - nadruk op communicatie en praktische coördinatie belangrijker zijn dan regelgeving.

 

Vrijheid: staat, samenleving en burger

Het ankerpunt van Van Bijsterveld is de vrijheid. Het gaat daarbij niet alleen om de individuele vrijheid(srechten), maar ook om een klimaat van vrijheid en respect in de samenleving, alsmede goed functionerende overheidsinstellingen. Burgerschap en een bepaalde moraal zijn cruciaal voor de kwaliteit van een democratische rechtsstaat. Godsdienstige genootschappen kunnen daar aan bijdragen. Immers: “de democratische rechtsstaat bestaat bij de gratie van vooronderstellingen die hij zelf niet kan verwezenlijken.” (39) De profetische kritiek van kerken is ook hard nodig om de democratie open te houden en haar waarheidsaanspraken te relativeren. Ze moeten wel een basisloyaliteit richting de waarden van de rechtsstaat hebben.

 

Slot

Van Bijsterveld plaatst op vruchtbare wijze de verhouding tussen overheid en godsdienst in een breed en toekomstbestendig kader. Haar ontspannen benadering getuigt van een realiteitszin die we momenteel goed kunnen gebruiken. Wie zich wil verdiepen in de 21e eeuwse verhouding tussen overheid en godsdienst in Nederland kan ik dit boek van harte aanbevelen.