Niet de majoriteit, maar de autoriteit

Niet de majoriteit, maar de autoriteit

 

Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie 1908-1980

 

Door Martijn van Meppelen Scheppink

 

“De CHU is een Unie, niet een partij”. Met deze woorden typeerde oud-partijsecretaris J.W. van Gelder treffend de partijcultuur van een partij die vanaf 1908 een bijzondere positie in het Nederlandse partijlandschap had ingenomen en tot 1980 samen met ARP en KVP het CDA vormde: de Christelijk-Historische Unie (CHU). De CHU vormde als relatief ongeorganiseerde partij, met grote namen als De Savornin Lohman, De Geer en vader en zoon Tilanus, meer dan 70 jaar een constante factor in de Nederlandse politiek. Wat kan de geschiedenis van deze partij ons leren?

 

Stille kracht

De geschiedenis van deze partij is op een boeiende manier in kaart gebracht door Marcel ten Hooven en Ron de Jong in Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie 1908-1980, dat in 2008 verscheen als tweede in de reeks over de Nederlandse politiek, die wordt uitgegeven door uitgeverij Boom en het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen.

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel schetst Ten Hooven aan de hand van uitvoerige vraaggesprekken met oud-CHU-politici als Veerman, Franken, Deetman, Gualthérie van Weezel en Van Hulst een prachtig beeld van de mentaliteit van de CHU.  Die mentaliteit werd gekenmerkt door weerzin tegen scherpslijperij en politiek vertoon, gehechtheid aan onderlinge tolerantie en het relativeren van eigen gelijk. In de CHU overheerste een ontspannen bestuurlijke attitude gericht op het behoud van het goede met veel ruimte voor verschillende opvattingen. Het tweede deel van het boek, geschreven door De Jong, beschrijft de geschiedenis van de CHU en gaat op zoek naar een verklaring voor de paradox waarom zo’n relatief ongeorganiseerde partij als de CHU over een van de meest stabiele achterbannen bleek te beschikken. De verklaring voor de paradox is volgens De Jong gelegen in de sterke basis van de partij op het Hervormde platteland.

Een belangrijke praktische conclusie van het boek is, dat de mentaliteit van de CHU ook betekenis heeft voor het huidige politieke tijdsgewricht waarin populisme en polarisatie het voor het zeggen lijken te hebben. “Zo’n mentaliteit kan een stille kracht zijn in tijd waarin explosiegevaar voor politiek en samenleving dreigt”, aldus Ten Hooven.

 

Staat met de Bijbel

In het beginselprogramma van de CHU werd onder andere vastgelegd dat het gezag in de staat uitgeoefend moest worden volgens de “in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods”. Nederland moest volgens het programma bestuurd worden als “een Christelijke staat in Protestantschen zin”. Verder wees de nieuwe CHU de antithese van Kuyper als grondslag voor partijvorming formeel af. Ten slotte werd in het beginselprogramma vastgelegd dat het de CHU niet zozeer te doen is om de majoriteit (kiezersmeerderheid) maar om de autoriteit (het gezag van het Woord van God). Dit beginsel kwam overeen met de -zeker in vergelijking met de ARP- zwakke partij-organisatie met veel ruimte voor verschillen in opvatting.

Tot zijn afscheid in 1921 was Lohman de onbetwiste leider van de CHU. Door de invoering van het algemeen kiesrecht en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917 zag ook de federalistisch opgezette CHU zich genoodzaakt de partij-organisatie te versterken: de kandidaatstelling werd gecentraliseerd, er kwam een kandidatenlijst voor het hele land, de partij werd meer een organisatie van kiezers en er kwamen meer concrete programma’s. In het Interbellum nam de CHU in het politieke bestel een bescheiden positie in. Vooral de politieke concurrentie met de ARP van Colijn speelde de CHU parten.

De oorlog had grote invloed op de CHU. Aan de ene kant door de Doorbraak, die af wilde van de vooroorlogse politieke verhoudingen en leidde tot de oprichting van de PvdA. Aan de andere kant door het streven naar een Christelijke Volkspartij waarin ARP en CHU zouden samenwerken, maar door interne weerstanden uiteindelijk niet van de grond zou komen. Tot 1963 was H.W. Tilanus de leider van de CHU. De periode daarna stond vooral in het teken van de totstandkoming van het CDA, waarin de CHU in 1980 zou opgaan.

 

Notabelenpartij

De CHU verschilde wezenlijk van andere partijen zoals de ARP en KVP ten aanzien van verzuiling, antithese, partij en volksdeel. Anders dan ARP en KVP was de CHU geen massa-partij met een strak geleide partij-organisatie en dominante leider gericht op de mobilisatie van een bepaald volksdeel (gereformeerden, katholieken). Eigen ideologische nevenorganisaties zoals een krant, vakbond of jongerenorganisatie ontbraken of waren relatief klein en zwak. De CHU werd gekoesterd als een politieke familie, anders gezegd: “een politieke familie van redelijk relativerende mede-lotgenoten”. Politieke machtvorming stond niet voorop. De cultuur en sfeer van de partij werden bepaald door Nederlands Hervormden die door hun kerkverband gewend waren om met uiteenlopende opvattingen en stromingen om te gaan en zich te richten op het geheel en datgene wat bindt.

Om die reden karakteriseert politicoloog Ruud Koole de CHU ook als notabelenpartij met een oorsprong bij gelijkgezinden in het parlement en een zwakke partij-organisatie. Van verzuiling en antithese moesten CHU-ers weinig hebben. Men was gericht op heel het volk en huiverig om op te komen voor particuliere deelbelangen. Als stille kracht leverde de CHU een groot aantal capabele bestuurders die met hun gouvernementele instelling een belangrijke bijdrage leverden aan het overheidsbestuur op tal van niveaus. Kenmerkend voor de Tweede Kamer-fractie was het ontbreken van partijdiscipline en een sterk dualistische inslag. Het kwam geregeld voor dat de CHU-fractie verdeeld stemde en positie innam tegenover de coalitie waarvan ook de CHU deel uitmaakte. Niet voor niets werd de  CHU-fractie door de fractievoorzitter van de PvdA in de jaren vijftig van de vorige eeuw vergeleken met “een koppel patrijzen dat bij het eerste schot alle kanten opvloog”.

 

Voorbeeld en waarschuwing

Aan de CHU kan de ChristenUnie in bepaalde opzichten een voorbeeld nemen. Zeker nu de ChristenUnie deel uitmaakt van het kabinet, ligt het gevaar van een te strakke partijdiscipline en monistische vermenging van regering en parlement op de loer. Van de CHU kunnen we leren hoe belangrijk een dualistische instelling is. Ook de partijcultuur van de CHU met ruimte voor nuance en uitlopende opvattingen en een sterk besef dat het niet gaat om de partij op zich, maar om de samenleving als geheel, is aansprekend. De ChristenUnie kan evenals de CHU een stille kracht zijn met een stabiliserende inbreng in de explosieve politieke situatie van vandaag de dag. Tegelijkertijd is de geschiedenis van de CHU een waarschuwing. “Niet de majoriteit, maar de autoriteit” is als principe in een beginselprogramma geduldig. Van dat  motto zal vooral moeten blijken in de politieke praktijk van iedere dag. Aan het gevaar van verwatering is de CHU naar mijn mening niet geheel ontkomen. Voor de ChristenUnie is dat een les om daarop steeds weer scherp te blijven.